Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31540Zaaknummer NL26.57943
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.57943
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
RTB; Oekraïne; Polen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat dat het besluit van 10 september 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van €934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57943
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [x], verzoekster,
en haar minderjarige kind,
[minderjarige], v-nummer: [x], samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. M.F. van den Brink),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers vanwege het besluit van 10 september 2026, waarin de minister heeft bepaald dat verzoekers niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vallen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoekers geacht worden onder de werking van de RTB te vallen en dat zij hun recht op gemeentelijke opvang en andere verstrekkingen behouden totdat op het bezwaar is beslist.
De minister is in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.[_dd3c996f-888d-47d2-a130-c763a0f002f6] Daartoe beoordeelt hij of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Hebben verzoekers een spoedeisend belang?
3. Uit het bestreden besluit blijkt dat verzoekers volgens de minister niet onder de RTB vallen. Ook is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit niet worden opgeschort indien bezwaar wordt gemaakt. Verzoekers hebben een brief van 15 september 2026 overgelegd waaruit, onder meer, volgt dat zij als gevolg van het bestreden besluit per 8 oktober 2026 de gemeentelijk opvang moeten verlaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vereiste onverwijlde spoed dan ook aanwezig. Het gegeven dat in het bestreden besluit staat dat als verzoekers verder willen met de asielprocedure zij zich in het aanmeldcentrum kunnen melden en dat verzoekers tijdens de asielprocedure recht hebben op opvang bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter acht dit, in dit geval, geen toereikend alternatief. Een voorwaarde voor opvang bij het COa is dat verzoekers asiel aanvragen. Verzoekers stellen in de gronden van het verzoek nadrukkelijk dat zij geen asiel wensen aan te vragen. De voorzieningenrechter meent dat van verzoekers niet verlangd kan worden dat zij tegen hun wil in asiel (moeten) aanvragen om zo (alternatieve) opvang te realiseren. Het voorgaande staat nog los van de huidige capaciteitsproblemen waar het COa mee te kampen heeft waarbij het de vraag is of voor kwetsbare personen zoals verzoekers (vrouw met minderjarig kind) steeds opvang aanwezig is.[_2d17ecd5-56b2-4682-8906-815a48ea2c5f] Tot slot acht de voorzieningenrechter van belang dat, zoals hieronder nader wordt toegelicht, het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en het niet wenselijk is dat verzoekers, vooruitlopend op de beslissing op bezwaar, van opvangvoorziening (gemeentelijke opvang versus COa-opvang) moeten wisselen.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding om uitspraak te doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.[_ac237f21-1475-4eb7-9f60-90ce3a5c8995]
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bezwaar tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft.
De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat verzoekster heeft verklaard dat verzoekers sinds maart 2022 in Polen verblijfsrecht hebben genoten onder de RTB. Personen die op of na 15 juni 2026 tijdelijke bescherming in Nederland aanvragen en in een andere lidstaat tijdelijke bescherming hebben of hebben gehad komen niet in aanmerking voor een verblijfsrecht onder RTB in Nederland, aldus de minister.
Verzoekers erkennen dat zij in Polen tijdelijke bescherming hebben gehad, maar voeren aan dat zij van februari 2023 tot zeer recent (weer) verbleven in de Oekraïne. Ter onderbouwing daarvan leggen zij een kopie van een paspoortvel met uitreisstempels over. Zij zijn na februari 2023 niet meer teruggekeerd naar Polen. Verzoekers voeren verder aan dat volgens de Poolse regelgeving het recht op tijdelijke bescherming in eerste instantie voor de duur van achttien maanden wordt toegekend, maar vervalt na een verblijf van meer dan 30 dagen buiten Polen.[_9cefdfbe-b78e-45b1-8bf6-01e4a62c14bb] Verzoekers stellen dat het vanwege deze regelgeving zeer waarschijnlijk is dat hun recht op tijdelijke bescherming in Polen al is beëindigd.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister niet heeft betwist dat de tijdelijke bescherming die verzoekers in Polen hebben genoten dateert van vóór februari 2023 en dat zij nadien tot aan hun recente inreis in Nederland in Oekraïne hebben verbleven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister gelet daarop in het bestreden besluit, dat gebaseerd lijkt op het Informatiebericht 2026/20, onvoldoende gemotiveerd dat verzoekers in Nederland geen rechten kunnen ontlenen aan de RTB. De voorzieningen acht daartoe het volgende van belang.
In punt 4 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460 van 15 juli 2025 staat het volgende:
“Aangezien een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten, moeten de lidstaten, om ervoor te zorgen dat dat beginsel wordt geëerbiedigd en om meerdere registraties voor tijdelijke bescherming te voorkomen, verzoeken om een verblijfsvergunning op basis van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2001/55/EG afwijzen wanneer duidelijk is dat de betrokken persoon op die basis reeds een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft verkregen. Dat zou in overeenstemming zijn met het arrest van het Hof van Justitie van 27 februari 2025 in zaak C-753/23 ( 5) en met name met punt 30 daarvan.”
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het standpunt van de minister in het bestreden besluit op gespannen voet met (de strekking van) het Uitvoeringsbesluit 2025/1460, waaruit met name naar voren komt dat het niet de bedoeling is dat er in twee lidstaten gelijktijdig bescherming wordt genoten. Het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 lijkt zich er niet tegen te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt. De voorzieningenrechter ziet zich in deze uitleg gesteund door het arrest Krasiliva van 27 februari 2025 van het Hof van Justitie[_35d77470-c72f-4175-a5ae-bd6e445a6db6] waarin het Hof oordeelt dat bij de beoordeling of aan een ontheemde een verblijfstitel moet worden toegekend kan worden betrokken dat die ontheemde reeds in een andere lidstaat tijdelijke bescherming geniet. Dat is minder verdergaand dan het standpunt van de minister die niet relevant acht hoe lang het is geleden dat tijdelijke bescherming in een andere lidstaat is genoten en of de tijdelijke bescherming nog actueel is en – kennelijk – ook niet dat, zoals in dit geval, verzoekers nadien jarenlang in de Oekraïne hebben verbleven. Waar de minister zijn verdergaande uitleg op heeft gebaseerd, heeft hij niet gemotiveerd. Dat blijkt in ieder geval niet uit het in het bestreden besluit genoemde punt 4 van het Uitvoeringsbesluit, zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen. Dit volgt ook niet ook de nog steeds geldende Werkinstructie 2025/6. In de Werkinstructie wordt namelijk de mogelijkheid opengelaten om in een geval als deze wél tijdelijke bescherming te verlenen, met de opmerking dat het andere EU-land dan wel de daar verleende tijdelijke bescherming moet beëindigen. In de werkinstructie staat namelijk:
“(…)Dit betekent dat als een ander EU-land al tijdelijke bescherming heeft verleend maar de ontheemde besluit zich toch in Nederland te vestigen, hij niet hoeft terug te keren naar het land dat hem tijdelijke bescherming heeft verleend. Nederland zal dan zijn eigen beoordeling van de RTB moeten doen. Dat een ander land de ontheemde tijdelijke bescherming heeft gegeven, betekent niet dat Nederland dit ook moet doen. Als de tijdelijke bescherming wel wordt gegeven, zal het andere EU-land de tijdelijke bescherming moeten beëindigen.”
Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft vastgesteld lijkt niet in geschil dat verzoekers de afgelopen jaren in de Oekraïne hebben verbleven. Verzoekers hebben onder verwijzing naar de Poolse wetgeving, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, aannemelijk gemaakt dat hun tijdelijke bescherming in Polen inmiddels is geëindigd dan wel beëindigd. Dit betekent dat in het geval van verzoekers dus geen sprake is van de situatie dat zij in twee EU-lidstaten gelijktijdig tijdelijk internationale bescherming op grond van de richtlijn genieten. Daarmee staat het gegeven dat verzoekers in het verleden tijdelijke bescherming in Polen hebben gehad en niet aan in de weg dat zij in Nederland vallen onder de RTB en daar rechten aan kunnen ontlenen.
Gezien het voorgaande heeft het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen en zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 10 september 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de minister verzoekers moet behandelen alsof zij vreemdelingen zijn die onder de werking van de RTB vallen en daarmee aanspraak blijven houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst ziet hij aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoekers redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van €934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat dat het besluit van 10 september 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van €934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Zie: www.coa.nl/nl/nieuws/coa-waarschuwt-nieuwe-humanitaire-ondergrens-de-opvang-bereikt
- Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.
- Artikel 11, tweede lid, jo. artikel 2, eerste lid van de Ustawa z dnia 12 marca 2022 o pomocy obywatelom Ukrainy w związku z konfliktem zbrojnym na terytorium tego państwa (vrij vertaald: Wet van 12 maart 2022 betreffende bijstand aan burgers van Oekraïne in verband met het gewapende conflict op het grondgebied van dat land), www.eli.gov.pl/eli/DU/2022/583/ogl.
- ECLI:EU:C:2025:133, par. 29-30.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.