Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Gelderland, 4 maart 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7554Zaaknummer C/05/447821 / HZ ZA 25-46
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 4 maart 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/05/447821 / HZ ZA 25-46
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vordering tot betaling van facturen toegewezen. Vordering in reconventie tot betaling van schadevergoeding ogv wanprestatie/onrechtmatige daad afgewezen. Geen verzuim. Geen onrechtmatige daad.
De rechtbank
in conventie
veroordeelt Vilinq om op de derdenrekening van mr. H.H.M. Meijroos te betalen een bedrag van € 27.622,39, te vermeerderen met:
- i) de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 25.954,50, met ingang van 21 januari 2025, tot de dag van volledige betaling, en
- ii) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.034,55, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Vilinq in de proceskosten van € 3.313,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt Vilinq tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van Vilinq af,
veroordeelt Vilinq in de proceskosten van € 1.438,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt Vilinq tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als Vilinq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3, 5.6 en 5.7 genoemde beslissingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. van Engelenhoven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
WE/FB
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/447821 / HZ ZA 25-46
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [handelsnaam 1],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. E.J.M. Brocatus,
tegen
VILINQ B.V.,
te Apeldoorn,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Vilinq,
advocaat: mr. D. Alblas.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 25 juni 2025,
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 januari 2026,- de akte wijziging eis van [eiser] van 27 januari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] heeft een eenmanszaak en laat zich onder meer door bedrijven inhuren voor het verrichten van werkzaamheden als middelbaar veiligheidskundige en het verzorgen van veiligheidstrainingen. De eenmanszaak heeft verschillende handelsnamen, waaronder ‘ [handelsnaam 1] ’ en ‘ [handelsnaam 2] ’.
Vilinq is een adviesbureau dat zich bezighoudt met werkzaamheden op het gebied van arbeidsveiligheid.
Op 15 februari 2023 hebben Vilinq als opdrachtgever en [eiser] als opdrachtnemer een schriftelijke overeenkomst van opdracht gesloten.
In deze overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“(…)
Artikel 1 De opdracht
Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten het opstellen van risico-inventarisatie & evaluaties, opstellen van bedrijfsnoodplannen, verzorgen van trainingen en/of toolboxen, verzorgen van veiligheidsinspecties of advisering over arbeidsveiligheid.
Artikel 2 Uitvoering van de opdracht
Opdrachtnemer accepteert de opdracht en aanvaardt daarmee de volle verantwoordelijkheid voor het op juiste wijze uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden.
(…)
Artikel 3 Duur van de overeenkomst
Deze overeenkomst gaat in per 1 maart 2023 en eindigt per 1 maart 2025.
(…)
Artikel 6 Vergoeding, facturering en betaling
Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer € 65,- per uur exclusief BTW voor het verrichten van werkzaamheden als middelbaar veiligheidskundige aan door Opdrachtgever aan Opdrachtnemer verstrekte opdrachten. (…)
Het maximaal aantal door Opdrachtnemer te factureren uren wordt voor aanvang van de opdracht middels een opdrachtbon schriftelijk vastgelegd.
Opdrachtnemer zal voor de verrichte werkzaamheden aan Opdrachtgever een factuur (doen) zenden. De factuur zal voldoen aan de wettelijke eisen.
Opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur.
(...)
Artikel 8 Zorgvuldigheid en aansprakelijkheid
De Opdrachtnemer heeft een inspanningsverplichting die inhoudt dat hij inspanning moet leveren en naar zijn beste inzicht en vermogen als zorgvuldig behandelend beroepsbeoefenaar de werkzaamheden moet uitvoeren.
Opdrachtnemer moet bij het verrichten van de werkzaamheden met de zorg van een goede Opdrachtnemer werken. Bij de uitvoering moet hij rekening houden met de belangen van de onderneming en de Opdrachtgever en relaties dienen.
Bij de werkzaamheden moet de Opdrachtnemer rekening houden met de redelijke wensen van de Opdrachtgever, als dit bevorderlijk is voor een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden.
De Opdrachtnemer is niet aansprakelijk voor schade, indirecte schade of ontstane gevolgschade die door hem tijdens uitvoer van de werkzaamheden aan de Opdrachtgever is toegebracht.
Artikel 14 Wijzingen van de overeenkomst
Wijzigingen van en aanvullingen op deze overeenkomst zijn slechts geldig voor zover deze schriftelijk tussen partijen zijn overeengekomen.
(…)”
Vanaf maart 2023 zijn door Vilinq meerdere opdrachten aan [eiser] verstrekt, voornamelijk voor het opstellen van risico-inventarisaties & evaluaties (hierna: RI&E’s) voor opdrachtgevers van Vilinq. Partijen hebben steeds – voorafgaand aan de verstrekking van een opdracht door Vilinq aan [eiser] – afspraken met elkaar gemaakt over het maximaal voor de opdracht door [eiser] aan Vilinq in rekening te brengen aantal gewerkte uren.
In de loop van 2024 is Vilinq gestopt met het betalen van de door [eiser] aan Vilinq toegestuurde facturen.
Op 3 oktober 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en de [functie] van Vilinq. In dit gesprek is afgesproken dat [eiser] de door haar aan Vilinq toegestuurde facturen voor de door haar in opdracht van Vilinq ten behoeve van KPMG en de Argos Zorggroep verrichte werkzaamheden, zal crediteren en dat [eiser] nieuwe facturen aan Vilinq zal toesturen voor de helft van het vooraf overeengekomen maximale aantal aan Vilinq voor deze opdrachten in rekening te brengen gewerkte aantal uren. Over de verdere inhoud van het gesprek verschillen partijen van mening.
[eiser] heeft na het gesprek van 3 oktober 2024 de volgende facturen aan Vilinq gestuurd:
- factuur [x] van 3 oktober 2024 voor een bedrag van € 907,50;
- factuur [x] van 3 oktober 2024 voor een bedrag van € 907,50;
- factuur [x] van 3 oktober 2024 voor een bedrag van € 907,50;
- factuur [x] van 3 oktober 2024 voor een bedrag van € 907,50;
- factuur [x] van 3 oktober 2024 voor een bedrag van € 907,50;
- factuur [x] van 3 oktober 2024 voor een bedrag van € 10.890,00,
- factuur [x] van 3 oktober 2024 voor een bedrag van € 2.178,00;
- factuur [x] van 13 oktober 2024 voor een bedrag van € 3.630,00;
- factuur [x] van 13 oktober 2024 voor een bedrag van € 2.178,00;
- factuur [x] van 31 oktober 2024 voor een bedrag van € 2.178,00;
- factuur [x] van 20 november 2024 voor een bedrag van € 363,00.
De facturen met factuurnummers [x], [x], [x], [x] en [x] hebben betrekking op de door [eiser] voor Vilinq verrichte werkzaamheden bestaande uit het opstellen van RI&E’s voor vijf vestigingen van de Argos Zorggroep. Met deze facturen heeft [eiser] per vestiging 10 gewerkte uren aan Vilinq in rekening gebracht.
De factuur met factuurnummer [x] ziet op de door [eiser] voor Vilinq verrichte werkzaamheden, bestaande uit het opstellen van RI&E’s voor 12 vestigingen van KPMG. Met deze factuur heeft [eiser] hiervoor in totaal 120 gewerkte uren aan Vilinq in rekening gebracht.
De facturen met factuurnummers [x], [x], [x] en [x] hebben betrekking op de door [eiser] voor Vilinq verrichte werkzaamheden bestaande uit het opstellen van RI&E’s voor respectievelijk [bedrijf 1], Yachtinstall, Stout Pijpleidingen en Arthrex Distribution Hub.
De factuur met factuurnummer [x] ziet op de door [eiser] voor Vilinq verrichte werkzaamheden bestaande uit het bieden van ondersteuning en advies aan Poppodium Victorie bij de uitvoering van het plan van aanpak dat deel uitmaakte van een eerder door Vilinq voor deze opdrachtgever opgestelde RI&E.
Bij e-mail van 5 november 2024 heeft BridgeFund B.V. (hierna: BridgeFund) mededeling aan Vilinq gedaan van het pandrecht dat ten gunste van BridgeFund door [eiser] is gevestigd op haar vorderingen op Vilinq.
[eiser] heeft Vilinq op 20 november 2024 en 9 december 2024 betalingsherinneringen toegestuurd.
Bij e-mail van 12 december 2024 van haar advocaat heeft [eiser] Vilinq gesommeerd om binnen zeven dagen tot betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten, over te gaan.
Bij brief van haar toenmalige advocaat van 10 januari 2025 heeft Vilinq zich op het standpunt gesteld dat [eiser] haar werkzaamheden niet dan wel ondeugdelijk heeft uitgevoerd, zodat [eiser] (vooralsnog) geen opeisbare vordering op Vilinq heeft. Subsidiair is door Vilinq in deze brief een beroep op opschorting van haar betalingsverplichting(en) gedaan wegens het uitblijven van “een volledige en correcte nakoming van de opdrachten die tussen partijen zijn overeengekomen”. In het verlengde daarvan heeft Vilinq [eiser] in deze brief gesommeerd om “binnen drie weken na heden voor aanpassing en aanvulling van de RI&E rapporten over te gaan, zodat deze aan de criteria voldoen en de toetsing door een gecertificeerd kerndeskundige op volledigheid, betrouwbaarheid en actualiteit doorstaan”. Ten slotte is in deze brief aangekondigd dat wanneer [eiser] haar verplichtingen niet binnen deze termijn (volledig) nakomt, de vordering van Vilinq dan moet worden beschouwd als te zijn omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
Bij brief van 23 januari 2025 is door de advocaat van [eiser] inhoudelijk gereageerd op de brief van de toenmalig advocaat van Vilinq van 10 januari 2025. In deze brief is namens [eiser] onder meer weersproken dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en aangekondigd dat [eiser] de kwestie aan de rechter zal voorleggen.
Bij e-mail van 28 mei 2025 is door mr. H.H. Meijroos namens BridgeFund aan de advocaat van [eiser] voorgehouden dat [eiser] per die datum nog € 17.461,52, te vermeerderen met de nog te vervallen rente, aan BridgeFund verschuldigd is. Over de bevoegdheden van [eiser] als pandgever is door mr. H.H. Meijroos in zijn e-mail het volgende geschreven: “Ik bevestig u hierbij dat het u(w cliënte) vrijstaat de procedure tegen Villinq B.V. te voeren c.q. voort te zetten, waarbij ik uiteraard wel opmerk dat wanneer het (op enig moment) tot betaling c.q. incassering van de vordering van uw cliënte op Villinq B.V. komt, slechts bevrijdend (tot aan de hoogte van de op dat moment openstaande vordering van mijn cliënte op mevrouw [eiser]) aan mijn cliënte (lees: op de derdengeldenrekening van mijn kantoor, Meijroos Advocaten te Den Haag) betaald kan worden.”.
3 Het geschil
in conventie
[eiser] vordert – na wijziging van eis op de mondelinge behandeling – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [eiser] een opeisbare vordering heeft op Vilinq van een bedrag van € 27.622,39, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 21 januari 2025;
II. Vilinq veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 27.622,39, althans in een goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, op de derdenrekening van mr. H.H.M. Meijroos;
III. Vilinq veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.
[eiser] legt – samengevat – het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [eiser] heeft op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor Vilinq verricht en heeft daarvoor facturen gestuurd, die door Vilinq niet binnen de overeengekomen betalingstermijn zijn betaald. Vilinq is daarmee tekort geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen. In hoofdsom is Vilinq een bedrag van € 25.950,50 aan [eiser] verschuldigd. Vanaf de vervaldata van de facturen is Vilinq daarover ook de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW verschuldigd. Tot en met 21 januari 2025 gaat het om een bedrag van € 633,34 aan wettelijke handelsrente. Door het betalingsverzuim was [eiser] bovendien genoodzaakt haar vordering op Vilinq uit handen te geven. Vilinq moet daarom ook een bedrag van € 1.034,55 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] vergoeden.
Vilinq voert verweer. Vilinq concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Vilinq voert – samengevat – het volgende aan. Vilinq betwist dat de vordering van [eiser] opeisbaar is. Vilinq voert aan dat zij (nog) niet hoeft te betalen, omdat [eiser] haar werkzaamheden onvolledig en ondeugdelijk heeft uitgevoerd dan wel onrechtmatig tegenover Vilinq heeft gehandeld. Ook voert Vilinq een verrekeningsverweer,
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
Vilinq vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart “(i) primair dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbare niet – nakoming en (ii) subsidiair haar zorgplicht jegens Vilinq c.q. haar cliënten telkenmale te hebben geschonden en deswege onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vilinq waarvan Vilinq dientengevolge schade heeft geleden”;
II. ten laste van [eiser] aan Vilinq een schadevergoeding toekent van € 83.125,00 dan wel een in goede justitie te betalen bedrag;
III. [eiser] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
Vilinq legt – samengevat – aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft haar werkzaamheden voor Vilinq onvolledig en ondeugdelijk uitgevoerd. Daarbij heeft zij ook haar zorgplicht als opdrachtnemer geschonden. Het handelen van [eiser] levert naast wanprestatie ook een onrechtmatige daad op. Vilinq heeft door het handelen van [eiser] schade geleden. Deze schade moet door [eiser] aan Vilinq worden vergoed.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Vilinq, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Vilinq, met veroordeling van Vilinq in de kosten van deze procedure.
[eiser] voert – samengevat – het volgende aan. [eiser] betwist de door Vilinq aan haar gemaakte verwijten. [eiser] voert aan dat sprake was van een inspanningsverplichting en dat zij haar werkzaamheden steeds naar beste kunnen, en in overeenstemming met de tussen partijen gemaakte afspraken, heeft uitgevoerd. Ook betwist [eiser] dat zij in verzuim is komen te verkeren, doet [eiser] een beroep op schending van de klachtplicht ex artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en doet [eiser] een beroep op het exoneratiebeding in artikel 8.4 van de overeenkomst.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
in conventie
In conventie draait het om de vraag of Vilinq gehouden is tot betaling van de facturen van [eiser], te vermeerderen met rente en kosten.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij in februari 2023 een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW hebben gesloten op grond waarvan [eiser] werkzaamheden voor Vilinq zou verrichten en Vilinq daarvoor een vergoeding aan [eiser] zou betalen.
Door Vilinq zijn op basis van deze overeenkomst in de periode maart 2023 tot halverwege 2024 opdrachten aan [eiser] verstrekt op grond waarvan [eiser] werkzaamheden heeft verricht, die zij heeft gefactureerd aan Vilinq. Vaststaat dat Vilinq de facturen waarvan door [eiser] in deze procedure betaling wordt gevorderd (zoals opgesomd in r.o. 2.8) onbetaald heeft gelaten.
Vilinq heeft de hoogte van de facturen niet betwist. Door Vilinq is evenwel aangevoerd dat zij de facturen (nog) niet hoeft te betalen vanwege de wanprestatie (dan wel onrechtmatige daad) van [eiser]. Volgens Vilinq was sprake van een resultaatsverbintenis en heeft [eiser] het afgesproken resultaat niet geleverd.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Een tekortkoming van een schuldeiser ontslaat de schuldenaar niet van zijn betalingsverplichtingen. Dit is anders als de schuldenaar de overeenkomst heeft ontbonden (waarvan hier geen sprake is), omdat partijen in dat geval van hun verbintenissen zijn bevrijd. De enkele door Vilinq gestelde ondeugdelijkheid van de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden vormt – indien al juist – dus op zichzelf genomen geen grond om Vilinq van haar betalingsverplichtingen tegenover [eiser] te bevrijden. Ook een onrechtmatige daad van een contractspartij heeft niet tot rechtsgevolg dat de betalingsverplichting van de wederpartij automatisch verdwijnt.
Door Vilinq is in het verlengde van het door haar ingenomen standpunt aangevoerd dat de facturen waarvan door [eiser] betaling wordt gevorderd (nog) niet opeisbaar zijn. Volgens Vilinq is [eiser] pas gerechtigd om de door haar voor Vilinq verrichte werkzaamheden aan Vilinq in rekening te brengen “na het volledig en deugdelijk verrichten van de werkzaamheden”. Uit de door Vilinq betrokken stellingen maakt de rechtbank op dat Vilinq – wanneer de opdracht bestaat uit het opstellen van een RI&E – daaronder verstaat dat een door [eiser] voor Vilinq aangeleverde RI&E (eerst) de toets door een gecertificeerd kerndeskundige op veiligheid, betrouwbaarheid en actualiteit moet doorstaan.
De rechtbank volgt Vilinq niet in haar standpunt dat de facturen waarvan door [eiser] betaling wordt gevorderd nog niet opeisbaar zijn. De op de aan [eiser] verstrekte opdrachten van toepassing zijnde overeenkomst biedt geen aanknopingspunten voor deze stelling. Uit artikel 6 van de overeenkomst volgt dat partijen zijn overeengekomen dat Vilinq aan [eiser] een vergoeding per gewerkt uur betaalt voor de door [eiser] voor Vilinq verrichte werkzaamheden (artikel 6.1 van de overeenkomst). Partijen zijn daarbij overeengekomen dat steeds voor aanvang van een opdracht het maximaal aantal door [eiser] voor die opdracht te factureren uren schriftelijk wordt vastgelegd (artikel 6.3 van de overeenkomst). In artikel 6 van de overeenkomst is verder – voor zover relevant – bepaald dat [eiser] voor de verrichte werkzaamheden aan Vilinq een factuur zal sturen (artikel 6.4 van de overeenkomst) en dat Vilinq gehouden is het gefactureerde bedrag binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur aan [eiser] te betalen (artikel 6.5 van de overeenkomst). Partijen zijn dus niet in de overeenkomst overeengekomen dat Vilinq (alleen) een vergoeding aan [eiser] betaalt wanneer een bepaald resultaat door [eiser] wordt behaald. In artikel 8.1 van de overeenkomst is ook vastgelegd dat [eiser] bij de uitvoering van de opdrachten een inspanningsverplichting – en dus geen resultaatsverplichting – heeft. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt dan ook niet dat partijen een afspraak hebben gemaakt die feitelijk neerkomt op een ‘no cure no pay’-regeling. Vast staat bovendien dat Vilinq de eerste anderhalf jaar van de samenwerking tussen partijen de(zelfde soort) facturen van [eiser] heeft betaald zonder hierover een opmerking te maken, terwijl volgens Vilinq ook de in die periode door [eiser] aangeleverde RI&E’s steeds tekortkomingen zouden hebben bevat. Dat partijen van de overeenkomst afwijkende afspraken hebben gemaakt over de bevoegdheid van [eiser] om de door haar verrichte werkzaamheden te (kunnen) factureren, is niet gesteld noch gebleken.
Voor zover Vilinq heeft bedoeld zich (nog steeds) op een opschortingsrecht te beroepen, is het volgende van belang. Opschorting is een verweermiddel tegen een vordering tot nakoming en leidt op zichzelf niet tot bevrijding van de verplichting tot nakoming. Uit de stellingen van Vilinq kan niet worden opgemaakt dat Vilinq wil dat [eiser] alsnog presteert of dat Vilinq zelf bereid is om – onder voorwaarde(n) – alsnog na te komen. Ook is door Vilinq niet weersproken dat de door [eiser] aan haar aangeleverde RI&E’s – al dan niet nadat daar door Vilinq zelf nog aanpassingen in zijn doorgevoerd – al aan de opdrachtgevers van Vilinq zijn opgeleverd. Ook staat vast dat [eiser] sinds eind 2024 geen toegang meer heeft tot de systemen van Vilinq en het voor de uitvoering van de opdrachten aan [eiser] door Vilinq ter beschikking gestelde mail-account. Een en ander leidt ertoe dat, ook indien de door Vilinq gestelde wanprestatie van [eiser] zou komen vast te staan, Vilinq zich niet gerechtvaardigd op opschorting kan beroepen.
Vilinq heeft verder nog een beroep gedaan op een volgens haar op 3 oktober 2024 met [eiser] gemaakte (mondelinge) verrekeningsafspraak. Volgens Vilinq zijn partijen in dat gesprek overeengekomen dat Vilinq de kosten die zij – na een eerste herstelpoging door [eiser] – maakt voor het completeren en corrigeren van door [eiser] in de lopende opdrachten aangeleverde RI&E’s, in mindering mag brengen op de facturen van [eiser]. Tussen partijen staat niet ter discussie dat deze wens als zodanig door de [functie] van Vilinq is geuit tijdens dit gesprek. [eiser] betwist echter uitdrukkelijk dat daarmee door haar is ingestemd. Nu door Vilinq een beroep wordt gedaan op de volgens haar met [eiser] gemaakte verrekeningsafspraak, rust de stelplicht en de bewijslast van het bestaan van op Vilinq. Anders dan Vilinq meent kan uit het door [eiser] na het gesprek halveren van haar facturen ten aanzien KPMG en de Argos Zorggroep niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat door [eiser] ook werd ingestemd met het door Vilinq in mindering brengen van (toekomstige) kosten op facturen van [eiser]. In de periode na het gesprek zijn door [eiser] ook op dezelfde wijze als daarvoor facturen aan Vilinq toegezonden en is door Vilinq ook niet na ontvangst daarvan blijk gegeven dat door haar een beroep werd gedaan op de gestelde verrekeningsafspraak.
Het voorgaande leidt ertoe dat Vilinq gehouden is de facturen van [eiser] te voldoen. Met deze facturen is in totaal een bedrag gemoeid van € 25.954,50.
Wettelijke handelsrente
De overeenkomst tussen partijen is een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW. De gevorderde wettelijke handelsrente is daarom toewijsbaar vanaf de datum van verzuim. Nu Vilinq de facturen niet binnen de betalingstermijn van 30 dagen heeft betaald, is zij vanaf de vervaldata van de facturen de wettelijke handelsrente verschuldigd. De over de hoofdsom gevorderde wettelijke handelsrente zal dan ook eveneens worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de tot en met 21 augustus 2021 over de hoofdsom verschuldigde wettelijke handelsrente wordt afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert een bedrag van € 1.034,55 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende onderbouwd gesteld dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Vilinq heeft deze vordering ook niet betwist. De hoogte van het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal dan ook worden toegewezen.
Over de buitengerechtelijke incassokosten kan de door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente niet worden toegewezen, omdat buitengerechtelijke incassokosten worden gekwalificeerd als vermogensschade. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Inningsbevoegdheid BridgeFund
Uit de e-mail van de advocaat van BridgeFund van 28 mei 2025 blijkt dat [eiser] niet inningsbevoegd is ten aanzien van haar vordering op Vilinq. Nu [eiser] heeft gevorderd dat betaling van haar vorderingen zal plaatsvinden op de door de advocaat van BridgeFund in deze e-mail voorgeschreven wijze, staat haar inningsonbevoegdheid niet in de weg aan toewijzing van haar vorderingen.
De gevorderde verklaring voor recht
De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht afwijzen. Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van [eiser] strekkende tot betaling van haar openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten, grotendeels wordt toegewezen. Naast deze toewijzing heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht.
Proceskosten
Vilinq is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 119,40 | |
| - griffierecht | € | 1.374,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.672,00 | (2 punten × € 836,00) |
| - nakosten | € | 148,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 3.313,40 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
In reconventie draait het om de vraag of [eiser] gehouden is tot het betalen van schadevergoeding aan Vilinq op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad.
Wanprestatie
Als een van de meest verstrekkende verweren tegen de door Vilinq op grond van wanprestatie gevorderde schadevergoeding voert [eiser] aan dat zij door Vilinq niet in de gelegenheid is gesteld eventuele gebreken te herstellen, waardoor zij niet in verzuim is komen te verkeren en ook niet schadeplichtig is.
Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, is voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op grond van wanprestatie vereist dat de schuldenaar in verzuim is (artikel 6:74 lid 2 BW). Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke is gesteld als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW of - in uitzondering op die hoofdregel - wanneer sprake is van omstandigheden die rechtvaardigen dat de schuldeiser een ingebrekestelling achterwege heeft gelaten.
Vilinq heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] wel degelijk in verzuim is komen te verkeren, doordat (i) Vilinq [eiser] steeds per door haar aan Vilinq aangeleverde RI&E heeft geïnformeerd over de geconstateerde gebreken en [eiser] daarbij in de gelegenheid heeft gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen, (ii) Vilinq [eiser] op 3 oktober 2024 mondeling in gebreke heeft gesteld en in de gelegenheid heeft gesteld “om de fouten te herstellen c.q. haar prestatie te verbeteren”, (iii) tijdens het gesprek dat op 3 oktober 2024 heeft plaatsgevonden door [eiser] een mededeling is gedaan waaruit Vilinq heeft moeten afleiden dat [eiser] in de nakoming van haar verbintenissen zal tekortschieten als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW, en (iv) [eiser] niet binnen de in de brief van 10 januari 2025 gestelde termijn van drie weken alsnog haar verplichtingen is nagekomen.
Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW is vereist dat de schuldeiser schriftelijk aan de schuldenaar bekend maakt dat de prestatie van de schuldenaar achterblijft bij datgene wat de schuldeiser mag verwachten, concreet aangeeft wat hij van de schuldenaar verlangt, aan de schuldenaar een redelijke termijn stelt om aan die eis te voldoen, aan de schuldenaar duidelijk maakt dat als de schuldenaar aan die eis niet, niet volledig, niet deugdelijk of niet tijdig voldoet, deze in verzuim is, en dat voor de schuldeiser aanleiding kan of zal vormen om nakoming, ontbinding en/of schadevergoeding te vragen.
De door Vilinq overgelegde e-mails, waarin zij [eiser] informeert over haar bevindingen naar aanleiding van door [eiser] aan Vilinq aangeleverde RI&E’s, voldoen niet aan deze vereisten. Ook de gestelde mondelinge ingebrekestelling van 3 oktober 2024 – een mondelinge ingebrekestelling voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste – en de brief van 10 januari 2025 voldoen niet aan deze vereisten. De brief van 10 januari 2025 bevat weliswaar een schriftelijke aanmaning, maar daarin is niet aangegeven op welke punten de prestatie van [eiser] is achtergebleven bij datgene wat Vilinq van [eiser] mag verwachten. Ook is daarin niet aangegeven wat Vilinq nog concreet van [eiser] verlangt. Voor zover op dat moment herstel nog mogelijk was – wat door [eiser] is betwist – is daarmee dan ook niet voldaan aan de vereisten die aan een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW worden gesteld. Daar komt bij dat vaststaat dat [eiser] op dat moment ook geen toegang had tot de systemen van Vilinq en daardoor ook niet in staat was om eventuele gebreken te herstellen.
Door Vilinq is verder gesteld dat verzuim van rechtswege is ingetreden, omdat zij uit een mededeling van [eiser] tijdens het gesprek van 3 oktober 2024 heeft mogen afleiden dat [eiser] in de nakoming van haar verbintenissen zal tekortschieten. Het gaat volgens Vilinq om de volgende mededeling die door [eiser] tijdens dit gesprek zou zijn gedaan naar aanleiding van haar thuissituatie: “Als ik in loondienst had gewerkt, dan had ik mij allang ziekgemeld”. Door [eiser] is betwist dat zij dit heeft gezegd. Vaststaat dat er bij het gesprek geen andere partijen aanwezig waren dan [eiser] en de [functie] van Vilinq. Het is dan ook het woord van Vilinq tegen het woord van [eiser]. Ook als echter vast zou komen te staan dat [eiser] zou hebben gezegd wat zij volgens Vilinq heeft gezegd, dan is dat geen mededeling van [eiser] waaruit Vilinq niet anders kon dan afleiden dat [eiser] in de nakoming van haar verbintenissen zou gaan tekortschieten. De mededeling die [eiser] volgens Vilinq zou hebben gedaan zegt namelijk niets over wat Vilinq nog van [eiser] zou kunnen verwachten. Uit de na dit gesprek tussen partijen per e-mail gewisselde correspondentie blijkt ook dat Vilinq er niet vanuit is gegaan dat door [eiser] een mededeling is gedaan waaruit zij heeft moeten afleiden dat [eiser] in de nakoming van haar verbintenissen zal tekortschieten. Zo heeft Vilinq [eiser] in een e-mail van 13 oktober 2024 nog verzocht om samenvattingen voor de RI&E voor KPMG te herschrijven. Op de zitting is door Vilinq erkend dat door [eiser] ook uitvoering is gegeven aan dit verzoek.
De conclusie is dan ook dat [eiser] niet in verzuim is komen te verkeren. Dit betekent dat, indien al zou komen vast te staan dat [eiser] tekort is geschoten en Vilinq daardoor schade heeft geleden, niet aan de vereisten voor het ontstaan van een recht op schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW is voldaan.
Onrechtmatige daad
Voor een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad is volgens artikel 6:162 BW vereist dat: (i) [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, (ii) het onrechtmatig handelen [eiser] kan worden toegerekend, (iii) Vilinq daardoor schade heeft geleden, (iv) de door [eiser] geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals Vilinq die heeft geleden.
Vilinq heeft gesteld dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij haar zorgplicht als opdrachtnemer heeft geschonden. Vilinq heeft dit onderbouwd met de stelling dat [eiser] er een puinhoop van heeft gemaakt, haar verplichtingen niet is nakomen en de belangen van Vilinq heeft geschaad. Door Vilinq is niet geconcretiseerd welke norm volgens haar door [eiser] is geschonden. Zonder concretisering waartoe [eiser] als goed opdrachtnemer gehouden was en op welke punten [eiser] daarin tekort is geschoten, kan niet worden aangenomen dat [eiser] door enig (gebrek aan) handelen – los van de contractuele relatie tussen partijen – onrechtmatig tegenover Vilinq heeft gehandeld. Evenmin heeft Vilinq voldoende gemotiveerd aangetoond dat zij schade heeft geleden. De vorderingen van Vilinq zijn dus ook niet toewijsbaar op grond van artikel 6:162 BW.
Conclusie
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van Vilinq zullen worden afgewezen.
Proceskosten
Vilinq is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
| - salaris advocaat | € | 1.290,00 | (2 punten × factor 0,5 × € 1.290,00) |
| - nakosten | € | 148,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.438,00 |
5 De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt Vilinq om op de derdenrekening van mr. H.H.M. Meijroos te betalen een bedrag van € 27.622,39, te vermeerderen met:
- i) de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 25.954,50, met ingang van 21 januari 2025, tot de dag van volledige betaling, en
- ii) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.034,55, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Vilinq in de proceskosten van € 3.313,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt Vilinq tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van Vilinq af,
veroordeelt Vilinq in de proceskosten van € 1.438,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt Vilinq tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als Vilinq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3, 5.6 en 5.7 genoemde beslissingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. van Engelenhoven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. | ||
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
| !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
WE/FB
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 6:119a BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:89 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7:400 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:96 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:119 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:74 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:82 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:83 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:162 BW meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.