Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Gelderland, 20 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3099Zaaknummer 26/1390, 26/1393, 26/1397, 26/1400 en 26/1404
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 20 april 2026
- Publicatiedatum
- 23 april 2026
- Zaaknummer
- 26/1390, 26/1393, 26/1397, 26/1400 en 26/1404
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening, kennelijk ongegrond. Spoedeisend belang niet onderbouwd.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd
te tekenen
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/1390, 26/1393, 26/1397, 26/1400 en 26/1404
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaken tussen
[verzoekster] B.V., uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk ongegrond zijn.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Procesverloop
Verzoekster exploiteert een verhuurbedrijf en heeft vijf scooters aangeschaft die zij wil verhuren. Zij heeft daarom op 27 mei 2025 vijf aanvragen voor afgifte van een kentekenbewijs voor deze vijf scooters ingediend. Het RDW heeft deze aanvragen bij afzonderlijke besluiten van 28 juli 2025 buiten behandeling gesteld omdat de aanvragen niet volledig waren. Met de bestreden besluiten van 16 maart 2026 heeft het RDW de bezwaren van eiseres tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen deze bestreden besluiten beroep ingesteld.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening?
2. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.[_cc97567e-58b7-494e-ab0c-703650b56eea] Bij een zaak met een financieel belang, zoals hier aan de orde, is dat niet snel het geval. Indien een besluit in de bodemprocedure onrechtmatig wordt geacht en wordt vernietigd kan namelijk onder omstandigheden aanspraak worden gemaakt op een vergoeding van de schade die daardoor is ontstaan, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. De financiële gevolgen kunnen dus ook achteraf nog worden gerepareerd. Een voorlopige voorziening is daarvoor niet nodig. Dit is anders als er een onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld een faillissement of een acute financiële noodsituatie.
Verzoekster heeft in haar verzoekschriften aangegeven dat de besluiten
ingrijpende gevolgen hebben. Bij e-mail van 20 maart 2026 heeft de griffier verzoekster gevraagd om toe te lichten wat maakt dat zij de behandeling van de beroepen niet af kan wachten.
Verzoekster heeft een aantal belangen naar voren gebracht, die volgens haar dusdanig spoedeisend zijn dat zij de behandeling van de beroepen niet langer kan afwachten. Deze belangen zijn met name financieel van aard. Verzoekster stelt schade te lijden nu zij de scooters niet kan verhuren en dat de scooters (technisch) verouderen waardoor de onderhoudskosten zullen toenemen. Verzoekster heeft echter niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat het niet verhuren van de scooters op korte termijn leidt tot onomkeerbare gevolgen zoals bijvoorbeeld een faillissement. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt daarom op dit moment het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Zijn de besluiten evident onrechtmatig?
3. Bij het ontbreken van spoedeisend belang zoals hiervoor bedoeld, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het bestuursorgaan ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat de beroepen zich richten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren. Een inhoudelijke oordeel over de vraag of de gevraagde kentekenbewijzen moeten worden verstrekt zal in beroep niet worden gegeven. Dit betekent dat ook de voorzieningenrechter dit niet bij zijn beoordeling betrekt.
Conclusie en gevolgen
4. Nu een spoedeisend belang ontbreekt, zijn de verzoeken kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd
te tekenen
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.