Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30869Zaaknummer AWB 25/19007
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- AWB 25/19007
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Regulier; recht op opvang en Rva-verstrekkingen geëindigd omdat eiser niet aan meldplicht heeft gehouden; beroep is ongegrond; te laat ingediend beroep verschoonbaar; tweemaal niet aan meldplicht gehouden; artikel 7 en 12 van de Rva; eerder lichtere maatregelen opgelegd; stopzetting is van rechtswege en daaraan ligt geen besluit ten grondslag, dus is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard door verweerder.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
| griffier | de rechter is verhinderd de uitspraak te tekenen rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/19007
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de stopzetting van de opvang en overige Rva[_10dd767d-9c27-45f9-854e-7960cf483d55]-verstrekkingen door verweerder.
Eiser heeft op 16 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar tegen de stopzetting van de opvang.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. [naam] zijn consulent bij de gemeente, heeft telefonisch opgetreden als tolk. Verweerder is met bericht vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is op 27 september 2023 in het bezit gesteld van een asielvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw[_e5fd20f7-e5b5-4962-a9ae-c1882d882788]. Hem werden verschillende verstrekkingen, waaronder opvang, geboden in afwachting van het betrekken van een woonruimte, onder de voorwaarde dat hij zich iedere twee weken bij verweerder moest melden.[_d95c83ff-7305-48e1-b940-4150976f7d2c] Verweerder heeft vastgesteld dat het recht op opvang van eiser van rechtswege is geëindigd, omdat eiser zich op 17 april en 24 april 2025 niet aan de meldplicht heeft gehouden.[_d973194c-e210-4519-b80b-63481744375a]
Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de beëindiging niet-ontvankelijk verklaard, omdat de opvang van rechtswege is geëindigd en dit geen besluit is waar bezwaar tegen openstaat.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Verweerder heeft het bezwaar tegen de beëindiging van de opvang ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Doordat de rechtbank slechts kan oordelen over de ontvankelijkheid en niet over de onrechtmatigheid van de beëindiging zelf, wordt eiser de toegang tot een volledige rechtsgang ontzegd. Het gaat wel om een besluit en verweerder had daarom eisers bezwaar in behandeling moeten nemen. De beëindiging van de verstrekkingen is buitenproportioneel. De beëindiging van de opvang betekent voor eiser namelijk verlies van opvang, verlies van basisvoorzieningen en het ontbreken van veilig onderdak. Ook is eisers mentale gezondheid al langere tijd slecht, wat de situatie verergert. Daarbij heeft eiser door de beëindiging van de opvang zijn recht op gemeentelijke huisvesting verloren. Eiser heeft daarnaast gegronde redenen voor het missen van de twee meldmomenten. Eiser miste het eerste meldmoment omdat hij ziek was. Doordat eisers bus was vertraagd miste hij ook het tweede meldmoment. Het was niet zijn bedoeling om niet te verschijnen. Verweerder is niet ingegaan op deze omstandigheden en heeft daardoor het evenredigheidsbeginsel geschonden. Verweerder had moeten onderzoeken of er reden was tot herstel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank oordeelt ten eerste dat het beroep van eiser ontvankelijk is. De rechtbank acht het te laat ingediende beroep verschoonbaar. Ter zitting heeft de consulent van eiser immers toegelicht dat eiser op straat heeft gewoond en geen hulp had. Zodra de consulent op de hoogte was van de beëindiging van de opvang en verstrekkingen, heeft hij direct actie ondernomen en eiser geholpen met het beroepschrift. De consulent heeft toegelicht dat hij niet eerder van de beëindiging van de opvang en verstrekkingen aan eiser afwist, omdat hij daarvoor bij een andere gemeente werkzaam was en eiser dus nog niet begeleidde. Daarnaast richt het beroep zich tegen het besluit op bezwaar, wat een appelabel besluit is.
Op grond van artikel 12 van de Rva is een vergunninghouder gehouden om zich iedere twee weken bij het COa te melden en het COa te verzoeken in te stemmen met het continueren van de verstrekkingen. Niet in geschil is dat eiser zich niet (tijdig) heeft gemeld bij het COa en dat het COa hem dus die instemming niet heeft verleend. Nu eiser zich tweemaal niet aan de meldplicht heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de opvang en Rva-verstrekkingen van rechtswege zijn geëindigd. Dat volgt uit artikel 7, eerste lid, onder l, van de Rva. Omdat de stopzetting automatisch geldt als er niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan, kunnen de door eiser genoemde redenen voor het niet melden – nog los van de vraag of deze voldoende onderbouwd zijn – de beëindiging niet voorkomen.
Daarbij heeft verweerder er in het verweerschrift op gewezen dat eiser eerder lichtere maatregelen opgelegd heeft gekregen wegens het niet houden aan de meldplicht op 7 juni, 26 juli en 2 augustus 2024. Ook op 16 januari 2025 heeft eiser zich niet gemeld, daaraan zijn toen geen consequenties verbonden. Nadat eiser zich niet had gemeld op 17 april en 24 april 2025 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 23, 25 en 27 april 2025. Op die uitnodigingen is eiser niet ingegaan. Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij niet op gesprek is verschenen bij verweerder omdat hij zich niet goed voelde en dat hij niet wist hoe hij zich moest afmelden. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het voorgaande het niet onevenredig dat verweerder eiser geen toestemming heeft verleend in de zin van artikel 12 Rva.
Wel ziet de rechtbank dat de beëindiging van de opvang zeer grote negatieve gevolgen heeft gehad voor eiser. Eiser heeft 11 maanden op straat geleefd, waar veel misbruik van hem is gemaakt. Bovendien heeft hij medische klachten ontwikkeld aan zijn huid, maar kon hij geen medische behandeling daarvoor krijgen. Verder zijn zijn psychische klachten verergerd. Deze omstandigheden, hoe schrijnend ook, kunnen er niet toe leiden dat de rechtbank de beëindiging van de opvang onrechtmatig acht. Het doet de rechtbank overigens wel goed dat de consulent zich over hem ontfermd en inmiddels woonruimte voor hem heeft gevonden en hem verder helpt met het starten van een opleiding en zijn financiën.
5. Nu de stopzetting van rechtswege is en daar geen besluit aan ten grondslag ligt, heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
| griffier | de rechter is verhinderd de uitspraak te tekenen rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva).
- Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
- Artikelen 3, 9 en 12 van de Rva.
- Artikel 7, eerste lid, onder l, van de Rva.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.