Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31690Zaaknummer NL26.59621
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.59621
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewaring art. 59 Vw. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar een mogelijk lichter middel, gelet op persoonlijke omstandigheden eiser. Beroep gegrond, opheffing bewaring.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van
13 oktober 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Overwegingen
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2003.
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.[_09aed425-7f30-4e32-be15-c49c23b6bb5c] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.[_bee2417b-86a7-4c5c-925d-c143263146a6] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.[_fd414c8a-f5c9-4ac3-a95b-2500047380fa] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.[_94a7ae11-040c-4785-84cf-35d44b9b972f]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
De rechtbank is van oordeel dat deze gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Eiser is niet op de voorgeschreven wijze naar Nederland gereisd en hij heeft zich niet (direct) gemeld bij de autoriteiten. Ook heeft eiser niet voldaan aan zijn verplichting tot vertrek. Deze twee gronden (a en b) zijn al voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
De rechtbank is niettemin van oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf aanvang onrechtmatig is, omdat uit de maatregel niet blijkt dat de minister voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring kon worden toegepast. Eiser heeft een vaste woon- en verblijfplaats, waarmee hij is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), hij heeft een bedrijf waarvoor hij allerlei verplichtingen heeft en heeft zich eerder ook steeds gemeld. Eiser heeft zelf ook verklaard een meldplicht te willen en heeft niet eerder in vreemdelingenbewaring gezeten. Het was dan ook aan de minister om te onderzoeken of er afspraken mogelijk zijn, bijvoorbeeld door inname van eisers paspoort in combinatie met een meldplicht in afwachting van een vlucht, te meer nu er omstandigheden aanwezig zijn die maken dat de meldplicht kans van slagen heeft. Nu niet is gebleken dat de minister die mogelijkheid serieus heeft onderzocht, is de rechtbank van oordeel dat eisers beroepsgrond slaagt.
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de vreemdelingenbewaring met ingang van 13 oktober 2026.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf in de politiecel) en 7 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 1.000,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.59621
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 6 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_824c204a-51e7-428c-b776-048a449e4f8c]
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Yildiz als tolk en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van
13 oktober 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Overwegingen
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2003.
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.[_09aed425-7f30-4e32-be15-c49c23b6bb5c] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.[_bee2417b-86a7-4c5c-925d-c143263146a6] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.[_fd414c8a-f5c9-4ac3-a95b-2500047380fa] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.[_94a7ae11-040c-4785-84cf-35d44b9b972f]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
De rechtbank is van oordeel dat deze gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Eiser is niet op de voorgeschreven wijze naar Nederland gereisd en hij heeft zich niet (direct) gemeld bij de autoriteiten. Ook heeft eiser niet voldaan aan zijn verplichting tot vertrek. Deze twee gronden (a en b) zijn al voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
De rechtbank is niettemin van oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf aanvang onrechtmatig is, omdat uit de maatregel niet blijkt dat de minister voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring kon worden toegepast. Eiser heeft een vaste woon- en verblijfplaats, waarmee hij is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), hij heeft een bedrijf waarvoor hij allerlei verplichtingen heeft en heeft zich eerder ook steeds gemeld. Eiser heeft zelf ook verklaard een meldplicht te willen en heeft niet eerder in vreemdelingenbewaring gezeten. Het was dan ook aan de minister om te onderzoeken of er afspraken mogelijk zijn, bijvoorbeeld door inname van eisers paspoort in combinatie met een meldplicht in afwachting van een vlucht, te meer nu er omstandigheden aanwezig zijn die maken dat de meldplicht kans van slagen heeft. Nu niet is gebleken dat de minister die mogelijkheid serieus heeft onderzocht, is de rechtbank van oordeel dat eisers beroepsgrond slaagt.
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de vreemdelingenbewaring met ingang van 13 oktober 2026.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf in de politiecel) en 7 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 1.000,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Voetnoten
- Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
- Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
- Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
- Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
- Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.