Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Gelderland, 30 september 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7363Zaaknummer ARN 24/7134

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
7 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 24/7134
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vpb 2020. D BV is enig aandeelhouder van E BV. E BV huurkoopt in 2014 een onderneming voor €165.000 (€50.000 aanbetaling + 36 maandelijkse termijnen van €3.490,25). De huurkoopovereenkomst bevat een eigendomsvoorbehoud en de dga van D BV heeft zich borg gesteld. D BV financiert de huurkoop voor E BV via rc-verhouding. In februari 2020 verkoopt D BV de aandelen in E BV. In haar aangifte Vpb 2020 verwerkt D BV een boekverlies van €152.546 vanwege afwaardering van de rc-vordering op E BV. De inspecteur accepteert dit boekverlies niet en wijkt bij het opleggen van de aanslag Vpb af van de aangifte. De rechtbank is van oordeel dat D BV de rc-vordering niet kon afwaarderen ten laste van de winst. In geval de dga van D BV zich ook borg heeft gesteld voor de rc-vordering heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een reëel risico bestaat dat de vordering niet zou worden terugbetaald. In geval de dga van D BV zich niet borg heeft gesteld, is sprake van een onzakelijke lening.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.

Uitgesproken op 30 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [bedrijf 1] , uit [plaats] , belanghebbende
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Feiten
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/7134

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 september 2026

in de zaak tussen

[bedrijf 1] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2020. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag. De rechtbank beoordeelt of de aanslag niet te hoog is vastgesteld.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 219.115.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 5.721 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 september 2024 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3].

Feiten

1. De heer [naam] ( [naam]) is tussen 19 december 2007 en 5 juli 2022 enig aandeelhouder van belanghebbende.

2. [naam] is tussen 20 januari 2004 en 5 juli 2022 ook enig aandeelhouder van (de rechtsvoorganger van) [D BV] (D BV).

3. Op 12 december 2014 is [bedrijf 2] ( [bedrijf 2]) opgericht. D BV (en daarvoor diens rechtsvoorganger) is tussen 12 december 2014 en 7 februari 2020 enig aandeelhouder van [bedrijf 2].

4. In 2014 heeft [bedrijf 2] een huurkoopovereenkomst gesloten met HEMA Uithof B.V. (Hema). [bedrijf 2] heeft daarbij per 1 januari 2015 in huurkoop verkregen de onderneming van Hema, de bouwkundige voorzieningen en de inventaris. De koopsom bedraagt € 165.000 exclusief omzetbelasting en moet worden voldaan in twee delen: een aanbetaling van € 50.000 te voldoen voor 31 december 2014 en € 115.000 te voldoen in 36 maandelijkse termijnen van € 3.490,25 (inclusief 3% rente op jaarbasis) waarvan de eerste termijn vervalt op 1 februari 2015.

5. In de huurkoopovereenkomst is het voorbehoud opgenomen dat zolang [bedrijf 2] niet heeft voldaan aan al haar verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst, Hema eigenaar blijft van alle overgedragen onderdelen.

6. [naam] heeft zich in de huurkoopovereenkomst borg gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van [bedrijf 2].

7. Belanghebbende heeft € 50.000 aan [bedrijf 2] geleend om de aanbetaling aan Hema te kunnen doen. Ook de 36 maandelijkse termijnen zijn door belanghebbende gefinancierd. De financiering vond plaats in de vorm van een rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en [bedrijf 2].

8. Belanghebbende heeft in haar aangifte een belastbare winst aangegeven van € 66.569. Onderdeel hiervan is een boekverlies van € 152.546 vanwege de afwaardering van de rekening-courantvordering op [bedrijf 2].

9. Bij het vaststellen van de aanslag Vpb is de inspecteur afgeweken van de aangifte en heeft het in aftrek gebrachte boekverlies gecorrigeerd.

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Vpb niet te hoog is vastgesteld. Meer in het bijzonder beoordeelt de rechtbank of de inspecteur ten onrechte het boekverlies niet in aftrek heeft geaccepteerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Heeft de inspecteur ten onrechte het boekverlies gecorrigeerd?

12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte het boekverlies heeft gecorrigeerd. Volgens belanghebbende is sprake van een rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en [bedrijf 2] waarbij belanghebbende zowel de aanbetaling als de maandelijkse termijnen van de huurkoop heeft gefinancierd. Die geldlening is bovendien zakelijk, omdat deze zou zijn verstrekt onder dezelfde voorwaarden als Hema dat heeft gedaan met dien verstande dat een rente van 4% werd gehanteerd in plaats van de 3% die Hema rekende. Als gevolg van COVID-19, gemeentelijke maatregelen en ziekte van de ondernemer ontstond vanaf 2019 onzekerheid over voortzetting van de onderneming van [bedrijf 2] en de verhaalbaarheid van de rekening-courantvordering. De vordering mocht toen dus worden afgewaardeerd.

13. De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat de financiering niet kan worden aangemerkt als een civielrechtelijke lening, omdat geen sprake is van een aflossingsverplichting. Als dat wel het geval is, dan stelt de inspecteur subsidiair dat niet aannemelijk is gemaakt dat de vordering kan worden afgewaardeerd. Meer subsidiair is de inspecteur van mening dat de geldlening onzakelijk is, omdat een onafhankelijke derde niet onbeperkt een onderneming zou financieren zonder voorwaarden of zekerheden vast te leggen.

14. De rechtbank zal vanuit proceseconomische overwegingen in het midden laten of de financiering civielrechtelijk kan worden aangemerkt als een geldlening. Immers, ook als ervan uit wordt gegaan dat de financiering civielrechtelijk kwalificeert als een geldlening, kan deze niet worden afgewaardeerd ten laste van de winst. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

15. Belanghebbende heeft gesteld dat de geldlening onder dezelfde voorwaarden is aangegaan als die zijn vastgelegd in de huurkoopovereenkomst met Hema. In die huurkoopovereenkomst is opgenomen dat [naam] borg staat voor de schuld van [bedrijf 2]. In dat geval had belanghebbende [naam] kunnen aanspreken tot voldoening van de rekening-courantvordering. Uit geen enkel stuk blijkt dat belanghebbende [naam] heeft aangesproken. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat een reëel risico bestaat dat de vordering niet of voor een deel niet zal worden terugbetaald. De vordering kan op grond van goed koopmansgebruik dus niet worden afgewaardeerd.

16. In het geval [naam] zich toch geen borg heeft gesteld, dan is de rechtbank van oordeel dat de geldlening onzakelijk is. Hema heeft namelijk, in de situatie van huurkoop waarbij Hema eigenaar bleef van de overgedragen goederen zolang [bedrijf 2] niet aan al haar verplichtingen had voldaan, een borgstelling bedongen. [bedrijf 2] heeft echter tegenover belanghebbende geen enkele vorm van zekerheid verstrekt, terwijl belanghebbende de gehele overname van de onderneming en de exploitatietekorten heeft gefinancierd. Het gehele ondernemingsrisico ligt daardoor in feite bij belanghebbende en niet bij [bedrijf 2]. De rechtbank acht aannemelijk dat een derde de geldlening onder deze voorwaarden niet of alleen tegen een winstdelende rente zou hebben verstrekt.[_d6216062-f5b6-4f64-986f-32391571aa60]

17. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht het boekverlies heeft gecorrigeerd.

Belastingrentebeschikking

18. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.

Uitgesproken op 30 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffierrechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

  1. Hoge Raad 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2340.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.