Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Gelderland, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:4942Zaaknummer AWB-26_2909
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 24 juni 2026
- Zaaknummer
- AWB-26_2909
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening, geen materiële connexiteit, kennelijk niet-ontvankelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2909
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van 2 februari 2026, waarin het bezwaarschrift van verzoekers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond is verklaard en het bezwaarschrift tegen de sloopmelding niet-ontvankelijk is verklaard. Verzoekers hebben beroep ingesteld en verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij besluit van 26 september 2025 heeft het college besloten een maatwerkvoorschrift op te stellen aan [bedrijf] B.V. waarbij het opslaan van licht stuifgevoelige goederen in een gesloten ruimte niet is vereist. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Op 16 oktober 2025 heeft het college een sloopmelding voor het slopen van een woonhuis en werkplaats op het perceel [adres] in [plaats] geaccepteerd. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 2 februari 2026 heeft het college het bezwaarschrift van verzoekers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond verklaard en het bezwaarschrift tegen de sloopmelding niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld (ARN 26/1369). Daarnaast verzoeken zij om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, omdat er shovelwerkzaamheden op voormeld perceel plaatsvinden, waarbij grond wordt verplaatst, bestrating wordt verwijderd, het terrein vlak wordt geschoven en houtopstanden worden vernield. Door de werkzaamheden worden asbestvezels verspreid en bomen onherstelbaar beschadigd.
Uit artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat tegen het besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Ook moet wat verzoekers met hun verzoek willen bereiken betrekking hebben op de inhoud van het besluit (materiële connexiteit).
De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de vereisten van formele connexiteit, omdat verzoekers beroep hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van
2 februari 2026.
Ten aanzien van de materiële connexiteit overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het niet-ontvankelijk verklaren van hun bezwaar tegen de sloopmelding. De sloopmelding heeft geen betrekking op de werkzaamheden waarvoor zij een voorlopige voorziening vragen. Immers, de sloopmelding ziet niet op de werkzaamheden aan het terrein zoals omschreven onder 2.3. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt daarom de materiële connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en het ingestelde beroep tegen het besluit van 2 februari 2026.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [persoon A] de voorzieningenrechter heeft geïnformeerd dat de werkzaamheden op voormeld perceel zijn afgerond en dat er voorlopig geen nieuwe werkzaamheden staan gepland.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskosten-veroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.