Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31116Zaaknummer C/09/668249
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/668249
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij een doorzoeking door de politie op het adres van eiser zijn onder andere vier schilderijen, een Perzisch tapijt en een geldsom in beslag genomen. Eiser meent – samengevat - dat deze voorwerpen aan hem moeten worden afgegeven, omdat de beklagrechter heeft geoordeeld dat deze aan hem moeten worden teruggeven en hij als de beslagene en de rechthebbende van deze voorwerpen moet worden aangemerkt. Voorzover deze voorwerpen niet meer aan eiser kunnen worden teruggegeven, is de Staat volgens eiser aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de beklagrechter geen oordeel over de vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen inhoudt en daarom geen executoriale titel oplevert. Daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd in welk opzicht het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet aan zijn verplichting tot teruggave van de vier schilderijen en het Perzisch tapijt heeft voldaan. Met betrekking tot de geldsom is niet komen vast te staan dat deze onder eiser in beslag is genomen of dat hij daarvan eigenaar is. Tot slot is niet komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser bij de afwikkeling van de beslagen. De vorderingen van eiser worden afgewezen.
De rechtbank:
wijst de vorderingen van eiser af;
veroordeelt eiser in de proceskosten van de Staat, tot op heden begroot op € 4.944, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum waarop dit vonnis is gewezen. Als eiser niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet eiser € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/704192 / HA ZA 2026-422
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats],
eiser,
advocaat: mr. G. Debije te Roermond,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. M. Beekes te Den Haag.
Partijen worden hierna ‘eiser’ en ‘de Staat’ genoemd.
1 Samenvatting
Bij een doorzoeking door de politie op het adres van eiser zijn onder andere vier schilderijen, een Perzisch tapijt en een geldsom in beslag genomen. Eiser meent – samengevat - dat deze voorwerpen aan hem moeten worden afgegeven, omdat de beklagrechter heeft geoordeeld dat deze aan hem moeten worden teruggeven en hij als de beslagene en de rechthebbende van deze voorwerpen moet worden aangemerkt. Voorzover deze voorwerpen niet meer aan eiser kunnen worden teruggegeven, is de Staat volgens eiser aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade.
De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de beklagrechter geen oordeel over de vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen inhoudt en daarom geen executoriale titel oplevert. Daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd in welk opzicht het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet aan zijn verplichting tot teruggave van de vier schilderijen en het Perzisch tapijt heeft voldaan. Met betrekking tot de geldsom is niet komen vast te staan dat deze onder eiser in beslag is genomen of dat hij daarvan eigenaar is. Tot slot is niet komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser bij de afwikkeling van de beslagen. De vorderingen van eiser worden afgewezen.
2 De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 22 april 2026 met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11;
- de akte vermeerdering van eis.
Op 9 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
3 De feiten
Op 31 juli 2018 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van eiser in het kader van een strafrechtelijk onderzoek waarin hij verdachte was. Bij deze doorzoeking is ook de zoon van eiser op het adres van eiser aangetroffen. De zoon van eiser is tijdens de doorzoeking aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.
Tijdens de doorzoeking zijn verschillende voorwerpen in beslag genomen. De politie heeft een kennisgeving inbeslagneming opgesteld met betrekking tot vier schilderijen en een Perzisch tapijt (registratienummer PL2300-2018072990-64). Eiser is op deze kennisgeving van inbeslagname als beslagene vermeld. Daarnaast heeft de politie twee kennisgevingen van inbeslagneming opgesteld met betrekking tot respectievelijk 316 geldbiljetten met een totale waarde van € 8.960,- (registratienummer PL2300-2018072990-23) en 237 geldbiljetten met een totale waarde van € 11.800,- (= € 5.000,- + € 5.000,- + € 1.750,- + € 50,-) (registratienummer PL2300-2018072990-28). Op deze kennisgevingen van inbeslagname is telkens de zoon van eiser als beslagene vermeld. In totaal is een bedrag van € 20.760,- in beslag genomen (hierna ‘de geldsom’).
Naar aanleiding van de doorzoeking is door de politie een ‘Lijst inbeslaggenomen goederen’, gedateerd 2 augustus 2018, opgesteld, waarop eiser als de beslagene is aangeduid en waarop als beslagen voorwerpen zijn vermeld: geld in zwarte doos (€ 8.960,-), bundel geld (€ 5.000,-), bundel geld (€ 5.000,-), bundel geld (€ 1.750,-), bundel geld (€ 50,-), GSM Alcatel kleur wit, Apple Ipad zilver, tas met henneptoppen (0,521 kg), 12 gram amfetamine, Perzisch tapijt, vier schilderijen (ingepakt).
De strafzaak tegen de zoon van eiser is op 27 februari 2020 geëindigd met een
vrijspraak.
Bij brief van 10 november 2020 heeft de officier van justitie de strafzaak tegen eiser geseponeerd.
Eiser heeft op 2 februari 2021 een klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend bij de rechtbank Limburg. Bij beschikking van 6 april 2021 heeft de raadkamer van de rechtbank Limburg het beklag van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft de beklagrechter – voor zover relevant – het volgende overwogen:
“(…)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- 4 schilderijen;
- Perzisch tapijt.
Het beklag strekt tot opheffing van het conservatoir beslag en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- Geld in zwarte doos (€ 8.960,00);
- Bundel geld (€ 5.000,00);
- Bundel geld (€ 5.000,00);
- Bundel geld (€ 1.750,00);
- Bundel geld (€ 50,00).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich niet tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager.
Ten aanzien van de schilderijen en het Perzisch tapijt is op 2 november 2020 beslist tot teruggave aan de klager. Op 3 november 2020 is door de Domeinen Roerende Zaken de teruggave in gang gezet en is er een brief gestuurd aan de klager, maar deze zijn nog niet opgehaald door de klager.
Ten aanzien van de geldbedragen is op 3 november 2020 opdracht gegeven aan het LBA om het conservatoir beslag op de gelden op te heffen. Nu het beslag in het systeem is dichtgeboekt gaat de officier van justitie ervan uit dat het geld inmiddels aan de klager is teruggegeven. Zij kan niet zien wanneer en op welke rekeningen de gelden zijn teruggestort.
Het klaagschrift kan gegrond worden verklaard.
Beoordeling
(…)
In het systeem van de wet ligt besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechtbank, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. Het staat de rechtbank dan niet vrij bij de beoordeling van het klaagschrift te treden in de vraag of zodanig belang aan de teruggave in de weg staat. Nu de officier van justitie zich in raadkamer op het standpunt heeft gesteld dat het belang van strafvordering zich niet (meer) tegen de gevraagde teruggave verzet, gaat de rechtbank er dan ook van uit dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet (meer) vordert.
De rechtbank zal het beklag dan ook gegrond verklaren en een daarmee overeenkomende last geven.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag gegrond;
- gelast de teruggave aan de klager van:
- 4 schilderijen;
- Perzisch tapijt;
- heft op het conservatoir beslag ten aanzien van en gelast de teruggave aan de klager van:
- Geld in zwarte doos (€ 8.960,00);
- Bundel geld (€ 5.000,00);
- Bundel geld (€ 5.000,00);
- Bundel geld (€ 1.750,00);
- Bundel geld (€ 50,00).
(…)”
Eiser heeft de beschikking van de rechtbank Limburg van 6 april 2021 aan de Staat laten betekenen.
4 Het geschil
Eiser vordert - na vermeerdering van eis - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Limburg van 6 april 2021, waarbij de teruggave aan eiser is gelast van de geldsom van € 20.760,-, de vier schilderijen en het Perzisch tapijt, een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing is;
II. de Staat veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan eiser terug te geven: (a) de vier in de beschikking genoemde schilderijen; (b) het in de beschikking genoemde Perzische tapijt, en (c) de geldsom van € 20.760,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 8 mei 2024, althans vanaf 16 mei 2024, althans vanaf 22 april 2026, tot aan de dag van volledige betaling;
III. een dwangsom vaststelt voor zover de Staat niet voldoet aan het onder II onder a en b genoemde veroordeling van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de Staat niet tot volledige teruggave van die voorwerpen overgaat met een maximum van € 250.000,-;
IV. voor zover teruggave van één of meer van de onder II genoemde voorwerpen of van de geldsom niet meer mogelijk blijkt: voor recht verklaart dat de Staat door het uitblijven en/of onmogelijk maken van die teruggave onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade; de Staat veroordeelt tot vergoeding van alle daardoor door eiser geleden en nog te lijden schade, waaronder de waarde van hetgeen niet wordt teruggegeven, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; de Staat veroordeelt tot vergoeding van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW voor iedere bij staat vast te stellen schadepost vanaf het moment waarop die schadepost is ontstaan, althans vanaf 8 mei 2024, tot aan de dag van volledige betaling;
V. de Staat veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving daartoe.
Eiser heeft – samengevat – aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de rechtbank Limburg bij beslissing van 6 april 2021 heeft gelast dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan eiser moeten worden teruggegeven, dat op de Staat een verplichting tot afgifte van deze voorwerpen aan eiser rust en dat de Staat onrechtmatig handelt door geen uitvoering te geven aan deze verplichting.
De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eiser, met veroordeling van eiser in de proceskosten. De Staat heeft betwist dat de beslissing van 6 april 2021 een executoriale titel oplevert. Verder heeft de Staat - samengevat - aangevoerd dat de vier schilderijen en het Perzisch tapijt al aan eiser zijn teruggegeven, althans dat hij de gelegenheid heeft gehad die voorwerpen op te halen. De geldsom is niet onder eiser in beslag genomen, maar onder zijn zoon. Deze geldsom is na de vrijspraak van de zoon van eiser aan hem teruggegeven, althans verrekend met een vordering die de Staat op hem had. De Staat heeft verder toegelicht dat deze geldsom na de inbeslagname op de beslaglijst van eiser terecht is gekomen en vervolgens abusievelijk in de administratie van het OM is verwerkt als een conservatoir beslag onder eiser, waardoor de officier van justitie zich ter zitting van de beklagrechter niet bewust was van het feit dat eiser niet de daadwerkelijke beslagene was en zich niet tegen teruggave van de beslagen goederen aan eiser heeft verzet. Daardoor heeft de beklagrechter de teruggave van de geldsom aan eiser gelast, terwijl eiser ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag niet als beslagene heeft te gelden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Het juridisch kader
Op grond van artikel 94 lid 1 Sv zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, vatbaar voor inbeslagneming. Op grond van artikel 94 lid 3 Sv wordt van de inbeslagneming van een voorwerp door de opsporingsambtenaar een kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt.
Op grond van artikel 94a lid 1 Sv kunnen voorwerpen, in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete (strafvorderlijk conservatoir beslag).
Op grond van artikel 94c, aanhef en onder d, Sv kan strafvorderlijk conservatoir beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn, naast op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorgeschreven wijze, worden gelegd door het opmaken van een proces-verbaal van inbeslagneming door een opsporingsambtenaar en het afgeven van een bewijs van ontvangst aan degene bij wie de voorwerpen in beslag zijn genomen.
Op grond van artikel 552a lid 1 en 3 Sv kunnen belanghebbenden zich schriftelijk beklagen over onder andere inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave bij het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd. Het onderzoek naar aanleiding van een dergelijk klaagschrift draagt een summier karakter, waarbij de beklagrechter niet vooruitloopt op het oordeel van de strafrechter in de hoofd- en ontnemingsprocedure en geen finaal oordeel geeft over civielrechtelijke rechtsverhoudingen.[_c0b81438-8a76-4f77-ace3-e993924bc81e] Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het op grond van artikel 552a lid 10 Sv de daarmee overeenkomende last.
Op grond van artikel 11 lid 3 van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen (hierna: ‘het Besluit’) houdt de bewaarder het voorwerp waarvan teruggave is gelast, ter beschikking van de rechthebbende, totdat deze daarop aanspraak maakt, doch niet langer dan drie maanden nadat de opdracht tot teruggave is verkregen. Op grond van artikel 12 van het Besluit zijn de bewaarders na het verstrijken van deze termijn bevoegd met betrekking tot voorwerpen, ten aanzien waarvan het niet mogelijk is gebleken de last tot teruggave uit te voeren omdat de rechthebbende geen aanspraak heeft gemaakt op afgifte, te handelen op dezelfde wijze als met betrekking tot verbeurd verklaarde voorwerpen.
Is de beslissing van de rechtbank Limburg van 6 april 2021 een voor tenuitvoerlegging vatbare beschikking?
Eiser heeft in de eerste plaats betoogd dat de beslissing van de rechtbank Limburg van 6 april 2021 een executoriale titel oplevert. Nu eiser deze beschikking aan de Staat heeft laten betekenen, kan deze volgens eiser jegens de Staat ten uitvoer worden gelegd.
De rechtbank stelt voorop dat de grossen van in Nederland gewezen vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse rechter en van in Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken op grond van artikel 430 lid 1 Rv ten uitvoer kunnen worden gelegd.
De rechtbank overweegt dat de beslissing van 6 april 2021 niet kan worden aangemerkt als een voor tenuitvoerlegging vatbare beschikking als bedoeld in artikel 430 lid 1 Rv. De beslissing van de beklagrechter betreft een ordemaatregel ten aanzien van (strafvorderlijk) inbeslaggenomen goederen, die wordt genomen voordat de strafrechter ten gronde een beslissing neemt over wat er met beslagen goederen moet gebeuren. De beklagrechter geeft geen oordeel over civielrechtelijke rechtsverhoudingen. Hoewel het OM in beginsel wel gehouden is een beslissing van de beklagrechter uit te voeren, leent een dergelijke beslissing zich niet voor tenuitvoerlegging tegenover de Staat. In artikel 552a Sv is ook niet bepaald dat een rechterlijke beslissing op grond van dat artikel een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing is. Artikel 366b Sv bepaalt ten aanzien van een vonnis of arrest waarin is beslist op een vordering benadeelde partij bijvoorbeeld wel expliciet dat een dergelijke beslissing ten uitvoer kan worden gelegd op de wijze die is bepaald voor vonnissen in burgerlijke zaken.
De door eiser gevorderde verklaring voor recht dat de beslissing van de rechtbank Limburg van 6 april 2021 een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing betreft, zal worden afgewezen.
Is de Staat verplicht tot afgifte van de inbeslaggenomen voorwerpen aan eiser?
Eiser heeft aan zijn vordering tot afgifte van de vier schilderijen, het Perzisch tapijt en de geldsom – samengevat – ten grondslag gelegd (i) dat de beklagrechter heeft gelast dat deze voorwerpen aan hem moeten worden teruggegeven en daarmee bindend de rechtsverhouding tussen partijen heeft vastgesteld, (ii) dat eiser als de beslagene van deze voorwerpen moet worden aangemerkt en dat deze voorwerpen daarom aan hem teruggegeven moeten worden en (iii) dat hij de eigenaar van deze voorwerpen is.
Zoals hiervoor is overwogen, geeft de beklagrechter geen oordeel over civielrechtelijke rechtsverhoudingen. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat de beklagrechter bindend de rechtsverhouding tussen partijen heeft vastgesteld. Uit het gegeven dat de beklagrechter in het kader van de strafvervolging heeft gelast dat de schilderijen, het Perzisch tapijt en de geldsom aan eiser worden teruggegeven, kan aldus niet worden geconcludeerd dat eiser jegens de Staat een vermogensrechtelijke aanspraak op deze voorwerpen heeft. Het is in deze civiele procedure aan eiser om per voorwerp te stellen en te onderbouwen dat een dergelijke vermogensrechtelijke aanspraak bestaat.
Met betrekking tot de schilderijen en het Perzisch tapijt is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere onderbouwing van eiser – die ontbreekt – niet valt in te zien in welk opzicht de Staat niet aan de door eiser gestelde verplichting tot teruggave heeft voldaan. Daarvoor is van belang dat de Staat heeft gesteld dat het OM eiser bij brief van 3 november 2020 heeft uitgenodigd om deze voorwerpen op te komen halen bij de bewaarder, waarbij eiser erop is gewezen dat deze onherroepelijk aan de Staat vervallen indien eiser dit niet binnen drie maanden doet. Eiser heeft de ontvangst van deze brief betwist, maar heeft de stelling van de Staat dat deze is verzonden naar het adres waarop hij in de Gemeentelijke Basis Administratie (hierna: GBA) staat ingeschreven niet gemotiveerd bestreden. De rechtbank zal daarom van ontvangst van de brief door eiser uitgaan. Dat eiser feitelijk op een ander adres zou wonen, maakt dit niet anders. Het is zijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat hij de post die op zijn GBA-adres wordt bezorgd leest. Aangezien eiser de schilderijen en het tapijt niet binnen drie maanden heeft opgehaald, mocht de bewaarder deze voorwerpen op grond van artikel 11 lid 3 jo artikel 12 van het Besluit behandelen als ware zij verbeurd verklaard. De Staat heeft verder toegelicht dat de schilderijen zijn vernietigd en dat het tapijt is verkocht. Hoewel de schilderijen en het tapijt niet daadwerkelijk zijn teruggegeven aan eiser, heeft de Staat zich in dat verband wel aan de geldende regels gehouden en eiser in de gelegenheid gesteld de voorwerpen op te halen. De vordering tot teruggave van deze voorwerpen zal om die reden worden afgewezen. Daarnaast geldt dat teruggave als gevolg van de vernietiging of verkoop van de voowerpen feitelijk onmogelijk is, hetgeen eveneens aan toewijzing van de vordering in de weg staat.
De rechtbank is met betrekking tot de geldsom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser als de beslagene moet worden aangemerkt en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank overweegt dat in de kennisgeving van inbeslagneming niet eiser, maar zijn zoon, als de beslagene van de geldsom is aangeduid. Dit sluit aan bij het proces-verbaal van bevindingen (PL2300-2018116014-4) en het proces-verbaal van verdenking van de zoon van eiser (PL2300-2018116014-22). Uit deze processen-verbaal blijkt – samengevat – dat tijdens de doorzoeking in eerste instantie op het adres van eiser zou worden gezocht naar schilderijen die van diefstal afkomstig zouden zijn en een vuurwapen. Tijdens deze doorzoeking bleek ook de zoon van eiser op het adres aanwezig te zijn en zijn de geldsom en, in onder andere een auto waarvan hij de sleutel op zak had, een partij hennep aangetroffen, waarbij het vermoeden bestond dat deze met elkaar verband hielden. De zoon van eiser is op basis daarvan aangehouden vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet. Niet alleen uit de kennisgeving van inbeslagneming, maar ook uit het proces-verbaal van verdenking jegens de zoon van eiser, blijkt dat de geldsom en een partij hennep onder de zoon van eiser in beslag zijn genomen. De rechtbank concludeert dat er ten tijde van de inbeslagneming geen twijfel kon bestaan over het feit dat de geldsom onder de zoon van eiser in beslag werd genomen.
Eiser heeft erop gewezen dat op een beslaglijst is vermeld dat hij als beslagene moet worden aangemerkt en dat het beslag door het OM in een later stadium administratief als een conservatoir beslag onder hem is aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat dit inderdaad het geval is. Dat is slordig, maar maakt echter niet dat eiser juridisch als beslagene van de geldsom moet worden aangemerkt. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat het beslag op de geldsom, voorzover deze onder de zoon van eiser in beslag is genomen, op enig moment is omgezet in een conservatoir beslag in de strafzaak van eiser en dat eiser op die grond als beslagene moet worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat er geen aangepaste of nieuwe kennisgeving van inbeslagneming als bedoeld in artikel 94 lid 3 Sv of een proces-verbaal van inbeslagneming als bedoeld in artikel 94c onder d Sv is opgemaakt waarin eiser als de nieuwe beslagene van de geldsom is aangemerkt.
Aangezien eiser niet als beslagene van de geldsom kan worden aangemerkt, is de Staat niet verplicht de geldsom aan hem af te geven. Eiser heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij eigenaar van de geldsom is. Hij heeft deze stelling niet onderbouwd en de stukken uit het strafdossier bieden daarvoor evenmin ondersteuning. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat eiser eigenaar van de geldsom is. De gevorderde afgifte van de geldsom zal dan ook worden afgewezen.
Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens eiser?
Eiser stelt dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat (i) het OM geen uitvoering heeft gegeven aan de beslissing van de rechtbank Limburg van 6 april 2021 en (ii) het OM de inbeslaggenomen voorwerpen – in strijd met de toepasselijke strafvorderlijke normen - aan een ander dan eiser heeft afgegeven.
De rechtbank is van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser door geen uitvoering te geven aan de beslissing van de beklagrechter. Daarvoor is van belang dat de Staat voldoende gemotiveerd uiteen heeft gezet dat de beslagen op de schilderijen, het tapijt en de geldsom reeds waren geëindigd op het moment dat eiser zijn klaagschrift indiende. Hiervoor is in randnummer 5.12 vastgesteld dat ten aanzien van de schilderijen en het tapijt een last tot teruggave is gegeven. Op grond van artikel 134 lid 2 Sv is het beslag op deze voorwerpen daarmee geëindigd. De Staat heeft aangevoerd dat de geldsom na de vrijspraak van de zoon van eiser in oktober 2020 aan de zoon van eiser is teruggegeven (deels door verrekening met een vordering van de Staat op de zoon van eiser). Daarmee is ook het beslag op de geldsom geëindigd. De officier van justitie heeft de beklagrechter op dit punt onjuist geïnformeerd, waardoor de beklagrechter de teruggave van de beslagen voorwerpen en geldsom aan eiser heeft gelast. Indien de beklagrechter juist zou zijn geïnformeerd en bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat het beslag was geëindigd, zou het beklag van eiser niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Eiser meent dat zelfs indien de beslissing van de beklagrechter op onjuiste gronden is gebaseerd de Staat nog steeds gehouden is de inbeslaggenomen goederen aan eiser terug te geven, omdat met de beslissing van de beklagrechter met bindende kracht tussen eiser en de Staat is vastgesteld dat eiser de beslagene was. Daarmee miskent hij de aard van de beklagprocedure uit artikel 552a Sv. Hiervoor in randnummer 5.4 en 5.8 heeft de rechtbank reeds overwogen dat het onderzoek van de beklagrechter naar aanleiding van een beklagklaagschrift een summier karakter draagt en een last tot teruggave door de beklagrechter een strafvorderlijke ordemaatregel is. In de gegeven omstandigheden – waarin onvoldoende is weersproken is dat de beklagrechter onjuist is geïnformeerd over de status van het beslag – kan niet worden gezegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door geen gevolg te geven aan de beslissing van de beklagrechter. Daarbij komt dat de vraag of eiser wel als beslagene van de geldsom kan worden aangemerkt, bij de beklagrechter niet aan de orde is gesteld. De beklagrechter heeft daarop dan ook niet beslist.
Het beroep van eiser op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wordt verworpen. De beschikking van de beklagrechter is geen ‘final, binding judicial decision’ in de zin van het de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarnaar eiser verwijst.
Het verwijt dat de Staat de inbeslaggenomen geldsom in strijd met de strafvorderlijke normen aan een ander dan eiser heeft afgegeven, gaat niet op. Hiervoor is vastgesteld dat de zoon van eiser als beslagene moet worden aangemerkt. De geldsom is dan ook terecht aan de zoon van eiser afgegeven.
De door eiser gevorderde verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en de doorverwijzing naar de schadestaatprocedure, zullen worden afgewezen.
Proceskosten
Eiser is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 3.083
- salaris advocaat € 1.672 (2 punten x tarief III ad € 836)
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.944
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van eiser af;
veroordeelt eiser in de proceskosten van de Staat, tot op heden begroot op € 4.944, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum waarop dit vonnis is gewezen. Als eiser niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet eiser € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
Voetnoten
- Arrest van de Hoge Raad van 28 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL2821), rov. 2.2 en 2.13.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 552a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:119 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 94 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 94a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 94c Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 11 B.inbesl.voorw. meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 430 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 366b Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 134 Sv meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.