Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Gelderland, 16 december 2020

ECLI:NL:RBGEL:2020:6523Zaaknummer 8651793

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16 december 2020
Publicatiedatum
18 december 2020
Zaaknummer
8651793
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak, Tussenuitspraak
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

93 Rv vordering € 25.000 met voorbehoud restant, betwisting rechtstitel 71 lid 1 Rv verwijzing van kantonrechter naar kamer voor andere zaken dan kantonzaken. 96 Rv geen gezamenlijk verzoek en geen instemming.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van 13 januari 2021 van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem;

3.2.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat;

3.3.

wijst partijen erop dat ingevolge artikel 8 lid 1 WGBZ het in deze procedure geheven griffierecht zal worden verhoogd en van [gedaagde] alsnog griffierecht zal worden geheven.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8651793 \ CV EXPL 20-6796 \ 42693 \ 28195

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap ING Bank N.V.

gevestigd te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde C. de Graaf

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde].

gevestigd te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. M.W. Huijzer

Partijen worden hierna ING en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 september 2020 en de daarin genoemde processtukken;

- nadere producties 1 en 2 van de zijde van ING;

- de comparitie van partijen van 2 december 2020.

2 De beoordeling

2.1.

ING vordert – kort samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen de som van € 25.000,00. In het petitum van ING staat vervolgens: Eisers wenst zich echter uitdrukkelijk het recht voor te behouden om in een later stadium tot dagvaarding van gedaagde voor de restant hoofdsom, alsmede wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten over te gaan.

2.2.

In artikel 93 aanhef en sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 door de kantonrechter worden behandeld en beslist, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist.

2.3.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen zich uitgelaten over de bevoegdheid van de kantonrechter.

2.4.

[gedaagde] voeren onder meer als verweer dat ING geen rechtsvordering meer op haar heeft. Dit zou door ING zelf aan haar zijn bevestigd, aldus [gedaagde].

Naar het oordeel van de kantonrechter is dit verweer van [gedaagde] gericht tegen de rechtstitel waarop de vordering is gegrond en niet slechts tegen het gevorderde bedrag van ten hoogste € 25.000,00.

ING doet – ook ter zitting – geen afstand van het meerdere boven € 25.000,00. De kantonrechter is daarom van oordeel dat deze zaak dient te worden behandeld en beslist door een kamer voor andere zaken dan kantonzaken.

2.5.

Ter zitting heeft ING verzocht om deze zaak op grond van artikel 96 Rv (alsnog) aan de kantonrechter voor te leggen. Nu partijen zich niet samen tot de kantonrechter hebben gewend (artikel 96 lid 1 Rv) en [gedaagde] ook niet heeft ingestemd met deze keuze van ING (artikel 96 lid 2 Rv), kan de kantonrechter aan deze keuze geen gehoor geven. Daarom zal de zaak ingevolge artikel 71 lid 1 Rv worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van 13 januari 2021 van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem;

3.2.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat;

3.3.

wijst partijen erop dat ingevolge artikel 8 lid 1 WGBZ het in deze procedure geheven griffierecht zal worden verhoogd en van [gedaagde] alsnog griffierecht zal worden geheven.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.