Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Gelderland, 25 september 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:7361Zaaknummer K/5001/12300796

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
9 oktober 2026
Zaaknummer
K/5001/12300796
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiswijziging tijdens mondelinge behandeling niet toegestaan, wegens strijd met de goede procesorde. Voor de overige vorderingen is geen sprake van een spoedeisend belang.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

48073 53854

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De vordering en het verweer
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: 12300796 \ VV EXPL 26-93

Vonnis in kort geding van 25 september 2026

in de zaak van

[eiser],

handelend onder de eenmanszaak [bedrijf],

gevestigd te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. E. van den Dungen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHEEPSWERF HEEREWAARDEN B.V.,

gevestigd te Heerewaarden,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Scheepswerf,

gemachtigde: mr. B.P.J.M.L. Vliexs.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 augustus 2026 met tien producties;- de producties één tot en met twintig van de zijde van de Scheepswerf.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2026 plaatsgevonden.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen en hun gemachtigden hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van partijen hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat deze zaak twee weken aangehouden zou worden om te onderzoeken of zij onderling tot een oplossing zouden kunnen komen. Bij brief van 11 september 2026 heeft [eiser] verzocht alsnog vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de bedfreesmachine Sora Luce FL 8000, serienummer [x], bouwjaar 2008 (hierna: de machine).

2.2.

Vanaf september 2023 verhuurt [eiser] de machine aan de Scheepswerf.

2.3.

Bij brief van 29 april 2026 heeft [eiser] de huurovereenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, heeft hij de Scheepswerf gesommeerd de huurachterstand van € 25.000,00 exclusief btw te voldoen en aangekondigd dat hij de machine na beëindiging van de huurovereenkomst op laat halen.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A.

primair

de Scheepswerf te bevelen om de machine, te weten de bedfreesmachine Sora Luce FL 8000, serienummer [x], bouwjaar 2008, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, in goede staat aan [eiser] af te geven en ter beschikking te stellen, met machtiging aan [eiser] om, indien de Scheepswerf daarmee in gebreke blijft, de afgifte en retourname zelf te doen bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm;

subsidiair

voor zover de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat een nog op de machine

rustend (bodem)beslag van de Ontvanger in de weg staat aan onmiddellijke afgifte van de machine aan [eiser], zoals primair gevorderd, de Scheepswerf te bevelen om, zonder dat daarvoor een nader vonnis is vereist, binnen 48 uur nadat [eiser] aan de Scheepswerf schriftelijk heeft medegedeeld en genoegzaam heeft onderbouwd dat de Ontvanger heeft bevestigd dat het (bodem)beslag niet langer op de machine rust, althans dat de

Ontvanger de reële eigendom van [eiser] op de machine schriftelijk heeft erkend, alsnog volledige medewerking te verlenen aan de afgifte en retourname van de machine overeenkomstig het primair en onder B gevorderde, althans binnen een door kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;

zowel primair als subsidiair

B. de Scheepswerf te bevelen om, mede in het licht van de onder A. gevorderde afgifte van de machine, alle van haar redelijkerwijs te verlangen medewerking te verlenen aan de feitelijke retourname van de machine door [eiser], waaronder in ieder geval wordt verstaan:

- dat de Scheepswerf de machine zodanig aan [eiser] ter beschikking stelt dat [eiser] de machine kan (doen) ophalen en de Scheepswerf zich daartoe bereikbaar en beschikbaar

houdt;

- dat de Scheepswerf aan [eiser] en de door [eiser] ingeschakelde derden toegang

verschaft tot de machine en het terrein waarop en het pand waarin de machine zich bevindt, en ervoor zorgdraagt dat dit terrein en pand bereikbaar en berijdbaar is voor onder meer een vrachtwagen en laadkraan; en

- dat de Scheepswerf de machine voorbereidt op de retourname door [eiser], waaronder in ieder geval is begrepen dat de Scheepswerf ervoor zorgdraagt dat de machine schoon,

compleet en in goede staat is, eventuele schades of gebreken vooraf schriftelijk aan [eiser] meldt, en de machine — voor zover noodzakelijk voor veilig transport — is losgekoppeld van in ieder geval de nutsvoorzieningen en gereedstaat voor afgifte en retourname;

C. de Scheepswerf te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een direct opeisbare dwangsom van € 3,500,00 per overtreding en per dag, dagdeel, of gedeelte daarvan dat

de Scheepswerf geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft te voldoen aan het primair, subsidiair en/of onder B gevorderde, met een maximum van € 300.000,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119a BW, indien de dwangsom(men) niet binnen veertien dagen na iedere datum van verbeuren worden voldaan;

D. de Scheepswerf, zo nodig bij wijze van voorschot, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen de betalingsachterstanden, welke berekend tot en met april 2026 een bedrag van € 25.000,00 bedragen, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex

artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van de betreffende betalingsverplichting tot de dag der algehele voldoening;

E. de Scheepswerf te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te

voldoen een bedrag van € 2.500,00 exclusief btw per maand, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, bij wijze van voorschot

op de gebruiksvergoeding en/of schadevergoeding wegens het na het einde van de

huurovereenkomst onder zich houden van de machine, te rekenen vanaf 1 juni 2026 tot en met de maand waarin de machine daadwerkelijk door [eiser] retour is genomen, althans tot en met de maand waarin [eiser] redelijkerwijs door de Scheepswerf in staat is gesteld de machine retour te (laten) nemen, telkens te voldoen uiterlijk op de eerste dag van de maand waarop de betreffende betaling betrekking heeft, en bij gebreke van tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 BW vanaf de vervaldatum van de betreffende termijn tot de dag der algehele voldoening;

F. de Scheepswerf te bevelen om zich met onmiddellijke ingang, tot het moment van retourname van de machine door [eiser], ten aanzien van de machine voor eigen rekening en risico als zorgvuldig houder te gedragen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat de Scheepswerf de machine niet mag verplaatsen, bezwaren, vervreemden of aan derden in gebruik geven zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser], en zich te onthouden van ieder handelen of nalaten waardoor schade aan de machine kan ontstaan, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 3.500,00 per overtreding en per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 300.000,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, indien de dwangsom(men) niet binnen veertien dagen na iedere datum van verbeuren worden voldaan;

G. de Scheepswerf te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan [eiser] de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.025,00, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, evenals de geliquideerde kosten, waaronder het salaris gemachtigde, het griffierecht en de na te melden explootkosten, te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW daarover, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.

3.2.

De Scheepswerf heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van hem in de proceskosten.

3.3.

Op hetgeen [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, alsmede het verweer dat de Scheepswerf hiertegen gevoerd heeft, wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Wijziging van eis

4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn eis gewijzigd.

Deze gewijzigde eis is opgenomen in de spreekaantekeningen van zijn gemachtigde.

Als toelichting hierop heeft [eiser] aangegeven dat hij zijn vorderingen heeft verduidelijkt en verbeterd. Daarnaast heeft [eiser], zowel primair als subsidiair, een vordering toegevoegd, – kort gezegd – inhoudende dat het de Scheepswerf verboden wordt de machine te blijven gebruiken, zolang deze zich nog niet in de feitelijke macht van [eiser] bevindt.

De Scheepswerf heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij voert – kort gezegd – aan dat de eiswijziging eerder gedaan had kunnen worden en erg ingrijpend van aard is, omdat toewijzing van deze vordering ertoe leidt dat haar bedrijfsvoering stil gelegd wordt.

4.2.

In artikel 10.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken is bepaald dat een partij die een eis wenst te veranderen of vermeerderen, de inhoud van deze verandering of vermeerdering zo spoedig mogelijk en bij voorkeur vóór de mondelinge behandeling schriftelijk meedeelt aan de wederpartij, aan de eventuele overige partijen en aan de kortgedingrechter. De eisverandering of eisvermeerdering wordt op schrift gesteld en op de mondelinge behandeling ingediend.

4.3.

Alhoewel de eiswijziging van [eiser] aan de voornoemde vereisten voldoet, heeft de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling toch beslist dat deze grotendeels niet wordt toegestaan. De reden hiervoor is dat het grootste deel van de eiswijziging in strijd is met de goede procesorde. Hiermee doelt de kantonrechter op de nieuwe vorderingen 2 en 3 onder het primair en subsidiair gevorderde die in de akte eiswijziging staan en de daarmee in direct verband staande wijzigingen.

Het bestek van de mondelinge behandeling was namelijk te beperkt voor de Scheepswerf om zich goed te kunnen verweren tegen deze nieuwe vorderingen. Hiervoor zou de mondelinge behandeling onderbroken moeten worden en dit stond de kantonrechter niet toe.

Daarnaast had [eiser] zijn eiswijziging eerder in kunnen en moeten dienen, omdat de Scheepswerf – onweersproken – heeft verklaard dat op 27 augustus 2026 tegen het einde van de ochtend duidelijk was dat partijen onderling niet tot een oplossing zouden komen. [eiser] had zijn eiswijziging vervolgens ook hierna of op de ochtend voor de mondelinge behandeling in kunnen dienen. Overige eiswijzigingen hadden vooral betrekking op ondergeschikte punten en die zijn wel toegestaan en aangepast in hetgeen hiervoor onder

rechtsoverweging 3.1. is opgenomen.

Spoedeisend belang

4.4.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening.

Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft.

De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

4.5.

Volgens [eiser] heeft hij een spoedeisend belang en hij voert in dit kader aan dat de Scheepswerf niet aan haar betalingsverplichtingen voldoet. Daarnaast heeft [eiser] er, als eigenaar van de machine, belang bij om zijn eigendom terug te ontvangen, teneinde de machine zelf te kunnen gebruiken, aan derden te verhuren of te vervreemden. Elke dag dat de machine bij de Scheepswerf verblijft, derft [eiser] huurinkomsten en kan hij de machine niet inzetten of verkopen. Ook loopt [eiser] het risico dat de machine in waarde vermindert door intensief gebruik of onvoldoende onderhoud door de Scheepswerf, die geen enkel belang heeft bij de instandhouding van het eigendom van [eiser].

Gelet op de hoogte van de betalingsachterstand, alsmede de opzegging van de huurovereenkomst door [eiser], is het in hoge mate waarschijnlijk dat de bodemrechter de vorderingen van [eiser] toewijst. Van [eiser] kan dan ook niet verwacht worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure met een doorlooptijd van maanden, dan wel jaren afwacht.

4.6.

De Scheepswerf voert aan dat geen sprake is van een spoedeisend belang.

Zij voert aan dat bodembeslag op de machine rust, hetgeen betekent dat de machine – zonder expliciete toestemming van de Belastingdienst wat betreft de opheffing van het bodembeslag – niet van de bodem gehaald mag worden. Gelet hierop kan de vordering tot afgifte van de machine niet worden toegewezen, want dat zou het fiscale bodemvoorrecht doorkruisen.

Verder geldt dat [eiser] de overeenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig heeft opgezegd, nu de opzegging is gedaan door Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V. en niet door [eiser]. Indien [eiser] dit wenst, zal hij de overeenkomst alsnog moeten opzeggen en kan hij pas na de opzegtermijn afgifte van de machine vorderen. De vordering tot afgifte is dan ook prematuur en dient om die reden eveneens afgewezen te worden.

Daarnaast heeft de Scheepswerf de machine een aaneengesloten periode van ruim dertien jaar gebruikt. Aan de zijde van [eiser] ontbreekt dan ook elk belang om na deze periode ineens afgifte van de machine te vorderen.

[eiser] heeft zijn belang ook op geen enkele wijze gesteld of onderbouwd. Er is geen sprake van een (voorgenomen) verkoop aan een derde partij of dringend eigen gebruik.

De vordering tot afgifte kan enkel gezien worden als schade willen berokkenen aan de Scheepswerf.

Wat ook meeweegt, is dat de Scheepswerf in oktober 2025 voor een bedrag van € 94.406,00 exclusief btw aan investeringen aan de machine heeft gedaan en, eveneens in 2025, kosten aan de machine heeft gehad. De machine is dan ook in waarde gestegen en door de machine nu, nog geen jaar daarna, per direct op te eisen, is sprake van misbruik van bevoegdheid.

Ook is de Scheepswerf voor haar bedrijfsvoering in (zeer) grote mate afhankelijk van de machine, hetgeen [eiser] weet. De Scheepswerf heeft contracten met derden gesloten die zij niet na zal kunnen komen, indien zij de machine moet missen. Daardoor lijden de opdrachtgevers van de Scheepswerf ook schade. Verder is het zoeken naar passende vervanging voor de machine lastig, omdat deze, zeker met de aangebrachte veranderingen, erg specifiek is.

Tot slot is van belang dat een financieringsconstructie bestaat waarbij, onder andere, partijen zijn betrokken en waaronder de machine valt. Over de financieringsconstructie loopt een procedure bij het gerechtshof waarin op 27 oktober 2026 een mondelinge behandeling plaatsvindt. Het ligt in de rede dat daarna binnen enkele maanden arrest zal worden gewezen. Door de machine nu op te eisen en onmiddellijk uit de overeengekomen financieringsconstructie te halen, is sprake van misbruik van recht.

De constructiebeoordeling is onder het gerechtshof en niet valt in te zien waarom [eiser] het oordeel hiervan niet af kan wachten. Toewijzing van de gevorderde afgifte zal dan ook leiden tot onherstelbare schade.

4.7.

Ten aanzien van de vraag of [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft, overweegt de kantonrechter als volgt.

4.8.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Scheepswerf verklaard dat zij die ochtend de achterstallige huur voor de machine tot en met 31 augustus 2026 aan [eiser] heeft betaald, hetgeen door [eiser] bevestigd is.

Daarnaast heeft de Scheepswerf verklaard dat zij de toekomstige huurtermijnen ook zal betalen, zolang ze de machine in gebruik heeft. Nu geen sprake meer is van een betalingsachterstand heeft [eiser] op die grondslag geen spoedeisend belang bij afgifte van de machine. Dit geldt temeer nu de Scheepswerf de toezegging heeft gedaan toekomstige huurtermijnen te betalen, zolang zij de machine in gebruik heeft.

4.9.

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat hij de machine niet (opnieuw) wenst te verhuren aan een derde. [eiser] wenst de machine te verkopen en heeft de partij die de nieuwe software op de machine geïnstalleerd heeft opdracht gegeven om een koper te vinden. Op dit moment is er echter (nog) geen koper gevonden. Op deze grondslag heeft [eiser] eveneens geen spoedeisend belang bij afgifte van de machine. Nu [eiser] de machine niet opnieuw wenst te verhuren en (nog) geen koper heeft gevonden, loopt hij immers geen huurinkomsten, dan wel de koopprijs voor de machine mis.

4.10.

[eiser] stelt ook dat hij het risico loopt dat de machine in waarde vermindert door intensief gebruik of onvoldoende onderhoud door de Scheepswerf, die geen enkel belang heeft bij de instandhouding van het eigendom van [eiser]. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de Scheepswerf dit voldoende weersproken door aan te voeren dat zij in oktober 2025 een investering ter waarde van € 94.406,00 exclusief btw in de machine gedaan heeft met waardevermeerdering tot gevolg. Dit is door [eiser] niet betwist.

Daarnaast heeft de Scheepswerf – onweersproken – aangevoerd dat zij ook belang bij instandhouding van de machine heeft, aangezien zij voor haar bedrijfsvoering in (zeer) grote mate afhankelijk is van de machine en deze nodig heeft om de door haar met derden gesloten contracten na te komen. Het door [eiser] gestelde risico op waardevermindering van de machine is dan ook niet aannemelijk en levert geen spoedeisend belang op.

4.11.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog naar voren gebracht dat de machine op dit moment niet verzekerd is, nu de Scheepswerf deze onrechtmatig onder haar houdt. De Scheepswerf betwist dat machine niet verzekerd is en zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, kan de kantonrechter niet vaststellen of de machine op dit moment al dan niet verzekerd is. Dat de machine nu mogelijk niet verzekerd is, levert dan ook geen spoedeisend belang op in het kader van afgifte van de machine.

4.12.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eiser] geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen inzake afgifte van de machine. Als gevolg hiervan komen de door hem onder A, B, C, E en F ingestelde vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking.

Hetzelfde geldt voor de door [eiser] onder D ingestelde vordering inzake betaling van de huurachterstand. Tussen partijen staat immers vast dat geen sprake meer is van een huurachterstand, zodat [eiser] ook geen spoedeisend belang bij deze vordering heeft.

Nu de voornoemde vorderingen geen spoedeisend belang hebben, treft de door [eiser] onder G ingestelde vordering inzake betaling van, onder andere, buitengerechtelijke kosten hetzelfde lot. Ook deze kosten komen dus niet voor toewijzing in aanmerking.

Proceskosten

4.13.

[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Scheepswerf worden begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. In totaal wordt aan proceskosten een bedrag van € 1.009,00 toegewezen, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

48073 53854

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.