Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Den Haag, 13 maart 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:5866Zaaknummer C/09/691608 / HA ZA 25-810

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/09/691608 / HA ZA 25-810
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Betalingsafspraken facturen advocaat.

De rechtbank

2.1.

veroordeelt Levea om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.239,38, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

2.2.

veroordeelt Levea om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.097,39 aan buitengerechtelijke kosten,

2.3.

veroordeelt Levea in de proceskosten van € 4.978,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Levea niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

2.4.

veroordeelt Levea tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

2.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.

Volledige tekst

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaak-/rolnummer: C/09/691608 / HA ZA 25-810

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 13 maart 2026

in de zaak van

[eiser] te [vestigingsplaats],

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. V.N. Gijlstra,

tegen

LEVEA B.V. te Nieuwkoop,

gedaagde,

hierna te noemen: Levea,

advocaat: mr. A.M. Speerstra.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Den Haag.

De zaak wordt behandeld door mr. S.T.H. Janssen, rechter, bijgestaan door C. Schrijvershof als griffier.

Aanwezig zijn:

- namens eiser: de advocaat voornoemd;

- namens gedaagde: [naam] (eigenaar/directeur).

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

In dit proces-verbaal wordt alleen de mondelinge uitspraak weergegeven. Van wat op de zitting door of namens partijen naar voren is gebracht, zijn door de griffier afzonderlijk aantekeningen gemaakt.

1 De beoordeling

1.1.

[eiser] krijgt in deze procedure gelijk. De rechtbank zal uitleggen waarom.

1.2.

[eiser] vordert betaling van twee facturen van 30 april 2025 en 31 mei 2025 van in totaal € 32.239,38. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] de gedeclareerde juridische werkzaamheden heeft verricht, namelijk advisering en bijstand in een kort geding van Levea Bouw B.V., een dochteronderneming van Levea.

1.3.

Levea vindt alleen dat de kosten daarom niet bij haar, maar bij Levea Bouw B.V. in rekening moeten worden gebracht. De rechtbank gaat daar niet in mee.

1.4.

In februari en maart 2025 heeft [eiser] ook al twee facturen aan Levea gestuurd voor werkzaamheden voor Levea Bouw B.V. Deze facturen zijn door Levea onbetwist betaald. Levea betaalde toen ook een andere factuur die wel aan Levea Bouw B.V. was gericht. Levea bevestigde tijdens de mondelinge behandeling ook dat alle betalingen door Levea werden voldaan. [eiser] heeft voor de facturen van april en mei 2025 niets veranderd. Zij heeft op dezelfde wijze gefactureerd, namelijk weer aan Levea. Bovendien heeft [eiser] op 19 mei 2025 nog per WhatsApp bevestigd dat de kosten voor het kort geding door Levea betaald zouden moeten worden. Uit al deze omstandigheden volgt dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat de afspraak was dat Levea de kosten voor Levea Bouw B.V. zou betalen.

1.5.

Daarom wordt de vordering tot betaling van de facturen toegewezen en ook de wettelijke handelsrente is daarom toewijsbaar. Vanaf de vervaldatum van de facturen.

1.6.

[eiser] heeft bovendien voldoende gesteld en onderbouwd dat er incassowerkzaamheden zijn verricht, waardoor ook de buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zijn.

1.7.

Levea moet ook nog de proceskosten betalen omdat zij ongelijk heeft gekregen.

1.8.

En dit alles is uitvoerbaar bij voorraad.

2 De beslissing

De rechtbank

2.1.

veroordeelt Levea om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.239,38, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

2.2.

veroordeelt Levea om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.097,39 aan buitengerechtelijke kosten,

2.3.

veroordeelt Levea in de proceskosten van € 4.978,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Levea niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

2.4.

veroordeelt Levea tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

2.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.