Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 21 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30992Zaaknummer C/09/711138 / FA RK 26-8504

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 september 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/711138 / FA RK 26-8504
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Scheiding met nevenvoorzieningen

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2020 te [plaats];

*

bepaalt met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap het volgende:

  • de man zal met ingang van heden de huurder zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres];
  • de vrouw zal de bank- en spaarrekeningen op haar naam voortzetten en de man de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, een en ander zonder nadere verrekening van de saldi op de peildatum;
  • de inboedel wordt zonder nadere verrekening bij helfte verdeeld, waarbij aan de vrouw worden toegedeeld de in de aangehechte inboedellijst opgenomen goederen;

*

bepaalt dat partijen in de onderlinge verhouding ieder draagplichtig zijn voor de op de eigen naam staande schulden;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Scheiding met nevenvoorzieningen
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 25-5496 (scheiding) en FA RK 26-2205 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/688803 (scheiding) en C/09/700798 (verdeling)

Datum beschikking: 21 september 2026 (bij vervroeging)

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 18 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.S.M. Oudijk te Gouda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 5 augustus 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het bericht van 17 september 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 4 december 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het aanvullend verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 12 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.

Op 8 september 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de zitting.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats].

- De man heeft de Marokkaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.

- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

Het verzoek – na aanvulling – strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres];

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de vrouw;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Toedeling huurrecht echtelijke woning

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt om het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toe te delen en voert daartoe het volgende aan. De vrouw heeft de echtelijke woning op 8 oktober 2024 verlaten. Inmiddels staat zij ingeschreven op een ander adres. Zij weet niet of zij nog op het huurcontract van de echtelijke woning staat bijgeschreven. Volgens de vrouw woont de man wel nog in de echtelijke woning en is hij ook voornemens om hier te blijven wonen. Gelet op het voorgaande vindt de vrouw het redelijk dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld.

De man heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).

Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing.

Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

Krachtens artikel 26, eerste lid, onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, nu partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.

Beperkte gemeenschap van goederen

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.

De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.

Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 18 juli 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.

Omvang

Door de vrouw zijn de volgende bestanddelen van de gemeenschap naar voren gebracht:

  • saldo op de bankrekeningen;
  • schuld huurachterstand en overige schulden;
  • inboedel.

Ad 1.) saldo op de bankrekeningen

De vrouw stelt dat partijen tijdens het huwelijk ieder hun eigen bankrekening hadden en dat zij niet bekend is met een gezamenlijke bankrekening. Daarbij hebben partijen nagenoeg geen spaargeld. De vrouw verzoekt de rechtbank dan ook te bepalen dat ieder zijn/haar eigen bankrekening voortzet, zonder nadere verrekening.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft niet betwist dat er geen relevante saldi op de bankrekening(en) van partijen staan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook als onweersproken toewijzen, in die zin dat partijen ieder de bank- en spaarrekening op diens naam voortzetten, zonder nadere verrekening van de saldi op de peildatum.

Ad 2.) schuld huurachterstand en overige schulden

Volgens de vrouw is er sprake van een huurachterstand. Deze huurachterstand is ontstaan in oktober 2024, nadat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. Gelet daarop acht de vrouw het redelijk dat deze schuld voor rekening van de man komt. Daarnaast geeft de vrouw aan dat zij ook eigen schulden heeft, die tijdens het huwelijk zijn ontstaan. Voor wat betreft die schulden acht de vrouw het ook redelijk dat deze voor haar rekening komen.

De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.

Gelet op hetgeen de vrouw heeft aangevoerd, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen de schulden in gelijke delen dienen te dragen. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen in de onderlinge verhouding draagplichtig zijn voor de op de eigen naam staande schulden. Dit maakt echter niet dat schuldeisers niet alsnog beide partijen kunnen aanspreken voor het gehele verschuldigde bedrag. In dat geval heeft de aangesproken partij die een (deel van een) schuld heeft voldaan die niet op diens naam staat een regresvordering op de partij op wiens naam de schuld wel staat (artikel 6:10 BW).

Ad 3.) inboedel

De vrouw verzoekt de helft van de inboedel uit de echtelijke woning, die tijdens het huwelijk is aangekocht, aan haar toe te delen, zonder nadere verrekening met de man. Daartoe heeft zij een inboedellijst overgelegd waarin zij heeft opgenomen welke goederen aan haar toegedeeld moeten worden. Volgens de vrouw heeft de man hiermee ingestemd.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft niet weersproken dat hij heeft ingestemd met de toedeling van de helft van de inboedel aan de vrouw, conform de lijst van de vrouw. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen, in die zin dat de inboedel conform de lijst van de vrouw wordt verdeeld, zonder nadere verrekening met de man.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2020 te [plaats];

*

bepaalt met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap het volgende:

  • de man zal met ingang van heden de huurder zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres];
  • de vrouw zal de bank- en spaarrekeningen op haar naam voortzetten en de man de bank- en spaarrekeningen op zijn naam, een en ander zonder nadere verrekening van de saldi op de peildatum;
  • de inboedel wordt zonder nadere verrekening bij helfte verdeeld, waarbij aan de vrouw worden toegedeeld de in de aangehechte inboedellijst opgenomen goederen;

*

bepaalt dat partijen in de onderlinge verhouding ieder draagplichtig zijn voor de op de eigen naam staande schulden;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.