Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 14 april 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:9188Zaaknummer NL25.22587 en NL25.22588

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL25.22587 en NL25.22588
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsdocument. Volgens de minister is uit de BRP gebleken dat het minderjarige Nederlandse kind van eiser niet in Nederland verblijft, maar in Turkije. Beroepsgronden op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank ziet in het ingestelde beroep geen reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ook ambtshalve niet.

De rechtbank/ voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.

griffier(voorzieningen)rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser/ verzoeker (eiser)
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.22587 (beroep) en NL25.22588 (vovo)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser/ verzoeker (eiser)

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank/ de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 afgewezen.

2.1.

Met het bestreden besluit van 23 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.

De minister heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De minister heeft in het bestreden besluit de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument afgewezen. De minister legt hieraan ten grondslag dat uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat het minderjarige Nederlandse kind van eiser niet in Nederland verblijft, maar in Turkije. Aangezien eisers kind niet in Nederland verblijft, kan geen Nederlands verblijfsdocument verstrekt worden. Daarnaast is er op grond van artikel 20 van het VWEU[_e257c5cc-1701-4dc0-8e90-007bbe883f9b] evenmin rechtmatig verblijf in Nederland als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. Het beroep op artikel 8 van het EVRM[_87a3d5e4-7f24-479f-b4c2-0a4191275967], artikel 3 van het IVRK[_54d16697-c532-462d-a2bf-fd4f2c79771e] en artikel 24 van het EU-Handvest[_ed02cd69-5cca-4268-a512-9f9e72c4d965] is niet onderbouwd volgens de minister. Niet is gebleken dat de belangen van het kind van eiser op een substantiële wijze in het geding zijn. Het kind van eiser woont in Turkije en niet in Nederland, waardoor het kind niet het grondgebied van de Europese Unie hoeft te verlaten. De minister heeft eiser niet gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is.

4. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat hij van mening is dat het bestreden besluit in strijd genomen is met het Unierecht, het Chavez-arrest, het Associatiebesluit en artikel 8 van het EVRM. Ook is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord. Dit is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgronden op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. Ook de stelling van eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord is niet onderbouwd. De gemachtigde van eiser en eiser zelf zijn ook niet naar de zitting gekomen, waardoor eiser ook daar zijn beroepsgronden niet heeft toegelicht. De rechtbank ziet in het ingestelde beroep dan ook geen reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ook ambtshalve oordelend ziet de rechtbank hiervoor geen reden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank/ voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.

griffier(voorzieningen)rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.