Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30914Zaaknummer C/09/699963
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/699963
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gedaagde heeft een gestolen auto aan eiser verkocht. Het gaat telkens om hetzelfde voertuig dat uiteindelijk in Frankrijk door de politie in beslag is genomen. Geen geslaagd beroep op overmacht.
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Auto1 te betalen een bedrag van € 24.947,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Auto1 te betalen een bedrag van € 1.024,47 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 5.071,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/699963 / HA ZA 26-187
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
AUTO1 EUROPEAN CARS B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Auto1,
advocaat: mr. D.M.C. van Roosmalen,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
advocaat: mr. W. Suttorp.
1 Waar gaat deze zaak over?
[gedaagde partij] heeft op 30 december 2022 zijn auto verkocht en geleverd aan Auto1. De vraag is of dit een gestolen auto was, waardoor [gedaagde partij] is tekortgeschoten. De rechtbank oordeelt dat is komen vast te staan dat [gedaagde partij] een gestolen auto aan Auto1 heeft verkocht en geleverd en dat [gedaagde partij] dus is tekortgeschoten. Het beroep van [gedaagde partij] op overmacht slaagt niet, zodat [gedaagde partij] de schade aan Auto1 moet vergoeden. De schade is gelijk aan het bedrag dat Auto1 heeft moeten terugbetalen aan de Franse autohandelaar aan wie de auto was doorverkocht.
2 De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 februari 2026, met producties 1 t/m 6;
- de conclusie van antwoord van 6 mei 2026;
- het tussenvonnis van 27 mei 2026;
- een bericht van Auto1 van 26 augustus 2026, met producties 7 t/m 12;
- een bericht van Auto1 van 31 augustus 2026, met productie 13.
Op 9 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
3 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Auto1 drijft een onderneming op (onder andere) het gebied van de handel in en de reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Het concept van Auto1 bestaat er voornamelijk uit dat particulieren en handelaren hun voertuigen kunnen aanbieden aan Auto1. Auto1 koopt het voertuig aan en verkoopt het via een online platform direct weer door aan professionele autohandelaren.
Belangstellenden kunnen online een (voorlopige) waardebepaling voor hun auto opvragen, voordat zij een afspraak maken met Auto1.
Een neef van [gedaagde partij] heeft op 22 december 2022 online een (voorlopige) waardebepaling voor de auto van [gedaagde partij], een Peugeot 3008, bouwjaar 2022 (hierna: de auto), opgevraagd bij Auto1.
Op 27 december 2022 heeft Auto1 een inspectie aan de auto uitgevoerd. Bij deze inspectie is onder andere gecontroleerd of het voertuigidentificatienummer (hierna: het VIN) op de auto overeenkwam met het VIN op de autopapieren. Het VIN eindigde zowel op de auto als op de autopapieren op ‘ [nummer 1] ’. Auto1 heeft de auto getaxeerd op € 26.955,-. [gedaagde partij] is met deze prijs akkoord gegaan.
Op 30 december 2022 heeft [gedaagde partij] de auto bij Auto1 ingeleverd. Partijen hebben op die datum een koopovereenkomst gesloten, waarin staat dat Auto1 de auto van [gedaagde partij] koopt voor € 26.955,-. In deze koopovereenkomst staat onder meer dat het VIN eindigt op ‘ [nummer 1] ’ en dat de auto voor het eerst internationaal is toegelaten op 1 juni 2022.
Op 21 maart 2024 is de auto door de Franse politie in Frankrijk in beslag genomen, omdat het een gestolen auto bleek te zijn, voorzien van een vals VIN.
De Franse politie heeft een Franse autohandelaar, [naam 1], op 17 april 2024 verhoord in verband met de inbeslagneming van de auto.
Auto1 heeft op 19 februari 2025 [gedaagde partij] bij brief in gebreke gesteld en gesommeerd het bedrag van € 26.955,- terug te betalen. In deze brief staat, voor zover relevant:
“Cliënte heeft tot haar verbazing vernomen dat de Auto, na door haar te zijn doorverkocht aan een Franse autohandelaar, door de Franse politie in beslag is genomen. Blijkbaar is de Auto op 1 juni 2022 in Frankrijk ( [plaats]) als gestolen opgegeven en nader onderzoek wijst uit dat het serienummer bewerkt is. Het echte serienummer van de auto eindigt op [nummer 2] en niet op [nummer 1], zoals vermeld in de koopovereenkomst. Bovendien zijn er meerdere gestolen voertuigen gekoppeld aan het VIN [nummer 1], hetgeen de conclusie ondersteunt dat de Auto bewerkt is en het vermelde VIN nummer niet overeenkomst met het voertuig.”
[gedaagde partij] heeft, ondanks een aanmaning daartoe, het bedrag van € 26.955,- niet aan Auto1 terugbetaald.
4 Het geschil
Auto1 vordert primair, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van € 26.955,-, vermeerderd met rente en kosten, wegens wanprestatie. Auto1 vordert subsidiair, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de koopovereenkomst vernietigt en [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van € 26.955,-, vermeerderd met rente en kosten, wegens dwaling.
Auto1 legt daar naar de kern aan ten grondslag dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst, nu hij niet het overeengekomen voertuig heeft ingeleverd, maar een gestolen voertuig dat is voorzien van een vals VIN. Hierdoor is sprake van non-conformiteit. Auto1 verwijst ook naar de in de koopovereenkomst opgenomen garanties en beroept zich ook op haar algemene voorwaarden. Daarnaast beroept Auto1 zich op (wederzijdse) dwaling, omdat Auto1 de koopovereenkomst heeft gesloten onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. Als Auto1 had geweten dat het voertuig feitelijk gestolen was, dan zou zij de overeenkomst met [gedaagde partij] niet hebben gesloten.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Auto1, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Auto1, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Auto1 in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Is er sprake van een tekortkoming? Ja.
Auto1 baseert haar vordering op het standpunt dat [gedaagde partij] een auto heeft geleverd die niet aan de verwachtingen beantwoordt en dus non-conform was (in de zin van artikel 7:17 BW), omdat het een gestolen auto bleek, voorzien van een vals VIN. Auto1 stelt dat de Franse politie de auto in beslag heeft genomen omdat het een gestolen auto was, voorzien van een vals VIN. Volgens Auto1 moest de auto al gestolen zijn voordat Auto1 de auto heeft gekocht van [gedaagde partij], omdat het in de hele keten van de aankoop van de auto door Auto1 tot de inbeslagname van de auto door de Franse politie telkens om dezelfde auto gaat, namelijk om een Peugeot 3008 met een VIN eindigend op ‘ [nummer 1] ’.
[gedaagde partij] betwist dat hij een gestolen auto heeft verkocht en geleverd aan Auto1, omdat hij niet wist en kon weten dat de auto gestolen was. [gedaagde partij] wijst er ook op dat er veel mensen zijn betrokken in de keten die iets te maken kunnen hebben met de diefstal / vervalsing van het VIN.
De vraag die partijen verdeeld houdt is dus of er sprake is van een tekortkoming door [gedaagde partij], doordat hij een gestolen auto heeft verkocht en geleverd aan Auto1.
Anders dan Auto1 kennelijk meent, kan de gestelde tekortkoming niet worden gebaseerd op artikel 7:17 BW. Dit artikel ziet namelijk op feitelijke gebreken van de verkochte zaak, zoals technische mankementen, en Auto1 heeft niet gesteld dat de auto niet goed functioneerde.
De rechtbank begrijpt dat Auto1 een beroep wil doen op een schending van artikel 7:15 BW, waaruit volgt dat de verkoper verplicht is een zaak over te dragen die vrij is van bijzondere lasten en beperkingen: als er een gestolen auto, al dan niet voorzien van een vals VIN, door [gedaagde partij] aan Auto1 is geleverd, is er geen auto overgedragen die vrij is van bijzondere lasten en beperkingen. In dat geval is sprake van een tekortkoming door [gedaagde partij].
De rechtbank oordeelt dat is komen vast te staan dat [gedaagde partij] een gestolen auto, voorzien van een vals VIN, aan Auto1 heeft verkocht en geleverd, en dat er sprake is van een tekortkoming door [gedaagde partij]. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Niet ter discussie staat dat Auto1 op 27 december 2022 de auto heeft geïnspecteerd en daarbij visueel heeft vastgesteld dat het VIN zowel op de auto als op de autopapieren eindigde op ‘ [nummer 1] ’. Ook staat niet ter discussie dat [gedaagde partij] de auto op 30 december 2022 aan Auto1 heeft verkocht en geleverd. Auto1 heeft onweersproken toegelicht dat de auto vervolgens door haar is opgeslagen in een van haar opslagplaatsen.
Auto1 stelt dat zij de auto vervolgens in het voorjaar van 2023 heeft doorverkocht aan [naam 1], een Franse autohandelaar. [gedaagde partij] heeft opgemerkt dat Auto1 geen koopovereenkomst tussen Auto1 en [naam 1] heeft overgelegd, zodat op geen enkele wijze kan worden vastgesteld of en onder welke voorwaarden en condities die koop zou zijn gesloten. De rechtbank begrijpt hieruit dat [gedaagde partij] het standpunt van Auto1 betwist. De rechtbank oordeelt dat Auto1 voldoende heeft onderbouwd dat zij de auto heeft doorverkocht aan [naam 1] en dat [gedaagde partij] dit onvoldoende heeft betwist. Auto1 weliswaar geen koopovereenkomst tussen haar en [naam 1] heeft overgelegd, maar Auto1 heeft wel een verkoopfactuur, gedateerd 27 april 2023, overgelegd. Hieruit volgt dat Auto1 de auto, een Peugeot 3008 met een VIN eindigend op ‘ [nummer 1] ’, voor € 24.947,- aan [naam 1] heeft verkocht. [gedaagde partij] heeft de juistheid van deze factuur niet betwist. Daarmee staat volgens de rechtbank vast dat Auto1 de auto, die zij van [gedaagde partij] had gekocht, aan [naam 1] heeft doorverkocht.
Auto1 heeft vervolgens toegelicht dat de vervoerder van [naam 1] de auto heeft opgehaald bij Auto1 en deze afgeleverd bij [naam 1] in Frankrijk. Zowel de vervoerder als [naam 1] hebben volgens Auto1 gecontroleerd of het VIN op de auto overeenkwam met het VIN op de papieren, wat zo bleek te zijn. Ter onderbouwing van deze controles heeft Auto1 een proces-verbaal van verhoor van [naam 1] door de Franse politie overgelegd, waarin [naam 1] dit heeft verklaard aan de Franse politie. [gedaagde partij] heeft deze controles niet weersproken en de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal niet betwist. Hiermee staat volgens de rechtbank vast dat [naam 1] de auto die zij van Auto1 had gekocht, een Peugeot 3008 met een VIN eindigend op ‘ [nummer 1] ’, ook geleverd heeft gekregen.
Volgens Auto1 heeft [naam 1] de auto vervolgens verkocht aan de heer [naam 2], die op zijn beurt de auto wilde registreren bij de Franse autoriteiten, wat niet lukte. Om die reden heeft [naam 1] volgens Auto1 op 13 november 2023 zelf ook een aanvraag tot het registreren van de auto bij de Franse autoriteiten gedaan. Ter onderbouwing heeft Auto1 de aanvraag tot registratie van de auto van [naam 1] overgelegd. In deze aanvraag staat dat [naam 1] een aanvraag tot registratie doet voor zijn klant, [naam 2], voor een Peugeot 3008 met een VIN eindigend op ‘ [nummer 1] ’, omdat het de klant zelf niet lukt om dit voertuig te registreren. [gedaagde partij] heeft de verkoop aan de heer [naam 2] en de beide aanvragen tot registratie niet weersproken en de juistheid van de aanvraag tot registratie niet betwist. Hiermee staat volgens de rechtbank vast dat [naam 1] de auto, die zij van Auto1 heeft gekocht en geleverd heeft gekregen, een Peugeot 3008 met een VIN eindigend op ‘ [nummer 1] ’, vervolgens aan de heer [naam 2] heeft verkocht.
Auto1 heeft verder toegelicht dat de Franse politie op 21 maart 2024 een auto bij de heer [naam 2] in beslag heeft genomen. Het betrof de auto die hij bij [naam 1] heeft gekocht, een Peugeot 3008 waarvan het VIN eindigde op ‘ [nummer 1] ’. De politie heeft de auto in beslag genomen, omdat het een gestolen auto bleek te zijn waarvan het VIN was vervalst. Ter onderbouwing hiervan heeft Auto1 een proces-verbaal van verhoor van [naam 1] door de Franse politie overgelegd. [gedaagde partij] heeft deze inbeslagname en de reden daarvoor niet weersproken. Ook heeft [gedaagde partij] de juistheid en inhoud van het proces-verbaal niet bestreden. Auto1 heeft eveneens toegelicht dat eveneens op 21 maart 2024 de aanvraag tot het registreren van de auto wordt afgewezen door de Franse autoriteiten, omdat het een gestolen auto waarvan het VIN is vervalst. Auto1 heeft ter onderbouwing hiervan deze afwijzing overgelegd. [gedaagde partij] heeft ook deze afwijzing niet weersproken. Hierdoor staat volgens de rechtbank vast dat de auto die de heer [naam 2] bij [naam 1] heeft gekocht, een Peugeot 3008 met een VIN eindigend op ‘ [nummer 1] ’, in beslag is genomen door de Franse politie, omdat het een gestolen auto bleek te zijn waarbij het VIN was vervalst.
Vast staat dat op 17 april 2024 [naam 1] vervolgens wordt verhoord door de Franse politie. Auto1 heeft toegelicht dat de reden daarvoor was dat de Franse politie de auto bij de heer [naam 2] in beslag had genomen, omdat het een gestolen auto bleek te zijn waarbij het VIN was vervalst, en de heer [naam 2] die auto bij [naam 1] had gekocht. [naam 1] werd onder meer ondervraagd over waar zij de auto heeft gekocht (bij Auto1) en over hoe deze auto onder de radar heeft kunnen blijven. In dit proces-verbaal staat ook dat [naam 1] aangifte wil doen van oplichting. Auto1 heeft ter onderbouwing hiervan dit proces-verbaal overgelegd. [gedaagde partij] heeft de juistheid en inhoud hiervan niet bestreden.
Auto1 heeft ook toegelicht dat het juiste VIN van de auto (dat dus niet eindigt op ‘ [nummer 1] ’) is achterhaald en dat de auto zich inmiddels bevindt bij de verzekeringsmaatschappij van de oorspronkelijke eigenaar. Ook dit is door [gedaagde partij] niet betwist.
Uit al het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de Franse politie de auto bij de heer [naam 2] in beslag heeft genomen, omdat de auto een gestolen auto bleek te zijn, waarbij het VIN bleek vervalst. Omdat vast staat dat de heer [naam 2] de auto van [naam 1] heeft gekocht, die de auto bij Auto1 heeft gekocht, die op haar beurt de auto van [gedaagde partij] heeft gekocht en het telkens om dezelfde auto gaat, namelijk een Peugeot 3008 met het VIN eindigend op ‘ [nummer 1] ’, volgt hieruit dat de auto al gestolen was en was voorzien van een vals VIN op het moment dat [gedaagde partij] de auto verkocht en leverde aan Auto1 op 30 december 2022. Dit betekent dat is komen vast te staan dat [gedaagde partij] een gestolen auto, voorzien van een vals VIN, aan Auto1 heeft geleverd op 30 december 2022. [gedaagde partij] wordt dus niet gevolgd in zijn algemene betwisting dat het tijdsverloop en de verschillende wisselingen van eigenaar mee zouden kunnen brengen dat de auto pas na de overdracht van [gedaagde partij] aan Auto1 is gestolen en is voorzien van een vals VIN. [gedaagde partij] heeft geen concreet scenario geschetst waarin dat mogelijk kan zijn.
Aangezien een gestolen auto niet vrij is van bijzondere lasten en beperkingen, is sprake van een schending van artikel 7:15 BW en dus sprake van een tekortkoming door [gedaagde partij].
Kan de tekortkoming [gedaagde partij] worden toegerekend? Ja.
[gedaagde partij] heeft gesteld dat hem geen enkel verwijt treft, omdat hij niets wist van een eventueel onjuist VIN of dat de auto gestolen zou zijn geweest. [gedaagde partij] heeft ook gesteld dat Auto1 toerekenbaar tekort is geschoten in haar onderzoeksplicht als professionele partij, zodat de schade voor haar rekening moet blijven. Volgens [gedaagde partij] is Auto1 als multinational in het maatschappelijk verkeer degene voor wiens risico een eventuele onjuiste status of VIN van een auto dient te blijven, in plaats van voor risico van [gedaagde partij]. De rechtbank begrijpt hieruit dat [gedaagde partij] als verweer voert dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.
De rechtbank oordeelt dat de tekortkoming wel aan hem kan worden toegerekend en licht dat als volgt toe.
Een tekortkoming kan de schuldenaar ( [gedaagde partij]) niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Dit wordt ook wel ‘overmacht’ genoemd. Degene die zich hierop beroept, moet feiten en omstandigheden stellen, en zo nodig bewijzen, waaruit blijkt dat sprake is van overmacht.
[gedaagde partij] heeft ter zitting toegelicht dat hij medio 2022 op zoek was naar een hoge auto voor zijn partner, omdat zij net een kind hadden gekregen. Via een kennis is hij in contact gekomen met een man uit België, die de auto te koop had staan. Het betrof geen nieuwe auto; er stonden al kilometers op de kilometerteller. Deze man zei autohandelaar te zijn. [gedaagde partij] weet niet of die man de daadwerkelijke eigenaar was. Met deze man heeft [gedaagde partij] vervolgens afgesproken op een industrieterrein in België. Daar heeft [gedaagde partij] een proefrit gereden en een vriend van hem, met verstand van auto’s, onder de motorkap van de auto laten kijken. [gedaagde partij] heeft de auto voor ongeveer € 30.000,- gekocht en heeft dit bedrag contant betaald. Vervolgens heeft [gedaagde partij] in augustus 2022 de auto laten importeren naar Nederland, aldus [gedaagde partij]. De auto heeft hij in december 2022 vervolgens weer verkocht aan Auto1, omdat de relatie was verbroken en hij geen twee auto’s nodig had.
De rechtbank oordeelt dat deze toelichting geen feiten en omstandigheden betreffen waaruit volgt dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. Voor zover [gedaagde partij] met zijn toelichting heeft willen aanvoeren dat aan hem een gestolen auto door de man in België is verkocht en geleverd, geldt dat die omstandigheid in de verhouding tussen [gedaagde partij] en Auto1 krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening en risico komt van [gedaagde partij]. In dat kader overweegt de rechtbank dat het standpunt van [gedaagde partij] - dat Auto1 is tekortgeschoten in haar onderzoeksplicht, dan wel dat een eventuele onjuiste status van een voertuig in het maatschappelijk verkeer voor rekening en risico van Auto1 als professionele autohandelaar - niet op gaat. Met dit standpunt gaat [gedaagde partij] er namelijk aan voorbij dat op grond van artikel 7:15 BW er geen onderzoeksplicht naar bijzondere lasten en beperkingen bestaat voor de koper. De verplichting van de verkoper om een goed zonder bijzondere lasten en beperkingen over te dragen is zo fundamenteel, dat het leveren van een gestolen auto in het maatschappelijk verkeer voor rekening en risico van [gedaagde partij] als verkoper komt. Op [gedaagde partij] rust de verplichting om aan Auto1 een auto te leveren die vrij is van bijzondere lasten en beperkingen. [gedaagde partij] heeft verder geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.
Kortom, de tekortkoming kan aan [gedaagde partij] worden toegerekend.
Omdat de rechtbank al tot het oordeel komt dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten op grond van artikel 7:15 BW, komt de rechtbank niet meer toe aan een bespreking van de algemene voorwaarden en dwaling.
Schade en causaal verband
Doordat Auto1 een gestolen auto aan [naam 1] heeft (door)verkocht, heeft Auto1 de aankoopprijs van [naam 1] aan [naam 1] moeten terugbetalen.
Auto1 stelt dat als de auto niet gestolen was, zij ook geen gestolen auto had doorverkocht en had zij het aankoopbedrag niet hoeven terugbetalen. Dit is door [gedaagde partij] niet weersproken. Kortom, door de tekortkoming van [gedaagde partij] heeft Auto1 schade geleden. Deze tekortkoming kan niet meer ongedaan worden gemaakt, waardoor [gedaagde partij] deze schade dient te vergoeden aan Auto1.
Dan is de vervolgvraag wat de omvang van de schade precies is. Auto1 vordert de prijs die zij heeft betaald voor de auto (€ 26.955,-) aan [gedaagde partij].
Met [gedaagde partij] is de rechtbank eens dat de schade die Auto1 heeft geleden niet bestaat uit de aankooprijs die Auto1 heeft betaald voor de auto, maar dat de schade bestaat uit de prijs waarvoor Auto1 de auto heeft doorverkocht aan [naam 1] (€ 24.947,-) en vervolgens heeft moeten terugbetalen. Immers, als de auto niet een gestolen auto was, had Auto1 ook dat bedrag niet hoeven terug te betalen aan [naam 1].
Volgens [gedaagde partij] is onduidelijk of de transactie is afgewikkeld. De rechtbank gaat daar niet in mee. Auto1 heeft een creditfactuur overgelegd, waaruit volgt dat zij € 24.947,- aan [naam 1] heeft terugbetaald. [gedaagde partij] heeft de juistheid van deze creditfactuur niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van deze terugbetaling.
Kortom, de schade bedraagt € 24.947,- en moet door [gedaagde partij] aan Auto1 worden betaald.
Wettelijke rente
Auto1 verzoekt ook het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Auto1 stelt primair dat de wettelijke rente ingaat vanaf de datum dat zij de auto van [gedaagde partij] heeft gekocht (30 december 2022), omdat nakoming blijvend onmogelijk is en [gedaagde partij] dus vanaf dat moment in verzuim was.
De rechtbank oordeelt als volgt. Voor de vraag vanaf welk moment wettelijke rente verschuldigd is, is van belang wanneer de schuldenaar in verzuim is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer de verbintenis strekt tot schadevergoeding, wat hier het geval is. Zoals hiervoor is overwogen heeft Auto1 schade geleden op het moment dat zij het bedrag aan [naam 1] heeft moeten terugbetalen en niet op het moment dat zij de auto van [gedaagde partij] geleverd heeft gekregen. Het primaire standpunt van Auto1 gaat dan ook niet op.
Subsidiair stelt Auto1 dat [gedaagde partij] in verzuim is komen te verkeren na de in de sommatiebrief van 19 februari 2025 opgenomen termijn, dus 27 februari 2025. Auto1 heeft [gedaagde partij] op 19 februari 2025 in gebreke gesteld en [gedaagde partij] gesommeerd om binnen 8 dagen na ontvangst van de ingebrekestelling de schade te vergoeden. Deze schriftelijke aanmaning voldoet aan de wettelijke eisen. [gedaagde partij] is niet tot betaling overgegaan, waardoor hij in ieder geval vanaf 27 februari 2025 in gebreke is. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 27 februari 2025.
Buitengerechtelijke incassokosten
Auto1 maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, conform de staffel. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 1.024,47 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Auto1 worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 127,08 | |
| - griffierecht | € | 3.083,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.672,00 | (2 punten × € 836,00) |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 5.071,08 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Auto1 te betalen een bedrag van € 24.947,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Auto1 te betalen een bedrag van € 1.024,47 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 5.071,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.