Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31079Zaaknummer C/09/701458

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/701458
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid (vermeende) beroepsfouten advocaat. Gedeeltelijk geen causaal verband tussen de gestelde schade en de (vermeende) beroepsfouten. Gedeeltelijk is de mogelijkheid van de gestelde schade niet aannemelijk.

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.3.

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 6.2 genoemde proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Waar gaat deze zaak over?
  2. 2 De procedure
  3. 3 De feiten
  4. 4 Het geschil
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaak-/rolnummer: C/09/701458 / HA ZA 26-264

Vonnis van 21 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats],

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. O. Arslan,

tegen

[gedaagde] te geheim adres,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. L.C. Dufour.

1 Waar gaat deze zaak over?

[gedaagde] is advocaat en heeft [eiser] bijgestaan in een zaak op het gebied van letselschade. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] daarbij verschillende beroepsfouten gemaakt, waarvoor hij aansprakelijk is en schadevergoeding moet betalen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Voor een deel van de gestelde schade bestaat namelijk geen causaal verband met de (vermeende) beroepsfouten van [gedaagde] en voor een ander deel is de mogelijkheid van de schade niet aannemelijk.

2 De procedure

2.1.

Het procesdossier bestaat uit het vonnis in incident van 22 juli 2026 en de daarin genoemde stukken.

2.2.

Op 7 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

3 De feiten

3.1.

Op 6 september 2014 gleed [eiser] in een bocht omver met zijn motor. Enkele weken later, op 27 september 2014, is hij, rijdend op zijn scooter, aangereden door een auto. De verzekeraar van de automobilist, destijds Delta Lloyd, heeft de aansprakelijkheid erkend voor de aanrijding en de gevolgen daarvan.

3.2.

[gedaagde] heeft de belangen van [eiser] behartigd in het kader van de letselschadeafwikkeling. Hiervoor heeft [gedaagde] onder meer twee medisch-inhoudelijke adviezen verzocht. Hierin werd geconcludeerd dat [eiser] als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen aan zijn rechter grote teen. Het medisch causale verband tussen het ongeval en de overige klachten van [eiser], waaronder urineretentie, buikpijn en posttraumatische stressstoornis (PTSS), kon niet worden vastgesteld.

3.3.

Delta Lloyd heeft voor de schade aan de grote teen van [eiser] € 18.300 aan voorschotten uitgekeerd, maar betwistte het causale verband tussen de overige klachten van [eiser] en de aanrijding op 27 september 2014.

3.4.

[gedaagde] heeft namens [eiser] op 12 februari 2018 een dagvaarding uitgebracht en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat Delta Lloyd aansprakelijk is voor de schade ten bedrage van € 80.000,-, met veroordeling van Delta Lloyd in de proceskosten, waaronder de kosten van buitengerechtelijke werkzaamheden.

3.5.

Direct na de mondelinge behandeling bij de rechtbank Amsterdam op 4 oktober 2018 heeft [eiser] afscheid genomen van [gedaagde] als zijn advocaat.

3.6.

Op 21 november 2018 heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in de zaak van [eiser] tegen Delta Lloyd en de vordering tot betaling van € 80.000 afgewezen.

3.7.

Na het vonnis heeft [eiser] mr. Arslan (hierna: Arslan) ingeschakeld als zijn nieuwe advocaat. Zij hebben vervolgens besloten om geen hoger beroep in te stellen tegen deze beslissing.

3.8.

Arslan heeft getracht de minnelijke schaderegeling met Delta Lloyd te hervatten om alsnog duidelijkheid te verkrijgen over de medische causaliteit, maar Delta Lloyd beschouwde het dossier als gesloten (omdat de rechter uitspraak had gedaan en geen hoger beroep was ingesteld) en wilde niet meer uitkeren.

3.9.

Op 12 oktober 2019 heeft [eiser] zich tot [gedaagde] gewend en hem aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade.

3.10.

Bij verzoekschrift ingediend op 17 juni 2020 heeft [eiser] een deelgeschil aanhangig gemaakt. Het verzoek was een verklaring voor recht dat het vonnis van 21 november 2018 geen gezag van gewijsde toekomt met betrekking tot de urologische problematiek van [eiser]. Op 5 november 2020 heeft rechtbank Amsterdam dit verzoek afgewezen en onder meer overwogen dat de rechtbank in het vonnis van 21 november 2018 een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de urologische problemen van [eiser] en dat aan de beslissing van de rechtbank bindende kracht toekomt tussen partijen, zodat daarop niet meer kan worden teruggekomen.[_b07beb42-6bb7-4ad1-bb70-942d2fb32d14]

3.11.

Op 31 mei 2021 heeft [eiser] een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken). De klacht van [eiser] houdt in dat [gedaagde] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij [eiser]’s zaak in behandeling heeft genomen zonder dat hij beschikt over de nodige kennis en ervaring om letselschadezaken te behandelen. De wijze waarop [gedaagde] de procedure heeft gevoerd spreekt in dat kader volgens [eiser] boekdelen. Bovendien heeft [gedaagde] zelf, na aansprakelijkstelling, zich op het standpunt gesteld dat de procedure bij voorbaat kansloos was. [eiser] betwist dat er met hem is gesproken over de mogelijkheden van een deelgeschil, een voorlopig deskundigenbericht en een bodemprocedure en verwijt [gedaagde] dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gemaakte fouten.

3.12.

Op 11 maart 2022 heeft de deken voorlopig geoordeeld dat de klacht van [eiser] gegrond is. Hierna heeft [eiser] de klacht voorgelegd aan de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad).

3.13.

Op 28 november 2022 heeft de raad de klachten van [eiser] gedeeltelijk gegrond verklaard. Hiertoe overweegt de raad, voor zover relevant, dat schriftelijke vastlegging van gemaakte afspraken en van uitleg over kansen en risico’s ontbreekt en dat dit voor rekening en risico van [gedaagde] komt. Het voeren van een bodemprocedure was volgens de raad niet bij voorbaat kansloos, waarmee de keuze om een bodemprocedure te voeren niet verkeerd of klachtwaardig is. Wel is de raad van oordeel dat de wijze waarop [gedaagde] de procedure heeft gevoerd niet voldoet aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt en dat [gedaagde] ondermaats heeft geprocedeerd. De klacht is in zoverre gegrond verklaard. Verder oordeelt de raad dat niet op basis van één dossier kan worden vastgesteld dat [gedaagde] in zijn algemeenheid onvoldoende deskundig en bekwaam zou zijn om letselschadezaken te behandelen. De raad heeft een berisping passend en geboden geacht.

3.14.

[eiser] is tegen deze beslissing van de raad in hoger beroep gegaan. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) heeft op 5 februari 2024 geoordeeld dat het zich aansluit bij de beoordeling van de raad en die overneemt.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met [eiser], dan wel onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, door in en rondom de bodemprocedure te handelen in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat onder de gegeven omstandigheden mag worden verwacht, en dientengevolge aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden dan wel nog zal lijden;

II. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van het voornoemde onzorgvuldig handelen geleden dan wel nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de dag dat de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening; en

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

4.2.

[eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] verschillende beroepsfouten heeft gemaakt waardoor hij de op hem rustende zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Hierdoor is sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, dan wel van onrechtmatig handelen jegens [eiser]. De beroepsfouten bestaan volgens [eiser] uit (1) de wijze van procederen, (2) [eiser] blootstellen aan onnodige risico’s door een bodemprocedure te starten terwijl de medische causaliteit ontbrak, (3) [eiser] niet informeren en adviseren over het instellen van een rechtsmiddel en (4) de zaak aannemen zonder vereiste specialisatie. Deze beroepsfouten hebben volgens [eiser] geleid tot de volgende schade: (i) het verlies van de kans om via medische expertise vast te stellen of de overige klachten van eiser in causaal verband staan met het ongeval, en op basis daarvan een hogere schadevergoeding te verkrijgen, (ii) het verlies van de mogelijkheid om de volledige letselschade via de verzekeraar vergoed te krijgen, nu de verzekeraar het dossier als gesloten beschouwd als gevolg van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, (iii) de kosten die [eiser] heeft moeten maken en nog zal moeten maken voor juridische bijstand en medisch onderzoek voor eigen rekening, en (iv) de verminderde onderhandelingspositie ten opzichte van de verzekeraar, nu het vonnis als ‘fait accompli’ – oftewel als voldongen feit - wordt ingezet.

4.3.

[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de daadwerkelijke proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.

4.4.

[gedaagde] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [eiser] de klachtplicht heeft geschonden. [gedaagde] betwist de beroepsfouten en de schade en het bestaan van enig causaal verband daartussen. [gedaagde] stelt bovendien dat de eventuele schade die [eiser] lijdt zijn eigen schuld is, aangezien hij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam, terwijl in hoger beroep de vermeende fouten van [gedaagde] rechtgezet hadden kunnen worden.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank oordeelt ten aanzien van schadeposten (i), (ii) en (iv) dat geen causaal verband bestaat met de gestelde beroepsfouten en ten aanzien van schadepost (iii) dat de mogelijkheid van de gestelde schade niet aannemelijk is. De rechtbank legt dit uit.

Geen causaal verband

5.2.

De kans om via medische expertise vast te stellen of de overige klachten van eiser in causaal verband staan met het ongeval, en op basis daarvan een hogere schadevergoeding te verkrijgen (schadepost (i)), bestond ook nog na de vermeende beroepsfouten van [gedaagde]. Er stond op dat moment namelijk nog hoger beroep open en in hoger beroep had de zaak in zijn geheel opnieuw beoordeeld kunnen worden. Ook had in hoger beroep verzocht kunnen worden om de gewenste deskundigen te benoemen om de medische causaliteit vast te stellen. Dat dit niet is gebeurd, is niet te wijten aan enig handelen aan de zijde van [gedaagde]. [eiser] heeft er namelijk zelf voor gekozen geen hoger beroep in te stellen. [eiser] heeft die keuze bovendien welbewust en in samenspraak met zijn nieuwe advocaat mr. Arslan gemaakt. De kans om het medisch causale verband vast te stellen en om op basis daarvan een hogere schadevergoeding te verkrijgen is dus niet verloren gegaan door de (vermeende) beroepsfouten van [gedaagde].

5.3.

Hetzelfde geldt voor het gestelde verlies van de mogelijkheid om de volledige letselschade via de verzekeraar vergoed te krijgen omdat de verzekeraar het dossier als gesloten beschouwt als gevolg van het verloren vonnis. De verzekeraar beschouwde het dossier als gesloten als gevolg van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, omdat geen hoger beroep was ingesteld. Nadat [gedaagde] niet meer als advocaat betrokken was bij de letselschadezaak was die mogelijkheid er nog steeds. Deze mogelijkheid is pas verloren gegaan op het moment dat de beroepstermijn verliep. Zoals overwogen is dit echter niet te wijten aan enig handelen van [gedaagde]. De schade zoals genoemd onder (ii) staat daarom ook niet in causaal verband met het handelen van [gedaagde].

5.4.

Wat betreft de verminderde onderhandelingspositie ten opzichte van de verzekeraar nu het vonnis als voldongen feit wordt gezien (schadepost (iv)), geldt eveneens dat dit komt omdat er geen hoger beroep is ingesteld. Ook dit is dus niet te wijten aan enig handelen van [gedaagde]. Nadat hij niet meer betrokken was als de advocaat van [eiser] (en de vermeende beroepsfouten al waren gemaakt) kon de verzekeraar het vonnis namelijk nog niet als voldongen feit zien, aangezien dat nog niet in kracht van gewijsde was gegaan. Ook voor deze schade geldt dus dat er geen causaal verband is vast te stellen.

Schade niet aannemelijk

5.5.

Nu [eiser] niet in hoger beroep is gegaan, is het oordeel van rechtbank Amsterdam over de medische causaliteit van zowel de grote teen, als de urologische problematiek en de PTSS in kracht van gewijsde gegaan. Dit betekent, zoals Rechtbank Amsterdam ook in de deelgeschilbeschikking heeft uitgelegd, dat aan de beslissing bindende kracht toekomt tussen partijen en dat daarop niet meer kan worden teruggekomen. Daarom is niet in te zien waaruit de kosten zouden bestaan die [eiser] heeft moeten maken en nog moet maken voor enig medisch onderzoek, nu dit in de relatie tot de verzekeraar nergens meer toe kan leiden. [eiser] heeft dit ook niet nader onderbouwd. Ook de gemaakte en nog te maken juridische kosten zijn niet onderbouwd. Bovendien staat tussen partijen vast dat [gedaagde] de kosten van de door hem gevoerde bodemprocedure op zich heeft genomen. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat de mogelijkheid van schade zoals genoemd onder schadepost (iii) niet aannemelijk is, waardoor een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet aan de orde is.

Conclusie

5.6.

Bovenstaande betekent dat de gestelde tekortkoming dan wel onrechtmatigheid die de beroepsfouten zou opleveren geen beoordeling behoeft en dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

Proceskosten

5.7.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft vergoeding van zijn daadwerkelijke proceskosten gevraagd. Alleen in buitengewone omstandigheden kan een partij, in afwijking van de proceskostenregeling van de artikelen 237-240 Rv, worden veroordeeld om de volledige proceskosten van de wederpartij te vergoeden. Daarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.[_f304693e-35d7-4136-a591-9b41187293ce] Een dergelijke situatie is in deze zaak niet aan de orde. Dat [eiser] volgens [gedaagde] aan een ander adres moet zijn voor zijn vorderingen is niet aan te merken als misbruik van procesrecht of een onrechtmatige daad. Dit geldt ook voor het laten verstrijken van 3 jaren alvorens een vordering in te stellen. De proceskosten worden begroot conform het gebruikelijke liquidatietarief.

5.8.

De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht€341,00
- salaris advocaat€1.306,00(2 punten × € 653,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.836,00
5.9.

De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.3.

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 6.2 genoemde proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Zie Rechtbank Amsterdam 5 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6050.
  2. Zie o.a. Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.