Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Gelderland, 3 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5772Zaaknummer 05-092887-25
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 3 april 2026
- Publicatiedatum
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- 05-092887-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 99,95 gram cocaïne (artikel 2 onder C van de Opiumwet) tot een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 150 uur.
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 28 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
o de Samsung-telefoon met goednummer PL0600-2024580348-G3356376 en
o het bedrag van € 1.445,- met goednummer PL0600-2024580348-G3356182.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- 1 De inhoud van de tenlastelegging
- 3 De bewezenverklaring
- 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
- 5 De strafbaarheid van het feit
- 6 De strafbaarheid van de verdachte
- 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
- 8 De beoordeling van het beslag
- 9 De toegepaste wettelijke bepalingen
- 10 De beslissing
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/092887-25
Datum uitspraak: 3 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres] in [woonplaats].
Raadsman: mr. E.J.M.J. Damen, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 december 2024 tot en met 17 december 2024 te Nijmegen, in/vanuit een woning gelegen op/aan [adres], althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of
vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, dealer- en/of gebruikers-hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 149,26 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (een) voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld (1445,- euro) heeft verworven, voorhanden gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of
gebruik van heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [_4b44b5a7-ea20-40c0-b0b8-b0d826d3a823]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat ten aanzien van feit 2 niet kan worden bewezen dat verdachte beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die in de vriezer zijn aangetroffen. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 3 komt de officier van justitie, gelet op het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van feit 1, tot de conclusie dat hiervoor ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.
Als de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet kan bewijzen dat er vanuit de woning is gedeald, is de tenlastelegging voldoende afgebakend om in ieder geval bewezen te kunnen verklaren dat verdachte in Nijmegen, althans in Nederland, drugs heeft gedeald in de tenlastegelegde periode.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een pleitnota overgelegd en overeenkomstig gepleit, inhoudende dat hij ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit, omdat verdachte stellig heeft ontkend en het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs omvat dat verdachte – kort gezegd – drugs heeft gedeald. Ten aanzien van het onderzoek aan de telefoon van verdachte heeft de raadsman betoogd dat de resultaten uit dat onderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, gelet op de Landeck-jurisprudentie. Als de rechtbank vindt dat de bevindingen uit die telefoon wel voor het bewijs kunnen worden gebruikt, doet de raadsman het voorwaardelijke verzoek om de vermeende afnemers alsnog als getuige te mogen horen.
Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte bekend. De raadsman heeft over dit feit aangevoerd dat verdachte geen beschikkingsmacht had over de drugs die in de vriezer zijn gevonden. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van feit 3 vrijspraak bepleit, omdat het aangetroffen geld niet van verdachte is en hij daar ook niet over kon beschikken.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Medeverdachte Verstappen woont aan [adres] in Nijmegen. Volgens zijn buurvrouw was het bij zijn woning een komen en gaan van mensen. Uit onderzoek van de politie blijkt dat meerdere van die mensen zich op één of andere manier bezig houden of hebben gehouden met verdovende middelen.
Op een aantal van de onderzochte telefoons zijn gesprekken aangetroffen die verband houden met verdovende middelen. Maar daarin werden bijvoorbeeld geen afspraken gemaakt voor het dealen van verdovende middelen. Er is geen buurtonderzoek verricht. De politie heeft ook geen (vermoedelijke) afnemers gehoord als getuige.
Ook als de gesprekken uit de telefoon van verdachte voor het bewijs zouden worden gebruikt, dan is dat bij verder gebrek aan bewijs, zoals hierboven omschreven, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat het verdachte is geweest die zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het dealen uit de woning aan [adres] in Nijmegen.
Volgens de officier van justitie kan in de tenlastelegging als pleegplaats worden gelezen ‘in Nijmegen, althans in Nederland’. Los van het feit dat het procesdossier voor het dealen te weinig bewijs bevat, is de rechtbank van oordeel dat dit neerkomt op het denatureren van de tenlastelegging. Het was immers de bedoeling om duidelijk te maken dat er drugs werd gedeald vanuit de woning van medeverdachte Verstappen.
Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde.
Gelet hierop behoeft het door de verdediging ingediende voorwaardelijk verzoek tot het horen van (vermeende) afnemers als getuigen geen bespreking meer.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 33-35;
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 114-124;
- de NFI-rapporten, p. 126-127 en 130-134;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2025.
De rechtbank is het met de officier van justitie en de raadsman eens dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte wetenschap van en dus de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die in de diepvries zijn aangetroffen. In zoverre zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem onder feit 2 tenlastegelegde. Dat betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte met één of meer anderen in totaal 99,95 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 3
Voor een veroordeling voor witwassen moet de rechtbank een onderliggend gronddelict kunnen vaststellen. Dat kan in dit geval niet, want uit het procesdossier blijkt niet dat verdachte betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Hoewel het aangetroffen geld overduidelijk geen legale herkomst heeft, bevat het procesdossier geen bewijs dat verdachte enige handeling heeft verricht die kan leiden tot een veroordeling voor witwassen.
Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 99,95 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5 De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij gaat de officier van justitie uit van een veroordeling voor de onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie te hoog is. Daarbij heeft de raadsman aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft bijna honderd gram cocaïne aanwezig gehad. Het bezit van harddrugs is slecht voor de volksgezondheid. Niet alleen omdat het gebruik van drugs niet goed is voor de gezondheid en leidt tot verslavingen, maar ook omdat de productie van en handel in drugs vaak onderdeel is van de georganiseerde criminaliteit en gepaard gaat met allerlei andere strafbare feiten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van deze vorm van criminaliteit.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft in verband met deze verdenking twee dagen vast gezeten.
Uit het strafblad van verdachte d.d. 10 februari 2026 blijkt dat hij op 14 mei 2024 is veroordeeld wegens het overtreden van artikel 2 onder C van de Opiumwet. Kennelijk heeft verdachte hier weinig van geleerd, want hij wordt nu opnieuw veroordeeld voor een soortgelijk feit. Verdachte heeft de taakstraf die hem toen is opgelegd volledig voldaan. Dat betekent dat het taakstrafverbod van toepassing is. Tot slot is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing, gelet op de strafbeschikking die hem op 26 maart 2025 is opgelegd en de veroordeling door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 november 2025.
Reclassering Nederland heeft op 20 oktober 2025 een advies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering is sprake van een delictpatroon op het gebied van drugsdelicten. De reclassering constateert dat verdachte geen problemen ervaart op de verschillende leefgebieden. Niet alles loopt naar behoren, maar daar werkt verdachte aan. Hij heeft huisvesting en staat onder bewind. Hij heeft goed contact met zijn ex-partners en zijn kinderen. Verdachte heeft geen hulpvraag op het gebied van middelengebruik. De reclassering schat de risico’s op recidive en letsel in als gemiddeld en schat het risico op onttrekken aan voorwaarden in als laag. De reclassering ziet al met al geen reden om met verdachte aan de slag te gaan. Daarom adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden, mocht het tot een veroordeling komen.
Conclusie
Verdachte is eerder veroordeeld voor Opiumwet-feiten. Volgens de reclassering is sprake van een delictpatroon. Daarom vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte een stok achter de deur krijgt om hem er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw bezig te houden met drugs. Daarom legt de rechtbank hem een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek op, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarbij is aangesloten bij de LOVS-oriëntatiepunten.
Dit is een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank maar één feit bewezen heeft verklaard.
8 De beoordeling van het beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon van verdachte en het aangetroffen geld verbeurd moeten worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat het geld niet van verdachte is, zodat hij zich onthoudt van een standpunt omtrent het inbeslaggenomen geldbedrag.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de Samsung-telefoon met goednummer PL0600-2024580348-G3356376, met behulp waarvan feit 2 is begaan of voorbereid, verbeurd verklaren.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank overweegt verder dat het geld niet aan verdachte toebehoort en dat niet kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort. Daarom zal worden overgegaan tot verbeurdverklaring.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.
10 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 28 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
o de Samsung-telefoon met goednummer PL0600-2024580348-G3356376 en
o het bedrag van € 1.445,- met goednummer PL0600-2024580348-G3356182.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. J.L. Wesstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.