Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 22 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31150Zaaknummer C/09/682870 / FA RK 25-2451

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/682870 / FA RK 25-2451
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zorgregeling. Geen indicaties voor gesteld gedrag van de vader die aan uitbreiding van de zorgregeling in de weg staan.

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2007 te [plaats];

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

*

bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn eenmaal per twee weken (in de oneven weken) van woensdagmiddag uit school tot de daarop volgende maandagochtend naar school;

*

bepaalt dat de vakanties als volgt tussen partijen zullen worden verdeeld, waarbij [minderjarige] tijdens:

- de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de man is en in de oneven jaren bij de vrouw;

- de meivakantie in de even jaren in de eerste week bij de vrouw is en de tweede week bij de man en in de oneven jaren andersom;

- de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw is en de tweede drie weken bij de man en in de oneven jaren andersom;

- de herfstvakantie in de even jaren bij de vrouw is en in de oneven jaren bij de man;

- de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de man is en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom,

en waarbij geldt dat vakanties die één week duren, beginnen op vrijdagmiddag uit school en eindigen op maandagochtend voor school en waarbij voor de vakanties die meerdere weken duren hetzelfde geldt, met dien verstande dat de wisseling halverwege deze vakantie plaatsvindt op zondagmiddag 18:00 uur.

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 163,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling ten aanzien van de ontbonden algehele gemeenschap, onder voorwaarde van inschrijving van de ontbindingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vast:

1. ten aanzien van de echtelijke woning te [adres], met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Rabobank en Opbouw Spaarrekeningen:

1. de woning wordt aan de man toegedeeld op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

  • de vrouw dient binnen een week na de datum van deze beschikking uit de in punt 14 van het verzoekschrift genoemde taxateurs/makelaars één taxateur/makelaar aan te wijzen. Als de vrouw niet (tijdig) tot het maken van een keuze overgaat, dan wijst de man één van deze taxateurs/makelaars aan;
  • de aangewezen taxateur/makelaar dient binnen vier weken na de aanwijzing in aanwezigheid van beide partijen de woning te [adres], te taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en deze taxatie zal tussen partijen gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW;
  • de kosten van de taxatie worden door beide partijen gedragen, ieder voor de helft;
  • de man dient de vrouw binnen drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport schriftelijk te berichten dat hij de overname van de woning kan financieren en dat de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
  • de man dient de hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;
  • de man dient de helft van de overwaarde van de woning (deze overwaarde bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning aan de man) aan de vrouw te vergoeden;
  • een eventuele onderwaarde dient door partijen, ieder voor de helft, gedragen te worden;
  • de levering van de woning aan de man dient binnen vier weken plaats te vinden nadat de man de vrouw (binnen de hiervoor gestelde termijn van drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport) heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;
  • de kosten van levering van de woning komen voor rekening van de man;

2.) in het geval de man niet binnen drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat hij de overname van de woning kan financieren en de vrouw wordt kan worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, de woning aan een derde wordt verkocht op de volgende wijze en volgende voorwaarden:

  • verkoop van de woning geschiedt binnen twee weken nadat de hiervoor gestelde termijn van drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport is verstreken door middel van een opdracht aan de taxateur/makelaar die de bindende taxatie heeft verricht. Ieder van partijen is gehouden deze taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven;
  • als partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, dient de taxateur/makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs te bepalen;
  • partijen dienen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aan te gaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de taxateur/makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;
  • als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derde(n) met dien verstande dat de levering aan (een) derde(n) niet eerder zal plaatsvinden dan vier weken na het sluiten van de verkoopovereenkomst;
  • de hypothecaire geldlening dient bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht te worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;
  • de netto-verkoopopbrengst dient gelijkelijk tussen partijen te worden verdeeld, dan wel dient ieder van partijen de helft van de restschuld te dragen;
  • iedere partij dient bij overdracht aan (een) derde(n) de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

2. deelt de inboedel van de echtelijke woning toe aan de man, onder de verplichting een bedrag van € 5.000,- aan de vrouw te voldoen;

3. bepaalt ten aanzien van de bank- en spaarrekeningen dat:

  • partijen de saldi van de volgende bank- en spaarrekeningen per peildatum bij helfte dienen te delen, waarna ieder de op zijn/haar naam staande bank- en spaarrekeningen voortzet:
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 6]) op naam van de vrouw;
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 7]) op naam van de vrouw;
  • een spaarrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 8]) op naam van de vrouw;
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 9]) op naam van de man;
  • een NSKIV Visa Card op naam van de man;
  • partijen de volgende gezamenlijke rekeningen zullen opheffen, waarbij de nog aanwezige saldi bij helfte worden gedeeld:
  • een bankrekening bij ING ([rekeningnummer 1]) op naam van partijen;
  • een Oranje Spaarrekening bij ING ([rekeningnummer 2]) op naam van partijen;
  • een Oranje Spaarrekening bij ING ([rekeningnummer 3]) op naam van partijen;
  • een bankrekening bij Bank of America ([rekeningnummer 4]) op naam van partijen;
  • een bankrekening bij Bank of America ([rekeningnummer 5]) op naam van partijen;

4. deelt de Volkswagen met kenteken [kenteken 1] aan de vrouw toe en de Mazda met kenteken [kenteken 2] en de BMW-motor met kenteken [kenteken 3] aan de man, onder de verplichting van de man een bedrag van € 15.150,- aan de vrouw te voldoen;

*

bepaalt dat – indien de hypothecaire geldleningen, nummers [nummer 1] en [nummer 2], bij de Rabobank bij helfte kunnen worden gesplitst in die zin dat de vrouw de helft van de leningen tegen de nu geldende rente(s) en voorwaarden kan overnemen – dat de man zijn medewerking hieraan dient te verlenen en dat – indien de man zijn medewerking niet verleent – deze beschikking zo nodig in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring/medewerking en/of handtekening van de man;

*

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [adres], en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding van € 336,- per maand moet betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking totdat de echtelijke woning is geleverd aan de man of aan een derde, te vermeerderen met de wettelijke rente over elke termijn van de dag waarop die opeisbaar is geworden tot aan de dag der voldoening;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Scheiding
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-2451 (echtscheiding) en FA RK 25-876 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/682870 (echtscheiding) en C/09/691444 (verdeling)

Datum beschikking: 22 september 2026

Scheiding

Beschikking op het op 1 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P. Vellekoop te Honselersdijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.S. Bijsterbosch te Maasdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het bericht van 25 april 2025 van de man;

- het bericht van 5 juni 2025 van de man;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het bericht van 18 september 2025 van de vrouw;

- de berichten van 13 augustus 2026, met bijlagen, van de man;

- het gewijzigde zelfstandig verzoekschrift.

Op 24 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de man met zijn advocaat;

- de vrouw met haar advocaat;

- [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2007 te [plaats].

- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats].

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

- Deze rechtbank heeft op 5 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:

- de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres];

- [minderjarige] aan de vrouw is toevertrouwd;

- partijen zijn doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

- [minderjarige] bij de man is:

- in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur;

- in de even weken op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur;

- de man, met ingang van 14 januari 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 321,- per maand betaalt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 2 juli 2026 is de voorlopige voorzieningen van 5 maart 2025 gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] voortaan bij de man zal zijn om de week van woensdag uit school tot zondag 18:00 uur. Daarnaast is aan de man vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] in de periode van 25 juli 2026 tot en met 2 augustus 2026 naar Italië te reizen.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], waarbij:

- een co-ouderschapsregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] in de oneven weken bij de man verblijft en in de even weken bij de vrouw met een wissel op zondagavond om 18:00 uur;

- de vakanties als volgt worden verdeeld:

in de een jaren:

- voorjaarsvakantie: bij de man;

- meivakantie: eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man;

- zomervakantie: eerste drie weken bij de vrouw, tweede drie weken bij de man;

- herfstvakantie: bij de vrouw;

- kerstvakantie: bij de man;

in de oneven jaren:

- voorjaarsvakantie: bij de vrouw;

- meivakantie: eerste week bij de man, tweede week bij de vrouw;

- zomervakantie: eerste drie weken bij de man, tweede drie weken bij de vrouw;

- herfstvakantie: bij de man;

- kerstvakantie: bij de vrouw;

- vaststelling van een informatieregeling, waarbij de vrouw wordt verplicht om de man iedere twee weken te informeren over ontwikkelingen en bijzonderheden van [minderjarige], onder andere op het gebied van school, sport, hobby’s, haar welzijn en haar medische situatie;

- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 162,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de man;

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken [minderjarige], in die zin dat [minderjarige] bij de man verblijft in de oneven weken van woensdag uit school tot zondag 18:00 uur;

- verlening van vervangende toestemming voor de aanmelding van [minderjarige] bij [naam 2] van [coachingpraktijk] te [plaats];

- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 256,- per maand;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de vrouw;

- vaststelling van een gebruiksvergoeding ten laste van de man van € 481,25 per maand, met ingang van 1 april 2025 en voortdurende totdat de echtelijke woning is geleverd aan de man of aan een derde, met veroordeling van de man van de reeds verschenen en nog te verschijnen termijnen, te vermeerderen met de wettelijke rente over elke termijn van de dag waarop die opeisbaar is geworden tot aan de dag der voldoening,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd zoals wel is vereist in artikel 815, tweede lid, Wetboek van Rechtsvordering. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat het op dit moment voor partijen niet mogelijk is om een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan over te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen, ondanks het ontbreken van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan, ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw en de man zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dit betekent dat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw als onweersproken, op de wet gegrond en in het belang van [minderjarige] zal toewijzen.

Zorgregeling

Reguliere regeling

Bij voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 5 maart 2025 is bepaald dat [minderjarige] bij de man zal zijn in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur en in de even weken op zondag van 10:00 uur tot 18:00 uur. Deze regeling is bij beschikking van deze rechtbank van 2 juli 2026 gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] voortaan om de week van woensdag uit school tot zondag 18:00 uur bij de man zal zijn. De man wil echter graag invulling geven aan zijn vaderrol en een volwaardige relatie met [minderjarige] opbouwen. Om deze reden wenst hij een uitbreiding van voornoemde regeling in de vorm van een week-op-week-afregeling. Volgens de man is niet gebleken dat hij niet in staat zou zijn om voor [minderjarige] te zorgen. Bovendien heeft [minderjarige] het erg naar haar zin bij de man. In de voorlopige voorzieningenprocedure is overwogen dat het voor een co-ouderschapsregeling noodzakelijk is dat partijen goed met elkaar kunnen communiceren en partijen naar aanleiding hiervan zijn doorverwezen naar het traject Ouderschapsbemiddeling. De vrouw heeft dit traject nog voor aanvang stopgezet. Het is volgens de man dan ook te wijten aan de vrouw dat de onderlinge communicatie niet is verbeterd. Dit mag volgens de man niet ten nadele van hem komen en een week-op-week-afregeling in de weg staan.

De vrouw kan zich niet vinden in de door de man verzochte regeling. Volgens de vrouw heeft zich in het verleden veel tussen partijen afgespeeld. Op de zitting heeft de vrouw verteld dat de man geen empathisch vermogen heeft. Ook heeft hij volgens haar last van een posttraumatische stressstoornis wat onder andere resulteert in ongecontroleerde woedeuitbarstingen. Daarnaast is er volgens haar tijdens het huwelijk onder andere sprake zijn geweest van stalking, isolatie, poging tot verkrachting en zou de man met regelmaat hebben gedreigd zelfmoord te plegen. Door haar ervaringen met de man maakt de vrouw zich zorgen over het welzijn van [minderjarige] op het moment dat zij bij de man verblijft. Bovendien lijkt de man volgens de vrouw moeite te hebben met het vinden van aansluiting bij [minderjarige] en het maken van de juiste keuzes hierin. Hoewel de vrouw het in het belang van [minderjarige] acht dat zij contact met de man heeft, lijkt [minderjarige] fysiek en emotioneel overbelast te zijn. De vrouw stelt dat [minderjarige] na de omgang met de man regressief gedrag laat zien, zoals onder andere bijten, schoppen, negatief uitlaten over de vrouw en aan de borst willen drinken. Om deze reden acht zij een uitbreiding van de omgang niet in het belang van [minderjarige] en wenst zij de huidige regeling voort te zetten en/of dient de Raad een onderzoek te doen.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende. De rechtbank heeft in het dossier geen objectieve indicaties of bewijzen gezien die erop wijzen dat er, zoals de vrouw stelt, tijdens of na het huwelijk sprake is geweest van stalking, isolatie, poging tot verkrachting en/of agressieproblemen vanuit/bij de man. Zo zijn er geen verslagen van therapeuten, geen whatsappwisselingen, e-mails, foto’s e.d. die in die richting wijzen. Ook heeft de vrouw geen melding gedaan bij Veilig Thuis en/of meldingen of aangiftes bij de politie. De vrouw heeft hierover aangegeven dat mensen uit haar directe (privé-)omgeving haar hebben afgeraden om bij instanties melding te maken van hetgeen zij gedurende of na het huwelijk heeft meegemaakt. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank in het dossier geen enkele objectieve indicatie ziet die aanleiding vormt om te onderzoeken of zich iets heeft afgespeeld zoals de vrouw stelt.

Ook zijn er geen objectieve indicaties dat het welzijn van [minderjarige] in het gedrang is wanneer zij bij de man verblijft. Het gestelde regressieve gedrag van [minderjarige] nadat zij bij de man is geweest (onder andere bijten, schoppen, negatief uitlaten over de vrouw en aan de borst willen drinken) is door de vrouw niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De school van [minderjarige] heeft op 25 juni 2026 aan de ouders bericht dat zij [minderjarige] een vrolijk en sociaal meisje is dat goed in haar vel lijkt te zitten. Nergens wordt geen melding gemaakt van iets wat zou kunnen duiden op de door de vrouw gestelde zorgen wanneer [minderjarige] bij de man is.

Hoewel de rechtbank zich realiseert dat dit voor de vrouw moeilijk zal zijn, ziet zij geen (rechts)grond om, als het gaat om de zorgregeling, deze stellingen van de vrouw in haar overwegingen mee te nemen en/of nader onderzoek hiernaar te laten doen.

De zorgregeling tussen de man en [minderjarige] is sinds de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 2 juli 2026 uitgebreid in die zin dat [minderjarige] voortaan om de week van woensdag uit school tot zondag 18:00 uur bij de man zal zijn. De man wil graag dat deze wordt uitgebreid naar een week op-week af regeling. De rechtbank overweegt enerzijds dat er geen objectieve indicaties zijn dat het welzijn van [minderjarige] bij de man in gevaar is, zoals de vrouw stelt. Anderzijds vindt zij een week op-week af regeling – waarbij [minderjarige] zeven dagen achter elkaar bij de ene ouder en vervolgens zeven dagen bij de andere ouder zal zijn – gelet op haar leeftijd niet in haar belang. De mogelijkheden tot een andere uitbreiding dan een week-op-week af regeling zijn beperkt doordat de man, zo begrijpt de rechtbank, één van de twee weken vanwege zijn werk in het buitenland zit. De rechtbank ziet in al het voorgaande aanleiding om de huidige regeling uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] voortaan in de oneven weken van woensdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man zal verblijven. Op deze manier kunnen de man en [minderjarige] een extra avond en ochtend met elkaar doorbrengen. Mocht dit voor de man vangwege zijn werk niet haalbaar zijn, dan zal het wisselmoment op zondag om 18.00 uur zijn. Een dergelijke regeling is naar het oordeel van de rechtbank het meest in het belang van [minderjarige].

Vakantieregeling

Op de zitting is besproken dat de vakanties als volgt tussen partijen zullen worden verdeeld, waarbij [minderjarige] tijdens:

- de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de man is en in de oneven jaren bij de vrouw;

- de meivakantie in de even jaren in de eerste week bij de vrouw is en de tweede week bij de man en in de oneven jaren andersom;

- de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw is en de tweede drie weken bij de man en in de oneven jaren andersom;

- de herfstvakantie in de even jaren bij de vrouw is en in de oneven jaren bij de man;

- de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de man is en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom,

waarbij geldt dat vakanties die één week duren, beginnen op vrijdagmiddag uit school en eindigen op maandagochtend voor school en waarbij voor de vakanties die meerdere weken duren hetzelfde geldt, met dien verstande dat de wisseling halverwege deze vakantie plaatsvindt op zondagmiddag 18:00 uur.

Informatieregeling

De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen. Hiertoe voert de man aan dat hij al geruime tijd van de vrouw weinig informatie over [minderjarige] ontvangt, terwijl [minderjarige] voor het grootste gedeelte van de tijd bij de vrouw verblijft.

Volgens de vrouw dient het verzoek van de man te worden afgewezen. Zij informeert de man namelijk om de week, waardoor hij geen belang heeft bij zijn verzoek.

De rechtbank overweegt dat uit de wet volgt dat partijen elkaar moeten informeren over [minderjarige], nu zij gezamenlijk het gezag over haar uitoefenen. Gebleken is dat de vrouw dit al doet. Om deze reden zal de rechtbank het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen afwijzen.

Vervangende toestemming therapie

Zoals hiervoor aangegeven stelt de vrouw dat [minderjarige] na de omgang met de man regressief gedrag laat zien, zoals onder andere bijten, schoppen, negatief uitlaten over de moeder en aan de borst willen drinken. Om deze reden wil zij [minderjarige] aanmelden bij een kindertherapeut of kindercoach, zodat onderzocht kan worden wat er met [minderjarige] aan de hand is. De man verleent hier echter geen toestemming voor. De man geeft aan dat hij bereid is mee te werken aan hulpverlening voor [minderjarige], indien blijkt dat zij hier behoefte aan heeft. Dit is volgens de man op dit moment echter niet het geval. Hij herkent de door de vrouw geschetste zorgen betreffende [minderjarige] namelijk niet. De man omschrijft [minderjarige] als een vrolijk en sociaal meisje. Volgens hem zijn er geen signalen waaruit blijkt dat het niet goed met haar gaat en zij hulpverlening nodig heeft.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor aangegeven blijkt uit het bericht van de school van [minderjarige] dat het goed gaat met [minderjarige]. Zij ontwikkelt zich zowel op sociaal-emotioneel als op cognitief gebied goed. De school ziet een vrolijk en sociaal meisje dat goed in haar vel lijkt te zitten. Verder is op de zitting gebleken dat [minderjarige] op school verschillende trainingen, waaronder een weerbaarheidstraining, positief heeft afgerond. Er is geen enkele indicatie dat [minderjarige] individuele hulpverlening nodig heeft en/of dat er onderzoek nodig is om te bezien wat er met haar aan de hand is. De rechtbank vindt het daarom niet in het belang van [minderjarige] om vervangende toestemming voor een hulpverleningstraject te verlenen zodat het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming om [minderjarige] aan te melden bij ‘[coachingpraktijk]’ zal worden afgewezen.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat bij beschikking van deze rechtbank van 5 maart 2025 bij voorlopige voorzieningen een voorlopige kinderalimentatie is vastgesteld. Hiermee heeft de man voldaan aan zijn onderhoudsplicht.

Behoefte

Bij voornoemde beschikking heeft de rechtbank de behoefte van [minderjarige] in 2024 vastgesteld op € 764,- per maand. Deze behoefte is tussen partijen niet in geschil en bedraagt geïndexeerd naar 2026 € 851,- per maand.

Draagkracht

De behoefte van [minderjarige] moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen.

- draagkracht man

Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de meest recente loonstroken van februari, april en juni 2026. Hieruit volgen de volgende maandelijkse bruto bedragen: een bezoldiging van € 8.124,54, een VEB-toelage van € 511,85 en een verrekening reserve premie OP/NP van € 2,13. Daarop wordt maandelijks in mindering gebracht een premie OP/NP van € 613,54, een premie OP/NP variabel deel van € 2,10 en een premie AOP-BW (hoog) van € 22,55. Verder blijkt uit de salarisspecificaties een Individueel Keuzebudget van € 1.326,73. Hiermee zal de rechtbank rekening houden.

Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.664,- per maand. De draagkracht bedraagt volgens de formule € 1.820,- per maand, te weten 70% van [5.664 – (0,3 x 5.664 + 1.365)].

- draagkracht vrouw

Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen van € 6.422,-, zoals blijkt uit haar meest recente loonstrook van juli 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van € 581,19 per maand, een pensioen premie van € 473,53 per maand, een premie AOP van € 14,85 per maand, een nominale premie IZA van € 171,87 en een premie WIA-WGA van € 27,51 per maand. Rekening houdend met de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 5.094,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.541,- per maand, te weten 70% van [5.094 – (0,3 x 5.094 + 1.365)].

- draagkrachtvergelijking

Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen van (1.820 + 1.541 =) € 3.361,- per maand, bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] naar rato van zijn draagkracht (1.820 / 3.361 x 851 =) € 461,- per maand.

Zorgkorting

De man maakt zorgkosten voor [minderjarige], omdat zij een deel van de tijd (gedurende de reguliere zorgregeling en de vakantie- en feestdagen) bij hem verblijft. De zorgkosten kunnen worden vastgesteld aan de hand van de zogenaamde zorgkorting. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen zorgregeling, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 35%, te weten € 298,- per maand.

Conclusie

Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie € 163,- per maand. De rechtbank zal de kinderalimentatie met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op voornoemd bedrag.

Aanhechten berekeningen

De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn op [datum] 2007 met elkaar gehuwd. Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Uitgangspunt bij verdeling van de gemeenschap is een verdeling tussen partijen bij helfte.

Peildatum

De rechtbank stelt voorop dat als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding geldt, dat is 1 april 2025. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken.

Omvang

Partijen hebben de volgende bestanddelen naar voren gebracht:

  • de echtelijke woning te [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Rabobank en Opbouw Spaarrekeningen;
  • de inboedel;
  • de bank- en spaarrekeningen;
  • e voertuigen;
  • de nalatenschap van de vader van de man.

Ad a.) de echtelijke woning te [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Rabobank en Opbouw Spaarrekeningen

Partijen zijn het erover eens dat aan de man de mogelijkheid geboden moet worden om uit te zoeken of hij de echtelijke woning kan overnemen. Als de man dit niet lukt, zijn partijen het erover eens dat de woning verkocht moet worden.

Gelet op voorgaande zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening en Opbouw Spaarrekeningen de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.

- voortgezet gebruik echtelijke woning

Partijen zijn het erover eens dat aan de man het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal worden toegekend gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

- gebruiksvergoeding

De vrouw verzoekt een gebruiksvergoeding voor het gemis en genot van de woning. De man betwist niet dat de vrouw recht heeft op een gebruiksvergoeding, maar is het niet eens met de door de vrouw gestelde hoogte van de vergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt. Net als partijen acht de rechtbank betaling van een gebruiksvergoeding in dit geval redelijk, omdat de man sinds geruime tijd de echtelijke woning volledig in gebruik heeft (gehad), terwijl de vrouw nog steeds voor de helft eigenaar van die woning is. De helft van de woning vormt een positief vermogensbestanddeel, waarvan de waarde gelijk is aan het saldo van de waarde van de woning en de daarop rustende hypotheekschuld. Over die helft kan een vergoeding worden vastgesteld op basis van een redelijke marktrente. Dit jaarbedrag delen door twaalf levert een maandelijks te betalen vergoeding op. In dit geval lopen de stellingen van partijen op twee punten uiteen. Ten eerste is in geschil of de inleg van het aan de hypotheek gekoppelde spaarproduct bij de berekening van de overwaarde in het kader van de gebruiksvergoeding al dan niet buiten beschouwing gelaten moet worden. Ten tweede zijn partijen het niet eens over de waarde van de woning.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal bij de berekening van de hoogte van de overwaarde in het kader van de gebruiksvergoeding de waarde van het aan de hypotheek gekoppelde spaarproduct niet in mindering brengen op de overwaarde, zoals de vrouw voorstelt. Dit spaarproduct betreft immers geen schuld, maar een tegoed. Verder overweegt de rechtbank dat zij de exacte waarde van de woning niet kan vaststellen en daarom in redelijkheid uit zal gaan van het gemiddelde van de door de man (€ 650.000,-) en de door de vrouw (€ 750.000,-) gestelde waarde, te weten € 700.000,-. Rekening houdend met een hypotheekschuld van € 298.500,- gaat de rechtbank uit van een overwaarde van € 401.500,-. Partijen zijn het eens over het hanteren van een percentage van 2% over de helft van voornoemde overwaarde. Dit resulteert in een jaarlijkse gebruiksvergoeding van € 4.015,-, zijnde (afgerond) € 336,- per maand. De man heeft de door de vrouw verzochte wettelijke rente daarover niet betwist zodat deze zal worden toegewezen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit artikel 1:165 lid 1 BW volgt dat de gebruiksvergoeding ingaat op het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

- vordering hypotheekrente

De vrouw heeft vanaf de peildatum maandelijks een bedrag van € 323,- voldaan ten behoeve van de hypotheekrente. Omdat de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegekend heeft gekregen en de hypotheekrente als een gebruikerslast kwalificeert, heeft de vrouw meebetaald aan een last die volgens haar uitsluitend de man aangaat. Om deze reden heeft zij een vordering op de man.

De man voert hiertegen verweer en stelt dat beide partijen gehouden zijn de hypotheekrente te voldoen zolang zij beiden eigenaar van de echtelijke woning zijn.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Partijen zijn samen eigenaar van de echtelijke woning en zij zijn beiden hoofdelijk schuldenaar in het kader de hypothecaire geldlening. Zij moeten in hun onderlinge verhouding ieder bijdragen aan de aflossing van deze schuld en bijdragen aan de daaraan verbonden kosten, waaronder ook de hypotheekrente. Het betalen van de hypotheekrente betreft de voldoening aan een verplichting die beide partijen gezamenlijk richting Rabobank hebben. De rechtbank acht het in dit geval dan ook redelijk dat partijen, zolang zij samen eigenaar zijn van de woning, allebei de helft van de hypotheekrente dragen, mede in het licht van de hiervoor vastgestelde gebruiksvergoeding.

- splitsing hypothecaire geldlening

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de man moet worden toegedeeld. De vrouw heeft er echter wel bezwaar tegen dat de man de (volledige) hypothecaire geldlening en de daaraan verbonden gunstige voorwaarden meeneemt. Zij wil dan ook dat deze gesplitst wordt, in die zin dat ieder van partijen de helft van de geldlening en de daaraan verbonden gunstige voorwaarden meeneemt. De man is hiermee akkoord, mits hiertoe de mogelijkheid bestaat.

De rechtbank overweegt dat een hypothecaire schuld geen goed is dat door de rechtbank kan worden verdeeld, nu een eventuele splitsing verband houdt met de door de bank gestelde voorwaarden en aansprakelijkheden en de rechtbank geen wijzigingen kan aanbrengen in deze voorwaarden en aansprakelijkheden van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW. De rechtbank zal wel, gelet op de overeenstemming tussen partijen, bepalen dat de man meewerkt aan de splitsing van de hypothecaire geldleningen in twee leendelen in het geval Rabobank hiermee akkoord gaat.

Ad b.) de inboedel

Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel van de echtelijke woning. De inboedel zal aan de man worden toegedeeld, waarbij hij in het kader van overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 5.000,- dient te voldoen. De rechtbank zal aldus beslissen.

Ad c.) de bank- en spaarrekeningen

Door partijen zijn de volgende bank- en spaarrekeningen genoemd:

  • een bankrekening bij ING ([rekeningnummer 1]) op naam van partijen;
  • een Oranje Spaarrekening bij ING ([rekeningnummer 2]) op naam van partijen;
  • een Oranje Spaarrekening bij ING ([rekeningnummer 3]) op naam van partijen;
  • een bankrekening bij Bank of America ([rekeningnummer 4]) op naam van partijen;
  • een bankrekening bij Bank of America ([rekeningnummer 5]) op naam van partijen;
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 6]) op naam van de vrouw;
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 7]) op naam van de vrouw;
  • een spaarrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 8]) op naam van de vrouw;
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 9]) op naam van de man;
  • een NSKIV Visa Card op naam van de man.

Partijen zijn het erover eens dat zij de gezamenlijke rekeningen zullen opheffen, waarbij partijen het saldo van die rekeningen bij helfte zullen delen voordat de rekeningen worden opgeheven. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen. Ten aanzien van de overige bank- en spaarrekeningen (onder v. tot en met vii.) zijn partijen overeengekomen dat de saldi van die rekeningen op de peildatum (1 april 2025) bij helfte zullen worden gedeeld, waarbij ieder van partijen de bank- en spaarrekening zal voortzetten die op zijn of haar naam staat. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat partijen het op de zitting eens zijn geworden dat er op de peildatum geen saldo op de NSKIV Visa Card stond.

Ad d.) de voertuigen

Partijen zijn het er in ieder geval over eens dat de vrouw de Volkswagen met kenteken

[kenteken 1] krijgt toegedeeld en de man de Mazda met kenteken [kenteken 2] en de BMW-motor met kenteken [kenteken 3]. Hoewel partijen het in eerste instantie eens waren dat de man wegens overbedeling een bedrag van € 15.150 aan de vrouw moest voldoen, heeft de man zijn standpunt ten aanzien van de waarde van de Mazda gewijzigd. Volgens de man is de Mazda namelijk in waarde gedaald. De vrouw is het hier niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de eerdere overeenstemming tussen partijen.

De rechtbank vindt het niet redelijk om alleen aan de zijde van de man uit te gaan van een lagere waarde van de auto. Om deze reden zal de rechtbank het standpunt van de vrouw volgen en bepalen dat de vrouw de Volkswagen met kenteken [kenteken 1] krijgt toegedeeld en de man de Mazda met kenteken [kenteken 2] en de BMW-motor met kenteken [kenteken 3], waarbij de man wegens overbedeling een bedrag van € 15.150,- aan de vrouw dient te voldoen.

Ad e.) de nalatenschap van de vader van de man

De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van de nalatenschap van de vader van de man ingetrokken, zodat op dit verzoek niet meer hoeft te worden beslist.

Pensioen

De man heeft zijn verzoek ten aanzien van de conversie van het opgebouwde ouderdomspensioen ingetrokken, zodat op dit verzoek niet meer hoeft te worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2007 te [plaats];

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

*

bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn eenmaal per twee weken (in de oneven weken) van woensdagmiddag uit school tot de daarop volgende maandagochtend naar school;

*

bepaalt dat de vakanties als volgt tussen partijen zullen worden verdeeld, waarbij [minderjarige] tijdens:

- de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de man is en in de oneven jaren bij de vrouw;

- de meivakantie in de even jaren in de eerste week bij de vrouw is en de tweede week bij de man en in de oneven jaren andersom;

- de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw is en de tweede drie weken bij de man en in de oneven jaren andersom;

- de herfstvakantie in de even jaren bij de vrouw is en in de oneven jaren bij de man;

- de kerstvakantie in de even jaren de eerste week bij de man is en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom,

en waarbij geldt dat vakanties die één week duren, beginnen op vrijdagmiddag uit school en eindigen op maandagochtend voor school en waarbij voor de vakanties die meerdere weken duren hetzelfde geldt, met dien verstande dat de wisseling halverwege deze vakantie plaatsvindt op zondagmiddag 18:00 uur.

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 163,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt de verdeling ten aanzien van de ontbonden algehele gemeenschap, onder voorwaarde van inschrijving van de ontbindingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vast:

1. ten aanzien van de echtelijke woning te [adres], met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Rabobank en Opbouw Spaarrekeningen:

1. de woning wordt aan de man toegedeeld op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

  • de vrouw dient binnen een week na de datum van deze beschikking uit de in punt 14 van het verzoekschrift genoemde taxateurs/makelaars één taxateur/makelaar aan te wijzen. Als de vrouw niet (tijdig) tot het maken van een keuze overgaat, dan wijst de man één van deze taxateurs/makelaars aan;
  • de aangewezen taxateur/makelaar dient binnen vier weken na de aanwijzing in aanwezigheid van beide partijen de woning te [adres], te taxeren tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en deze taxatie zal tussen partijen gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW;
  • de kosten van de taxatie worden door beide partijen gedragen, ieder voor de helft;
  • de man dient de vrouw binnen drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport schriftelijk te berichten dat hij de overname van de woning kan financieren en dat de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
  • de man dient de hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;
  • de man dient de helft van de overwaarde van de woning (deze overwaarde bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning aan de man) aan de vrouw te vergoeden;
  • een eventuele onderwaarde dient door partijen, ieder voor de helft, gedragen te worden;
  • de levering van de woning aan de man dient binnen vier weken plaats te vinden nadat de man de vrouw (binnen de hiervoor gestelde termijn van drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport) heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;
  • de kosten van levering van de woning komen voor rekening van de man;

2.) in het geval de man niet binnen drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat hij de overname van de woning kan financieren en de vrouw wordt kan worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, de woning aan een derde wordt verkocht op de volgende wijze en volgende voorwaarden:

  • verkoop van de woning geschiedt binnen twee weken nadat de hiervoor gestelde termijn van drie maanden vanaf de datum van het taxatierapport is verstreken door middel van een opdracht aan de taxateur/makelaar die de bindende taxatie heeft verricht. Ieder van partijen is gehouden deze taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven;
  • als partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, dient de taxateur/makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs te bepalen;
  • partijen dienen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aan te gaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de taxateur/makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;
  • als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derde(n) met dien verstande dat de levering aan (een) derde(n) niet eerder zal plaatsvinden dan vier weken na het sluiten van de verkoopovereenkomst;
  • de hypothecaire geldlening dient bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht te worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;
  • de netto-verkoopopbrengst dient gelijkelijk tussen partijen te worden verdeeld, dan wel dient ieder van partijen de helft van de restschuld te dragen;
  • iedere partij dient bij overdracht aan (een) derde(n) de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

2. deelt de inboedel van de echtelijke woning toe aan de man, onder de verplichting een bedrag van € 5.000,- aan de vrouw te voldoen;

3. bepaalt ten aanzien van de bank- en spaarrekeningen dat:

  • partijen de saldi van de volgende bank- en spaarrekeningen per peildatum bij helfte dienen te delen, waarna ieder de op zijn/haar naam staande bank- en spaarrekeningen voortzet:
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 6]) op naam van de vrouw;
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 7]) op naam van de vrouw;
  • een spaarrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 8]) op naam van de vrouw;
  • een bankrekening bij Rabobank ([rekeningnummer 9]) op naam van de man;
  • een NSKIV Visa Card op naam van de man;
  • partijen de volgende gezamenlijke rekeningen zullen opheffen, waarbij de nog aanwezige saldi bij helfte worden gedeeld:
  • een bankrekening bij ING ([rekeningnummer 1]) op naam van partijen;
  • een Oranje Spaarrekening bij ING ([rekeningnummer 2]) op naam van partijen;
  • een Oranje Spaarrekening bij ING ([rekeningnummer 3]) op naam van partijen;
  • een bankrekening bij Bank of America ([rekeningnummer 4]) op naam van partijen;
  • een bankrekening bij Bank of America ([rekeningnummer 5]) op naam van partijen;

4. deelt de Volkswagen met kenteken [kenteken 1] aan de vrouw toe en de Mazda met kenteken [kenteken 2] en de BMW-motor met kenteken [kenteken 3] aan de man, onder de verplichting van de man een bedrag van € 15.150,- aan de vrouw te voldoen;

*

bepaalt dat – indien de hypothecaire geldleningen, nummers [nummer 1] en [nummer 2], bij de Rabobank bij helfte kunnen worden gesplitst in die zin dat de vrouw de helft van de leningen tegen de nu geldende rente(s) en voorwaarden kan overnemen – dat de man zijn medewerking hieraan dient te verlenen en dat – indien de man zijn medewerking niet verleent – deze beschikking zo nodig in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring/medewerking en/of handtekening van de man;

*

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [adres], en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding van € 336,- per maand moet betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking totdat de echtelijke woning is geleverd aan de man of aan een derde, te vermeerderen met de wettelijke rente over elke termijn van de dag waarop die opeisbaar is geworden tot aan de dag der voldoening;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.