Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 13 maart 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:9373Zaaknummer 26/379

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
26/379
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo. Art. 8:83, derde lid, van de Awb. Vaststelling recht op medische zorg in Italië ten laste van Nederland op grond van de Zvw. Geen spoedeisend belang. Niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [woonplaats] (Italië), verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/379

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] (Italië), verzoeker

en

het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de vaststelling dat verzoeker per 28 mei 2025 recht heeft op medische zorg in Italië ten laste van Nederland op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

1.2.

Verweerder heeft op 7 augustus 2025 aan verzoeker een S1-formulier gezonden waarmee hij zich kon inschrijven als rechthebbende op medische zorg in zijn woonland ten laste van Nederland. Op 3 september 2025 heeft verweerder de beschikking gestuurd waarmee verweerder heeft vastgesteld dat verzoeker verdragsgerechtigd is. Met het bestreden besluit van 13 januari 2026 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

2.1.

Samengevat voert verzoeker ten aanzien van het spoedeisend belang aan dat verweerder reeds is overgegaan tot inning van de verdragsbijdrage en dat hij met de voorlopige voorziening heeft beoogd om deze financiële last te voorkomen.

2.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen enkel spoedeisend belang is. Met de vaststelling in het bestreden besluit dat verzoeker verdragsgerechtigd is, waaruit volgt dat verzoeker aanspraak maakt op medische zorg in Italië ten laste van Nederland, is nog geen betalingsverplichting van de verdragsbijdrage opgelegd. Er is daarom geen spoedeisend financieel belang om die vaststelling ongedaan te maken. Los daarvan heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij door eventuele inhouding van de verdragsbijdrage in acute financiële nood zal komen te verkeren. Uit het verweerschrift blijkt bovendien dat er nog geen definitieve jaarrekening is vastgesteld.

3. Bij het ontbreken van spoedeisend belang als hiervoor bedoeld, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.

3.1.

De voorzieningenrechter is niet gebleken dat van een evident onrechtmatig besluit sprake is. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitvoerig uiteengezet waarom verzoeker verdragsgerechtigd is. Verzoeker is het weliswaar niet met deze beslissing eens, maar de voorzieningenrechter is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. In die procedure zullen de beroepsgronden van verzoeker worden beoordeeld. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek wegens het ontbreken van spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 van de Awb niet voor inwilliging in aanmerking komt. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.