Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Den Haag, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30928Zaaknummer 10-102505-26
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 10-102505-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vrijspraak poging doodslag. Veroordeling voor zware mishandeling. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek, waarvan 84 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 180 (HONDERDENTACHTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 84 (VIERENTACHTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt ofheeft met de aangever in deze zaak, te weten [aangever], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2000. De reclassering kan het contactverbod tijdelijk opheffen, mocht dat voor eventuele herstelbemiddeling nodig zijn;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen 50 meter van de woning van hetslachtoffer, te weten: [adres 2];
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met GGZ Reclassering Fivoor, [adres 3], zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor-forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk tijdens de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden of andere problematiek;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde zal de reclassering inzicht gegeven in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruiken/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- werkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt de veroordeelde binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap.
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDENTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;
heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 11.117,26 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];
Verklaart de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 11.117,26, bestaande uit € 1.367,26 materiële schade en € 9.750 immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 80 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
de inbeslaggenomen goederen;
van de voorwerpen op de beslaglijst met de nummers 1 en 2 is afstand gedaan door de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. J.A.W. van 't Westeinde, rechter,
mr. P.L. Loeb, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Assies, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 10/102505-26
Datum uitspraak: 20 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats 1],
BRP-adres: [adres 1]
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 juli 2026 (pro forma) en 6 oktober 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.H.N. van Hees en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Hoesenie naar voren is gebracht.
De aangever [aangever] (hierna: de aangever) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van zijn vorderingen tot schadevergoeding en de nadere toelichting daarop ter terechtzitting.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 6 oktober 2026 - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 april 2026 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, meermaals, althans eenmaal, met een katana, althans een scherp en/of puntig voorwerp,
- in de richting van het lichaam van die [aangever] heeft gezwaaid, geslagen en/of gestoken en/of
- een stekende beweging in de richting van de buik, althans het lichaam, van die [aangever] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 april 2026 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door meermaals, althans eenmaal, met een katana, althans een scherp en/of puntig voorwerp,
- in de richting van het lichaam van die [aangever] te zwaaien, slaan en/of steken,
- een stekende beweging in de richting van de buik, althans het lichaam, van die [aangever] te maken en/of
- een terugtrekkende beweging te maken, terwijl die [aangever] voornoemde katana, althans een scherp en/of puntig voorwerp, met zijn hand bij het lemmet vasthield.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak primair tenlastegelegde poging tot doodslag
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 5 april 2026 heeft een incident plaatsgevonden in de portiek van een appartementengebouw aan [adres 1]. Bij het incident zijn drie personen aanwezig geweest, te weten de verdachte, de aangever en een vriend van de aangever, genaamd [getuige]. De door de verdachte, de aangever en [getuige] afgelegde verklaringen omtrent het verloop van het incident stroken niet op alle onderdelen met elkaar. De rechtbank ziet weliswaar geen aanleiding om een van de verklaringen (geheel) buiten beschouwing te laten voor het bewijs, maar overweegt dat op basis van die drie verklaringen, in samenhang met de medische stukken in het dossier, de feitelijke gang van zaken slechts beperkt kan worden vastgesteld.
De dag voor het incident, 4 april 2026, waren de verdachte, de aangever, [getuige] en [naam] in de woning van de verdachte. [getuige] maakte een opmerking waarover de verdachte boos werd. Hij heeft [getuige] gezegd dat die uit zijn woning moest vertrekken en de aangever en [naam] zijn toen met [getuige] uit de woning vertrokken. De manier waarop de verdachte tegen [getuige] sprak, is bij de aangever en [getuige] in het verkeerde keelgat geschoten. Vervolgens is op 5 april 2026 veelvuldig Whatsappcontact geweest tussen de verdachte en de aangever waarbij zij elkaar boze, en dreigende berichten hebben gestuurd. Daarop is de aangever samen met [getuige] tot twee keer toe naar de woning van de verdachte gegaan. Toen voor de tweede keer bij hem werd aangebeld, is de verdachte vanuit zijn woning naar beneden naar de voordeur gegaan. Daarbij heeft de verdachte een katana, een kort Japans zwaard van ca 30-40 cm lengte, die bij hem aan de muur hing meegepakt en achter in zijn broek gestopt. Vrijwel direct nadat de verdachte de voordeur van het appartementengebouw opendeed, heeft de aangever (mogelijk met een voorwerp in of aan zijn hand) uitgehaald naar het hoofd van de verdachte. Daarop heeft de verdachte de katana met zijn rechterhand uit zijn broek getrokken. Er is een worsteling gevolgd in de portiek en de achtergelegen trap. Daarbij heeft de aangever op een zeker moment de katana bij het lemmet vastgepakt, waarna de verdachte de katana heeft teruggetrokken. Als gevolg daarvan is er een grote snee in linkerhand van de aangever ontstaan. In het ziekenhuis is gebleken dat de aangever een slagaderlijke bloeding in zijn linkerhand had opgelopen, waardoor hij een grote hoeveelheid bloed is verloren en waaraan hij vervolgens met spoed is geopereerd.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van de aangever over het verloop van het incident (deels) niet overeen komt met de verklaring van de verdachte. De aangever heeft verklaard dat de verdachte de katana met zijn rechterhand omhoog haalde en zeker vijf keer naar hem uithaalde met de katana. De aangever zou deze uithalen met de katana met zijn linkerarm hebben geblokt. De aangever heeft verder verklaard dat de verdachte hem in zijn buik wilde steken. De verdachte heeft echter steeds ontkend met de katana te hebben gezwaaid, geslagen of gestoken. Hij heeft verklaard zich alleen te hebben verdedigd met de katana door deze met zijn rechterhand voor zich te houden om de aangever op die manier af te schrikken. De verdachte heeft verder verklaard dat de aangever zou hebben gepoogd de katana van hem af te pakken en daardoor gewond raakte, maar dat het nooit zijn intentie was om de aangever met de katana te raken.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van de aangever dat de verdachte meermalen naar hem uithaalde met de katana onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Getuige [getuige] heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte ten minste vijf keer bovenhands met zijn rechterhand op het hoofd, de arm en andere lichaamsdelen van de aangever probeerde in te slaan en dat de aangever meerdere malen geraakt werd door de snijkant van het mes. Dit komt niet geheel overeen met de verklaring van de aangever dat hij alle slagen heeft geblokt. Ook past het meerdere malen raken van de aangever met de katana niet bij het bij de aangever geconstateerde letsel. Uit de brief van de Spoedeisende Hulp van 6 april 2026 blijkt dat het enige letsel bestond uit een steekwond in de hand met een slagaderlijke bloeding. Ook uit de overige medische stukken is niet gebleken van enig letsel aan het hoofd, de arm of andere lichaamsdelen van de aangever. Van enige schade aan kleding als gevolg van het afweren van de katana is evenmin gebleken.
Op basis van het dossier en wat er op de zitting naar voren is gebracht, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte met de katana in de richting van het lichaam van de aangever heeft gezwaaid, geslagen of gestoken dan wel een stekende beweging in de richting van de buik of het lichaam van de aangever heeft gemaakt. Niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte met zijn handelen, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Hierbij is ook acht geslagen op de omstandigheid dat de verwondingen de hand van de aangever betreffen en niet aan vitale delen van het lichaam als hoofd, nek of torso.
Uit het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuig dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Zware mishandeling
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of bij de verdachte, door het terugtrekken van de katana terwijl de aangever de katana bij het lemmet vasthad, sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voor een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit is vereist dat de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
De rechtbank stelt op basis van de eerdergenoemde brief van de Spoedeisende Hulp van 6 april 2026 en het polikliniekverslag van 3 augustus 2026 vast dat sprake is geweest van een diepe steekwond in de linkerhand waarbij de slagader en de buigpees van de pink zijn doorgesneden. De aangever heeft een enorme hoeveelheid bloed verloren, wat bijna fataal is afgelopen, en heeft daarom in het ziekenhuis bloed toegediend gekregen. Het letsel was van dien aard dat er ook een onmiddellijke operatie heeft plaatsgehad. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit het polikliniekverslag van 3 augustus 2026 is gebleken dat de aangever vervolgens vier maanden later zelf een afspraak heeft gemaakt met het ziekenhuis in verband met persisterende klachten aan zijn hand. Uit voornoemd verslag blijkt dat de aangever regelmatig links een koudere hand dan rechts heeft, links minder kracht heeft, geen gevoel in zijn ringvinger en zijn pink heeft en hij iedere avond pijn ervaart. Een concrete prognose kan door de arts niet worden gegeven, maar hij verklaart wel dat er rekening mee moet worden gehouden dat volledig herstel maanden kan duren. Naar het oordeel van de rechtbank kan het letsel, gelet op het bovenstaande, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Gelet op de geschetste gang van zaken en de verklaringen van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever door de verdachte niet kan worden bewezen. Wel kan worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg door zijn handelen zal intreden. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte de katana die hij uit voorzorg mee had genomen naar de voordeur, uit zijn broek heeft getrokken nadat de aangever had uitgehaald naar het hoofd van de verdachte. Op enig moment heeft de aangever de katana met zijn linkerhand vastgepakt bij het lemmet, waarna de verdachte de katana heeft teruggetrokken, wat tot gevolg heeft gehad dat de aangever een slagaderlijke bloeding heeft opgelopen. De rechtbank acht bewezen dat door het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Het is een feit van algemene bekendheid dat het terugtrekken van een lang en scherp voorwerp, in dit geval de genoemde katana, terwijl iemand het lemmet vasthoudt, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel aan de hand. Uit de verklaring van de verdachte leidt de rechtbank af dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard de aangever met de katana zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte heeft op de terechtzitting immers verklaard dat hij voelde dat de aangever de katana vastpakte en hieraan trok, waarna de verdachte de katana heeft teruggetrokken. De verdachte was zich er aldus van bewust dat de aangever de katana bij het lemmet had vastgepakt en heeft er toch voor gekozen om de katana terug te trekken. De verdachte heeft daarmee de kans dat de aangever ernstig letsel aan zijn hand zou oplopen bewust aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 5 april 2026 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met een katana een terugtrekkende beweging te maken, terwijl die [aangever] voornoemde katana met zijn hand bij het lemmet vasthield.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, nu niet aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van een van de ten laste gelegde feiten komt, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweer toekomt.
Het oordeel van de rechtbank
Ingevolge artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht dient voor een geslaagd beroep op noodweer sprake te zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.
Uit de feitelijke gang van zaken zoals hiervoor is opgenomen onder 3.4 blijkt dat de aangever tijdens een ruzie naar de woning van de verdachte is gekomen en daar na het openen van de portiekdeur (met mogelijk een voorwerp in of aan zijn hand) naar het hoofd van de verdachte heeft uitgehaald. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.
Ten aanzien van de vraag of het verdedigen tegen de klap op de wijze zoals de verdachte heeft gedaan noodzakelijk was, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de feitelijke omstandigheden, waarbij de verdachte bij het opendoen van de portiekdeur vrijwel direct werd geconfronteerd met een uithaal naar zijn hoofd en de aangever en de verdachte dicht op elkaar stonden in een kleine portiekhal met een trap, acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte zich niet aan de aanranding heeft kunnen onttrekken door terug te lopen naar zijn woning danwel weg te lopen naar buiten, waardoor de rechtbank van oordeel is dat aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan.
De rechtbank dient ook te beoordelen of de verdediging met een katana in dit geval proportioneel was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De verdachte heeft er voor gekozen om een katana mee te nemen in een situatie waarin sprake was van een ruzie-achtige sfeer. Hij heeft de katana getrokken naar aanleiding van een klap op zijn hoofd. Naar het oordeel van de rechtbank staat het inzetten van een katana niet in verhouding tot de aard en de ernst van de daaraan voorafgegane geweldshandeling van de aangever. Het noodweerverweer wordt dan ook verworpen omdat niet is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit.
Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
5 De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, nu de verdediging van de verdachte niet noodzakelijk was. De officier van justitie heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is geworden dat de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte heeft veroorzaakt. Om die reden kan een beroep op noodweerexces volgens haar ook niet slagen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van een van de ten laste gelegde feiten komt, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweerexces toekomt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank neemt bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op noodweerexces het volgende tot uitgangspunt.
Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was (intensief noodweerexces), dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (extensief noodweerexces).
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Zoals hiervoor is opgenomen onder 3.4 was voorafgaand aan het trekken van de katana al sprake van een conflict tussen de verdachte en de aangever. De verdachte hield er, toen hij zijn woning verliet om beneden de voordeur open te maken, al rekening mee dat het conflict niet bij woorden zou blijven en nam uit voorzorg de katana mee. Niet is gebleken dat hij pas na de eerste uithaal naar zijn hoofd een hevige gemoedsbeweging ervaarde, als gevolg waarvan hij de katana heeft getrokken en gebruikt. De gemoederen waren reeds verhit en de verdachte heeft, rekening houdend met de mogelijkheid dat de ruzie fysiek zou worden, zich bewapend en het wapen getrokken na de eerste uithaal. Hiermee deed de verdachte precies dat wat hij zich had voorgenomen toen hij vanuit zijn woning naar de voordeur liep. Hierom faalt het beroep op noodweerexces.
Voor het overige is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de op te leggen straf.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie komt, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan geëist. Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De verdachte heeft een katana getrokken, die door de aangever is vastgepakt, waarna de verdachte de katana heeft teruggetrokken. Ten gevolge daarvan heeft de aangever een slagaderlijke bloeding aan zijn linkerhand opgelopen. Uit de toelichting bij de ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat de aangever een halfjaar later nog altijd veel klachten ten gevolge van het incident ervaart. Zo heeft hij pijn, mist hij kracht en gevoel in zijn hand en is hij onder behandeling van een handtherapeut en een fysiotherapeut en is hij niet in staat om zijn werk uit te voeren. Daarnaast heeft het incident bij de aangever tot psychische klachten geleid. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de gezondheid van de aangever en mag van geluk spreken dat het toegebrachte letsel geen nog ernstigere gevolgen heeft gehad. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan. De rechtbank houdt ook rekening met de hiervoor beschreven aanloop naar het incident, waaruit blijkt dat de aangever de confrontatie opzocht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 3 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van sociaal netwerk, middelengebruik, psychosociaal functioneren en dagbesteding. De reclassering ziet ook veel beschermende factoren bij de verdachte, namelijk een zelfstandige huurwoning, bewindvoering die nieuwe schulden voorkomt, oude schulden die nagenoeg zijn afgelost en ondersteuning vanuit de moeder en de halfbroers. Ook is de verdachte in staat een werkrelatie gebaseerd op vertrouwen op te bouwen en te onderhouden, kan hij profiteren van aangebrachte structuur, laat hij sociale vaardigheden zien, is hij als adolescent bewust gestopt met wetsovertreding en staat hij open voor begeleiding door de reclassering. De reclassering heeft ingeschat dat er sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, locatieverbod (zonder elektronisch toezicht), dagbesteding, aflossing schulden, beheersing middelengebruik en Stap voor Stap.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor zware mishandeling, onder categorie c, te weten “het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)”. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.
Naar het oordeel van de rechtbank is er, ten opzichte van dit uitgangspunt, wel een strafmatigende omstandigheid aan de orde, te weten de aanloop van het incident en de rol van de aangever in de onderhavige zaak.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, ten aanzien van de misdrijven een gevangenisstraf van 180 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd (96 dagen) in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten 84 dagen, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat er een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De verdachte hoeft dus niet terug naar de gevangenis. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.
7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
De aangever heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 24.110,56, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.448,06 aan materiële schade en € 22.662,50 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de door haar bepleitte vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om bij het toekennen van de vordering rekening te houden met het eigen aandeel van de benadeelde partij. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schadepost “eigen risico zorgverzekering” voor zover die ziet op het laxeermiddel af te wijzen. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schadepost “behandeling fysiotherapeut” niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, nu een objectieve onderbouwing voor de noodzaak van de behandelingen ontbreekt. Ten aanzien van de materiële post “goederenschade” heeft de raadsvrouw verzocht dit deel van de vordering af te wijzen. Ten aanzien van de immateriële post “lichamelijk letsel” heeft de raadsvrouw verzocht - naar de rechtbank begrijpt - dit deel van de vordering te matigen, nu het herstel aan de hand binnen zes maanden heeft plaatsgevonden en daarmee sprake is van licht letsel. Tot slot heeft de raadsvrouw ten aanzien van de immateriële post “geestelijk letsel” verzocht dit deel van de vordering af te wijzen bij gebrek aan onderbouwing.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het subsidiair bewezen verklaarde feit.
Per schadepost wordt de schade als volgt vastgesteld.
- De schadepost “eigen risico zorgverzekering” wordt vastgesteld op een bedrag van € 97,37. Het verweer van verdachte dat het geneesmiddel Macrogol (€ 30,80) niet is aan te merken als rechtstreekse schade, is volgens de rechtbank aannemelijk en ook niet weersproken.
- De schadepost “behandeling fysiotherapeut” wordt vastgesteld op een bedrag van € 795,31. Deze schade is voldoende toegelicht en onderbouwd en is aan te merken als rechtstreekse schade.
- De schadepost “goederenschade” wordt begroot en vastgesteld op een bedrag van € 400. Deze schade is voldoende toegelicht en onderbouwd en is aan te merken als rechtstreekse schade. Het verweer van verdachte dat de bodywarmer gewassen had kunnen worden is volgens de rechtbank aannemelijk en is ook niet weersproken. De waarde van de body warmer wordt begroot op € 50,-. Dat bedrag wordt op de schade in mindering gebracht.
- De schadepost “kosten opvragen medische informatie” wordt vastgesteld op een bedrag van € 74,58. Deze kosten zijn redelijk, voldoende toegelicht en onderbouwd en zijn aan te merken als rechtstreekse schade. De betwisting daarvan namens de verdachte is onvoldoende onderbouwd.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank aldus vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het subsidiair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het bedrag van in totaal € 1.367,26.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade voor het overige niet ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
Lichamelijk letsel
De benadeelde partij heeft op 24 september 2026 een vordering tot schadevergoeding ingediend voor lichamelijk letsel aan zijn hand. Deze vordering is uitgebreid toegelicht en begroot op € 15.000, met toepassing van categorie (b) van hoofdstuk 5.11 van de Rotterdamse schaal, middelzwaar handletsel. Deze categorie heeft een bandbreedte van € 10.000 tot € 20.000.
De rechtbank wijst deze vordering tot schadevergoeding toe tot het bedrag van € 7.000 en overweegt daartoe als volgt. In de brief van de Spoedeisende Hulp van 6 april 2026 en het polikliniekverslag van 3 augustus 2026 wordt vermeld dat ten gevolge van het incident sprake is geweest van een diepe steekwond in de linkerhand waarbij de slagader en de buigpees van de pink zijn doorgesneden. Uit het polikliniekverslag van 3 augustus 2026 is gebleken dat de aangever na vier maanden persisterende klachten heeft aan zijn hand. Uit voornoemd verslag blijkt dat de aangever regelmatig links een koudere hand dan rechts heeft, links minder kracht heeft, geen gevoel in zijn ringvinger en zijn pink heeft en hij iedere avond pijn ervaart. Volgens de arts moet er rekening mee worden gehouden dat volledig herstel maanden kan gaan duren.
Op grond van het voorgaande vindt de rechtbank dat het handletsel van de benadeelde partij valt binnen categorie (c) van hoofdstuk 5.11 van de Rotterdamse schaal. Het bedrag in het midden van de toepasselijke bandbreedte (€4.000 tot €10.000) acht de rechtbank passend en redelijk. De vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.
Geestelijk letsel
De benadeelde partij heeft op 24 september 2026 ook een vordering tot schadevergoeding voor geestelijk letsel ingediend en toegelicht. De schade voor het geestelijk letsel wordt begroot op € 5.500, met toepassing van categorie (d) van hoofdstuk 14.2 van de Rotterdamse schaal. Deze categorie heeft een bandbreedte van € 2.675 tot € 5.500.
Met toepassing van Aanbeveling 5 van de Aanbeveling voor begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW wordt een schadevergoeding gevorderd van € 2.750 (zijnde 50% van € 5.500).
De rechtbank wijst deze vordering tot schadevergoeding van € 2.750 toe en overweegt daartoe als volgt. De benadeelde partij heeft concreet gesteld en onderbouwd dat door het subsidiair bewezenverklaarde geestelijk letsel is veroorzaakt. Uit de brief van zijn behandelend psycholoog is gebleken dat de benadeelde partij sinds het incident persisterende trauma gerelateerde klachten ervaart. Zo ervaart hij herbelevingen van de aanval, heeft hij paniekaanvallen en vermijdt hij situaties en beelden die hem aan het gebeurde herinneren. Ook is hij voortdurend op zijn hoede, trekt hij zich terug uit zijn sociale omgeving, slaapt hij slecht en is hij somber. Naar de klinische inschatting van de psycholoog past dit klachtenbeeld bij een posttraumatische stressstoornis, en is er sprake van aanzienlijke beperkingen in zijn dagelijks, sociaal en beroepsmatig functioneren. Daarvoor wordt hij behandeld met EMDR. Daarmee is onderbouwd dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze (artikel 6:106 sub b BW). Op grond van het voorgaande vindt de rechtbank dat het geestelijk letsel van de benadeelde partij valt binnen categorie (d) van hoofdstuk 14.2 van de Rotterdamse schaal. Het gevorderde bedrag van € 5.500 is maximaal binnen de toepasselijke bandbreedte. Gelet op het door de benadeelde ervaren leed zoals hiervoor toegelicht acht de rechtbank dat schadebedrag passend en redelijk.
Gevorderde verhogingen
De rechtbank wijst de vordering tot verhoging van de schade met 15% op grond van Aanbeveling 2 van de Aanbeveling voor begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW af. De rechtbank overweegt daartoe dat onvoldoende is onderbouwd en niet is gebleken dat het handletsel van de benadeelde partij is aan te merken als blijvend letsel als bedoeld in deze aanbeveling. Er is geen (medisch) bewijs in geding gebracht dat sprake is van blijvend letsel. In de toelichting op de vordering tot schadevergoeding staat dat naar verwachting sprake is van blijvend letsel alsmede dat dit een inschatting is. Dat is voor de rechtbank onvoldoende om op dit moment vast te kunnen stellen dat het letsel blijvend is.
Eigen schuld
De raadsvrouw heeft namens de verdachte heeft een beroep gedaan op de eigen schuld van de benadeelde partij en heeft hierbij, kort samengevat, verwezen naar feiten en omstandigheden die aan het bewezen verklaarde feit vooraf zijn gegaan.
De rechtbank oordeelt dat er geen grond is om de schade op grond van eigen schuld (artikel 6:101 BW) over de benadeelde partij en de verdachte te verdelen. De schade van de benadeelde partij is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft de katana gepakt meegenomen naar de confrontatie met de benadeelde partij en hij heeft deze, zoals door hem is toegelicht, gebruikt. Hoewel de benadeelde partij medeverantwoordelijk is voor de ruzie tussen beiden en hij de confrontatie met de verdachte heeft gezocht, hoefde de benadeelde partij daarmee géén rekening te houden. De rechtbank ziet daarom geen grond voor een aanpassing van de vergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW.
Conclusies
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 11.117,26, bestaande uit € 1.367,26 aan materiële schade en € 9.750 aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 april 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 11.117,26, bestaande uit € 1.367,26 materiële schade en € 9.750 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2026 tot aan de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever].
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 302 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 180 (HONDERDENTACHTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 84 (VIERENTACHTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt ofheeft met de aangever in deze zaak, te weten [aangever], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2000. De reclassering kan het contactverbod tijdelijk opheffen, mocht dat voor eventuele herstelbemiddeling nodig zijn;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen 50 meter van de woning van hetslachtoffer, te weten: [adres 2];
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met GGZ Reclassering Fivoor, [adres 3], zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor-forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk tijdens de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden of andere problematiek;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde zal de reclassering inzicht gegeven in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruiken/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- werkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt de veroordeelde binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap.
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDENTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;
heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 11.117,26 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];
Verklaart de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 11.117,26, bestaande uit € 1.367,26 materiële schade en € 9.750 immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 80 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
de inbeslaggenomen goederen;
van de voorwerpen op de beslaglijst met de nummers 1 en 2 is afstand gedaan door de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. J.A.W. van 't Westeinde, rechter,
mr. P.L. Loeb, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Assies, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.