Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Gelderland, 29 juli 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:6142Zaaknummer ARN 26/1823

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 26/1823
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom vanwege het storten van 670.000 ton LD-staalslakken. Verzoek rechtstreeks beroep (artikel 7:1a Awb). De rechtbank stuurt de zaak met toepassing van artikel 8:54a Awb terug naar het college om de bezwaarprocedure te doorlopen.

De rechtbank

  • bepaalt dat het college het beroepschrift van 23 maart 2026 als bezwaarschrift behandelt;
  • draagt het college op het griffierecht van € 397,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. ESG Ventures Beheer B.V., uit Nijkerk, eiseres
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/1823

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

ESG Ventures Beheer B.V., uit Nijkerk, eiseres

(gemachtigde: mr. B. van Nieuwaal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe (het college)

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).

Procesverloop

1. Bij besluit van 24 december 2025 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 19.1 en 19.4, eerste lid, van de Omgevingswet, artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving en artikelen 22.20 en 22.44 van het Omgevingsplan West Betuwe vanwege het storten van 670.000 ton staalslakken op vier percelen. Als niet vóór 2 januari 2027 aan de last wordt voldaan verbeurt eiseres een dwangsom van € 500.000.

2. In het aanvullende bezwaarschrift van 23 maart 2026 heeft eiseres het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft in haar bezwaarschrift aangegeven dat de kwestie veel overeenkomsten vertoont met de reeds aanhangige beroepsprocedures met lasten onder dwangsom die aan andere partijen zijn opgelegd voor dezelfde overtreding en dat het besluit al is voorafgegaan door een andere bezwaarschriftenprocedure waarin eiseres is verschenen. Tegen de daarop gevolgde beslissing op bezwaar is een beroepsprocedure aanhangig.

3. Op 8 april 2026 heeft het college dit verzoek toegewezen en het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als een beroepschrift.

4. Op 30 juni 2026 heeft het college de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

5. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 8:54a van de Awb en daarom is de mondelinge behandeling van het beroep achterwege gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader

6. Artikel 7:1a van de Awb luidt als volgt:

“1 In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.

(…)

3 Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.

Artikel 8:54a van de Awb luidt als volgt:

1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.

2 In dat geval strekt de uitspraak ertoe dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt. Artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing.”

Oordeel rechtbank

7. De rechtbank is van oordeel dat het college kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep en verwijst de zaak daarom terug naar het college.

Motivering oordeel

8. Het doel van artikel 7:1a van de Awb is om bestuursrechtelijke geschilbeslechting waar mogelijk te vereenvoudigen en te verkorten. Het bieden van de mogelijkheid van het overslaan van de bezwaarschriftprocedure is, zo blijkt uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel, vooral bedoeld voor gevallen waarin in de primaire fase reeds een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen bestuur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarschriftprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is (Kamerstukken II, 2000-2001, 27563, nr. 3, blz. 3).

Naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de Minister van Justitie bij brief van 7 mei 2004 (Kamerstukken I, 2003-2004, 27563, F, blz. 1) benadrukt dat in de visie van de regering rechtstreeks beroep uitzondering moet blijven en dat de bezwaarschriftprocedure slechts in heel bijzondere gevallen, waarin deze als een zinloze vertraging van de geschilbeslechting moet worden beschouwd, achterwege behoort te kunnen blijven. De Minister voegde daaraan toe dat het voor de hand ligt dat de belanghebbende die in zijn bezwaarschrift verzoekt de bezwaarschriftprocedure over te slaan, aangeeft waarom het gaat om een uitzonderlijk geval. In ieder geval zal het bestuursorgaan, wil het met het verzoek instemmen, ook zijnerzijds moeten vaststellen dat een dergelijk geval aanwezig is.[_8ba25705-eacc-4a2d-9f54-40d3408677c8]

9. Het college heeft in haar reactie op het verzoek van eiseres het volgende aangegeven over de toepassing van 7:1a Awb:

“(…). Als college snappen wij de keuze om de bezwaarfase over te slaan aangezien identieke dwangsombesluiten over dezelfde overtreding zijn opgelegd aan andere B.V.’s. Dit is zogezegd dus een nakomertje die in tegenstelling tot de andere B.V. niet meegenomen kon worden in de besluiten op bezwaar maar als nieuw primair besluit is aangeschreven. Enige verschil is dat deze last onder dwangsom is opgelegd onder nieuw recht. Dat maakt dat de andere dwangsombesluiten (die in besluiten op bezwaar in stand zijn gelaten), door uw rechtbank zijn doorgestuurd naar de Raad van State als bevoegde rechtsprekende instantie. Wat het college betreft behandelt de rechtbank deze last onder dwangsom nu een bezwaarprocedure puur een herhaling van de reeds heldere en ingenomen standpunten over de kwestie zou betekenen. (…).”

10. De rechtbank stelt vast dat het geschil betrekking heeft op de aanleg van een geluidwal waarin LD-staalslakken zijn gebruikt. Eerder zijn aan andere rechtspersonen al dwangsommen opgelegd voor dezelfde overtreding, maar dan op grond van artikel 13 van de Wet bodembescherming, artikel 1.1a, van de Wet milieubeheer, artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet en 7:21 en 7:22 van het Bouwbesluit 2012 en artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet. De beroepen tegen deze besluiten zijn door de rechtbank doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), omdat die lasten mede gebaseerd waren op overtreding van de zorgplicht uit artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, en de Afdeling op grond van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd is om beroepen tegen de dwangsommen die (mede) gebaseerd zijn op de Wet milieubeheer te behandelen. Op de voorliggende zaak is het recht van ná 1 januari 2024 van toepassing en is sprake van beroep in twee instanties.

11. In het uitgebreide bezwaarschrift van 21 pagina’s worden veel gronden aangevoerd, waarvan een deel niet in de eerdere zaken aan bod lijkt te zijn gekomen. Dit gaat bijvoorbeeld om de gronden die zien op de overtreding van de artikelen uit de Omgevingswet en het Bal, die eerder niet van toepassing waren en (anders dan artikel 22.20 en 22.44 van het Omgevingsplan) ook niet 1 op 1 zijn overgenomen uit eerdere wetgeving en de beroepsgronden die zien op het overtrederschap van ESG Ventures Beheer B.V. Daarnaast worden in het beroepschrift omstandigheden benoemd die dateren van ná de eerdere handhavingszaken, zoals de op 21 juli 2025 door de staatssecretaris aangekondigde Noodregeling over staalslakken en die daarin dus niet aan bod zijn gekomen.

Gelet op deze omstandigheden lijkt het de rechtbank doelmatig om de bezwaarprocedure te doorlopen. In de bezwaarfase kan bovendien verkend worden of partijen er onderling uit kunnen komen.

12. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van een zodanig bijzonder geval dat de bezwaarschriftenprocedure kan worden overgeslagen. Omdat het college kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep, zal de rechtbank gebruik maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 8:54a van de Awb om in de fase van het vooronderzoek het onderzoek te sluiten.

De rechtbank zal het beroepschrift ter verdere behandeling als bezwaarschrift terugzenden aan het college.

13. De rechtbank ziet aanleiding om te gelasten dat het griffierecht aan eiseres wordt vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding omdat niet is gebleken van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiseres.

Beslissing

De rechtbank

  • bepaalt dat het college het beroepschrift van 23 maart 2026 als bezwaarschrift behandelt;
  • draagt het college op het griffierecht van € 397,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open

Voetnoten

  1. Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 22 december 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BK7280).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.