Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 30 januari 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:9375Zaaknummer 26/84

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
26/84
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo. Art. 83, derde lid, van de Awb. Boetebesluit. Inning van de boetes aangehouden. Geen spoedeisend belang. Afwijzing verzoek.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/84

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

en

het CAK, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het boetebesluit van verweerder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

1.2.

Verweerder heeft met het primaire besluit van 8 september 2025 aan eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 528,- omdat zij geen Nederlandse zorgverzekering heeft afgesloten. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verweerder heeft op 15 januari 2026 bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) verzocht om (voorlopige) aanhouding van de inning van de boete(s) hangende het onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank ten aanzien van het verzoek van verzoekster om ontheffing van de verzekeringsplicht. Dit betekent dat verweerder de uitvoering van het besluit heeft opgeschort. Het CJIB heeft bevestigd dat de inning van de boetes wordt aangehouden. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.