Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Gelderland, 15 juli 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:9893Zaaknummer C/05/435005 / FZ RK 24/1024
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 15 juli 2024
- Publicatiedatum
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- C/05/435005 / FZ RK 24/1024
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking van de rechtbank over schadevergoeding op grond van artikel 44 Wet zorg en dwang. Verzoek afgewezen.
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
| Deze beschikking is gegeven op 15 juli 2024 door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van H.A.P. Oppewal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2024. |
| Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats: Zutphen
Zaakgegevens: C/05/435005 / FZ RK 24/1024
Datum uitspraak: 15 juli 2024
Beschikking van de rechtbank over schadevergoeding op grond van artikel 44 Wet zorg en dwang
naar aanleiding van het ingediende verzoekschrift van:
[naam vezoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende aan de [woonadres] [woonplaats],
verblijfadres: Sensire, [accomodatie-adres],
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. S.A.H. Kool te Doetinchem.
ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door:
Stichting Sensire,
accommodatie [locatienaam],
locatie [accomodatie-adres],
hierna te noemen: de zorgaanbieder/verweerder.
1 Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 22 april 2024;
- het verweerschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2024;
Daarna heeft mr. Kool om uitstel gevraagd en gekregen om op het verweerschrift te reageren, maar zij heeft geen reactie meer ingediend.
2 Feiten
Verzoeker is opgenomen en verblijft sinds 18 maart 2024 in de accommodatie van de zorgaanbieder Stichting Sensire, afdeling [afdelingnaam].
Op 15 maart 2024 is door een consulent Wonen Welzijn en Zorg van zorginstelling Careaz bij het CIZ een verzoek tot afgifte van een artikel 21 Wet zorg en dwang (hierna: Wzd) – geen bereidheid, maar ook geen verzet – gevraagd. Op 19 maart 2024 heeft een vertegenwoordiger van het CIZ tijdens een huisbezoek met verzoeker gesproken en onderzocht of opname en verblijf in een WZD-accommodatie op grond van artikel 21 Wzd aan de orde was. Dit was volgens het CIZ het geval omdat er geen sprake was van bereidheid tot opname maar verzoeker zich ook niet verzette. Per brief van 19 maart 2024 is een besluit tot opname voor de duur van vijf jaar afgegeven.
Op 27 maart 2024 is verzoeker ten behoeve van de aanvraag voor de rechterlijke machtiging door een onafhankelijke arts beoordeeld. Op 28 maart 2024 is de aanvraag voor een rechterlijke machtiging voor verzoeker door de zorgaanbieder verstuurd naar het CIZ. Het CIZ heeft op 3 april 2024 de aanvraag voor de rechterlijke machtiging ingediend bij de rechtbank Gelderland op grond van artikel 26 Wzd.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 april 2024 is ten aanzien van verzoeker een rechterlijke machtiging verleend, tot en met uiterlijk 22 oktober 2024.
3 Het verzoek en verweer
Verzoeker verzoekt om de zorgaanbieder op grond van artikel 44 Wzd te veroordelen tot het betalen van een bedrag aan schadevergoeding ten gunste van verzoeker ter hoogte van €2.700,-, oftewel €150 per dag waarop verzoeker verstoken is geweest van zijn vrijheid, gefrustreerd was en in spanning en onzekerheid heeft verkeerd over zijn juridische status, dan wel een zodanige immateriële schadevergoeding vast te stellen als de rechtbank redelijk en billijk acht een en ander vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 maart 2024 tot en met de dag van betaling.
Ter onderbouwing van het verzoek brengt verzoeker onder meer het volgende naar voren. Verzoeker is op 18 maart 2024 opgenomen in de accommodatie. Verzoeker heeft vanaf het moment van opname verzet getoond. Ondanks de frequente uitingen van verzet is pas op 3 april 2024, dus 18 dagen na de opname, een rechterlijke machtiging voor verzoeker verzocht. Dit is in strijd met artikel 24 lid 1 Wzd. Verzoeker heeft door de ongewenste opname nadeel geleden. De opname en het verblijf geven verzoeker veel spanning en frustratie. Daarbij verkeerde verzoeker vanaf 18 maart 2024 in onzekerheid over de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeperkingen.
De zorgaanbieder verzoekt primair het verzoek af te wijzen en subsidiair het aantal dagen naar beneden bij te stellen en de hoogte van de schadevergoeding te matigen tot een bedrag van (maximaal) €10 euro per dag.
Ter onderbouwing brengt verweerder onder meer het volgende naar voren. Sensire geeft aan de ratio van de Wzd te hebben nageleefd. Verzoeker heeft op 20 en 21 maart 2024 voor het eerst tekenen van verbaal verzet getoond. Sensire heeft het gedrag van verzoeker vervolgens zorgvuldig in kaart gebracht en zijn opmerkingen en gedrag in het dossier genoteerd. Omdat het gebruikelijk is dat cliënten met (vasculaire) dementie moeten wennen aan een nieuwe omgeving is eerst geprobeerd om verzoeker op zijn gemak te stellen en interventies in te zetten om het verzet te doen verminderen. Op 22 maart 2024 toen verzoeker naast toenemend verbaal verzet ook fysiek verzet vertoonde, is de aanvraag voor de rechterlijke machtiging in gang gezet. Na het onderzoek door de onafhankelijk arts op 27 maart 2024 is op 28 maart 2024 de aanvraag verstuurd naar het CIZ. Dat het CIZ de aanvraag (pas) op 3 april 2024 heeft ingediend en de rechterlijke machtiging vervolgens op 22 april 2024 is verleend, kan Sensire niet worden verweten. Voor zover de verzoeker zich op het standpunt stelt dat er een inbewaringstelling en niet een rechterlijke machtiging aangevraagd had moeten worden, geldt dat er geen sprake was van een acute crisissituatie waarvoor de inbewaringstelling is bedoeld.
4 Beoordeling
Uit artikel 44 lid 2 Wzd volgt, voor zover hier van belang, dat cliënt, als de wet niet in acht is genomen door de zorgaanbieder, de rechter kan verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
Artikel 24 lid 1 Wzd bepaalt, voor zover hier van belang, dat onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een cliënt in een geregistreerde accommodatie alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging. Uit lid 1 sub a van dit artikel volgt dat de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf onvrijwillig is als de betreffende persoon van twaalf jaar of ouder zicht verzet tegen de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken overweegt de rechtbank dat verzoeker sinds 18 maart 2024 tot en met heden is opgenomen en verblijft in de accommodatie van de zorgaanbieder, een geregistreerde accommodatie als bedoeld in de Wzd. Direct na opname op 19 maart 2024 is er een zogenoemde artikel 21-verklaring afgegeven door het CIZ. Het CIZ heeft op dat moment vastgesteld dat er geen verzet was. Vanaf 20 maart begon verzoeker de eerste tekenen van verzet te tonen tegen de opname en het verblijf. In eerste instantie was dit nog verbaal en wisselend en was het mogelijk om verzoeker af te leiden. In de dagen erna nam het verzet toe. Verzoeker is uiteindelijk op 27 maart 2024 beoordeeld door een onafhankelijk arts in verband met de aanvraag voor een rechterlijke machtiging. Op 28 maart 2024 is de aanvraag met medische verklaring verstuurd naar het CIZ. Op 22 april 2024 is bij beschikking van deze rechtbank een rechterlijke machtiging toegewezen voor de periode van zes maanden.
De rechtbank stelt voorop dat de afbakening tussen de situatie van een artikel 21-verklaring (geen verzet, geen instemming) en een rechterlijke machtiging (verzet) in de praktijk niet altijd makkelijk is. Verzet kan in de loop van de tijd wisselen en is soms tijdelijk te ondervangen door afleiding en geruststelling. Om die reden is het ook redelijk dat een zorgaanbieder bij een cliënt met een artikel 21-verklaring enige tijd wordt gegund om te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen. In dit geval zat er een week tussen de eerste tekenen van verzet (20 maart) en het in gang zetten van de procedure voor de rechterlijke machtiging (27 maart). Dat is naar het oordeel van de rechtbank een redelijke termijn. Ook daarna is door de zorgaanbieder voortvarend gehandeld en is de aanvraag op 28 maart 2024 aan het CIZ verstuurd. Dat de aanvraag en de behandeling door de rechtbank toen nog enige tijd (tot 22 april) heeft geduurd valt de zorgaanbieder niet te verwijten. Bij dit oordeel speelt ook een rol dat cliënt met een juridische titel in de accommodatie verbleef omdat er bij opname geen verzet werd gezien. De rechtbank is ook niet van oordeel dat door de zorgaanbieder een IBS had moeten worden aangevraagd tegelijk met de rechterlijke machtiging. Dit had onnodig belastend geweest voor betrokkene en past ook niet in het wettelijke kader (artikel 21 lid 3 Wzd jo artikel 22 lid 9 juncto artikel 24 lid 1).
Gelet op het voorgaande zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
5 Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
| Deze beschikking is gegeven op 15 juli 2024 door mr. B. Krijnen, rechter, in tegenwoordigheid van H.A.P. Oppewal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2024. |
| Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.