Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Den Haag, 30 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30834Zaaknummer 09/099500-26, 09/017001-26 (ttz.gev) en 09/037715-26 (ttz.gev)
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/099500-26, 09/017001-26 (ttz.gev) en 09/037715-26 (ttz.gev)
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het verhandelen van MDMA, cocaïne en lachgas, het aanwezig hebben van lachgas en het voorhanden hebben van een uurwapen met minitie. In dit geval wordt afgezien van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, mede gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte.
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Parketnummer 09/099500-26:
ten aanzien van feit 1:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Parketnummer 09/017001-26: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Parketnummer 09/037715-26: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 207 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken bij de Reclassering Nederland op het adres [adres 6], op door de reclassering te bepalen dagen en tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact opnemen met de veroordeelde voor de afspraken;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delictpreventie, het vergroten van de probleemoplossende vaardigheden en meer inzicht krijgen in het psychosociaal functioneren van de veroordeelde. Diagnostiek kan onderdeel uitmaken van de behandeling;
- zich inspant voor het vinden en het behouden van betaald werk met een vaste structuur;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening van bijvoorbeeld Materieel Juridische Dienstverlening van Fivoor. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest) om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 200 (tweehonderd) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (honderd) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst met parketnummer 09/099500-26 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.100,--.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
mr. P. Figge, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/099500-26, 09/017001-26 (ttz. gev.) en 09/037715-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 30 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Verheesen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.S. Roozenbeek naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 09/099500-26
1.
hij op of omstreeks 1 april 2026 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Zira Silah Blow, type TR 14, kaliber 7.65 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een of meer, pistoolmunitie (merk Sellier & Bellot) van het kaliber 7.65 mm
voorhanden heeft gehad;
2.
hij in de periode van 27 december 2025 tot en met 1 april 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-CMC,
zijnde MDMA en/of cocaïne en/of 3-CMC, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in de periode van 27 december 2025 tot en met 1 april 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
parketnummer 09/017001-26
hij op of omstreeks 18 januari 2026 te Wassenaar opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere cilinders (11 cilinders), althans enige hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
parketnummer 09/037715-26
hij op of omstreeks 5 februari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 36 kilogram, althans enige hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
Parketnummer 09/099500-26 (feit 1), parketnummer 09/017001-26 en parketnummer 09/037715-26
De rechtbank zal voor deze feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van parketnummer 09/099500-26 (feit 1)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026111528, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 251).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 september 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 april 2026, voor zover inhoudende (p. 10-11);
3. Het proces-verbaal van het team Forensische opsporing, opgemaakt op 1 april 2026, (p. 48-52).
Ten aanzien van parketnummer 09/017001-26
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026019763, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 36).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 18 januari 2026, in zijn geheel (p. 6-9);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 januari 2026, in zijn geheel (p. 15-17).
Ten aanzien van parketnummer 09/037715-26
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026041268, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 26).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 september 2026;
2. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 5 februari 2026, in zijn geheel (p. 10-12);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 februari 2026, in zijn geheel (p.7-9).
Ten aanzien van parketnummer 09/099500-26 (feit 2 en feit 3)
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026111528, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 251).
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - gebruikt voor het bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 2 en feit 3
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De op 1 april 2026 in mijn kamer aangetroffen verdovende middelen en 5 iPhone’s zijn van mij;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 april 2026, voor zover inhoudende (p. 10-11):
Op woensdag, 1 april 2026, werd door mij in woning gelegen aan het [adres 1] het volgende in beslag genomen:In de slaapkamer van [verdachte]:
- 2100,- euro- 5x iPhone;- 36 pillen in diverse verpakkingen (vermoedelijk MDMA)- 2 buisjes met rode vloeistof (vermoedelijk verdovende middelen)- 1 gripzakje met bruin kristalpoeder (vermoedelijk verdovende middelen).
Feit 2
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juni 2026, in zijn geheel (p. 96-177);
4. Het proces-verbaal gevorderde identificerende gegevens, opgemaakt op 3 juni 2026, in zijn geheel (p. 178-179);
5. Het proces-verbaal gevorderde identificerende gegevens, opgemaakt op 8 juni 2026, in zijn geheel (p. 180-181);
6. Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 8 april 2026, in zijn geheel (p. 191-201);
7. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 202);
8. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 203);
9. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 april 2026, in zijn geheel (p. 204);
10. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 205);
11. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 206);
12. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 207);
13. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 april 2026, in zijn geheel (p. 208);
14. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 209);
15. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 210);
16. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 april 2026, in zijn geheel (p. 211);
17. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 april 2026, in zijn geheel (p. 212);
18. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 april 2026, in zijn geheel (p. 213);
19. een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 april 2026, in zijn geheel (p. 214);
Feit 3
20. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 18 januari 2026 11 cilinders lachgas en op 5 februari 2026 36 kilogram lachgas in mijn auto aanwezig had;
21. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juni 2026, voor zover inhoudende:
p. 96-101:
Op 1april 2026 zijn tijdens de doorzoeking de navolgende gegevensdragers in beslag genomen:
| Goednummer | SIN-nummer | Type toestel |
| 3486000 | AAUG3504NL | Apple iPhone 12; |
| 3486003 | AAUG3506NL | Apple iPhone 16, paars; |
3486000 - Apple iPhone
Op het toestel zag ik dat sprake was van 1687 chats (bevattende 54086 berichten), 8 Instant Messages (sms-berichten op het toestel). Ik zag aan het ICCID-nummer dat één simkaart in het toestel zit en/of heeft gezeten
Ik zag dat als gebruiker van het gekoppelde WhatsApp-account ' [gebruikersnaam 1] ' stond weergeven met het telefoonnummer+ [telefoonnummer 1] ( [e-mailadres]) en als profielfoto een afbeelding van de letters ' [letters] ' en naam: ' [bijnaam] ':
Op het toestel binnen de applicatie WhatsApp trof ik in de chats van het onderzochte toestellen veel contactpersonen aan waarbij het adres als naam is ingevoerd, zoals: '+ [telefoonnummer 2] [adres 2] ', '+ [telefoonnummer 3] [adres 3] ', '+ [telefoonnummer 4] [adres 4] '.
In de chat met het adres '+ [telefoonnummer 4] [adres 4] ' zag ik vanuit [gebruikersnaam 1] (owner) bijvoorbeeld het volgende bericht:
Afb. 2 - 'Hoi Allemaal We zijn weer actief met een verbreed assortiment (ballon-emoji en Colombiaanse vlag-emoji)
Ambtshalve is mij bekend dat verkopers van verdovende middelen dergelijke sms-(bom)berichten versturen om aan hun klandizie te laten weten dat zij (weer) bezig zijn met de verkoop van hun handel. Door het verzenden van dergelijke berichten worden klanten geworven en geactiveerd om bestellingen te plaatsen. Door het plaatsen van een snoep-emoji en de Colombiaanse vlag wordt bij mij, verbalisant, de suggestie gewekt dat dit gaat om pillen en Colombiaanse cocaïne. Ik zag dat dit bericht zeker vijftien keer was verstuurd op 13 februari 2026.
Ik zag dat het bericht 'We zijn weer actief met een verbreed assortiment (snoep-emoji) (Colombiaanse vlag-emoji) excuses' in een tijdsbestek van 16 februari 2026 tot en met 8 maart 2026 672 keer is verstuurd aan 672 unieke telefoonnummers.
Bij het uitlopen van dergelijke sms-bomberichten trof ik gesprekken aan op het toestel welke, naar het oordeel van de verbalisant, hoogstwaarschijnlijk gesprekken zijn voor de handel in verdovende middelen, zoals:
Afb. 4- 'Ben je actief' Afb 5- 'Hoeveel kg?'Ik zag dat ' [gebruikersnaam 1] ' (owner), oftewel de gebruiker van het toestel vroeg aan ' [gebruikersnaam 2] ' hoeveel kg (kilogram) zij wilde bestellen.Atb 6-'Tikkie of Cash?
Lachgas Uit bovengenoemd gesprek krijg ik, verbalisant, sterk de indruk dat de gebruiker ' [gebruikersnaam 1] ' de koop van lachgas probeert rond te krijgen. Ambtshalve is mij bekend dat lachgas wordt verkocht in cilinders/kilogrammen en de WhatsApp-profielfoto van ' [gebruikersnaam 1] ' gaat over ' [bijnaam] '.
p. 119-128, in zijn geheel
p. 130-134:
Dealgesprek 'Wit':
Op het toestel trof ik ook een gesprek aan op 28 maart 2026 waarbij bij ' [gebruikersnaam 1] ' aangeeft dat hij 'wit' in de aanbieding heeft, hier 24/7 uur actief voor probeerde te zijn en dat hij naar eigen zeggen al 'tien jaar een lachgaslijn' heeft en dat het telefoonnummer waar nu een bericht naar werd verzonden, eigenlijk bedoeld is voor lachgas, en niet voor 'wit'.
p.141-152:
Bestelling op 27 december 2025 In het gesprek zag ik een gesprek tussen de gebruiker van het toestel [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 5], hierbij werd ' [gebruikersnaam 1] ' op 27 december 2025 bedankt voor zijn service, waarna ' [gebruikersnaam 1] ' op 13 februari 2026 opnieuw instuurde dat hij 'actief is, gevolgd door een snoep-emoji en de Colombiaanse vlag-emoji. Ik zag in het gesprek dat ' [gebruikersnaam 1] ' aangaf dat hij in meer handelde dan alleen lachgas.
Gesprek patrons regelen Op het toestel van de verdachte zag ik dat ' [gebruikersnaam 1] ' meerdere gesprekken heeft met patrons. Volgens de gesprekken op het toestel zijn dit chauffeurs die voor ' [gebruikersnaam 1] ' actief zijn om te rijden. In het gesprek met ' [gebruikersnaam 3] ' van 28 februari 2026 tot en met 8 maart 2026 is gesproken over adressen, lijkt ' [gebruikersnaam 1] ' de logistiek voor [gebruikersnaam 3] te regelen, zou hij zorgdragen voor een nieuwe lading tanks en zou hij [gebruikersnaam 3] begeleiden naar een 'stash'-locatie.
Gesprek met [gebruikersnaam 4] Uit de gesprekken van het toestel is gebleken dat ' [gebruikersnaam 1] ' spreekt met zijn chauffeurs, ook wel patrons genoemd, over de handel in lachgas. Uit het gesprek met ' [gebruikersnaam 3] ' is gebleken dat [gebruikersnaam 1] een sturende rol leek te hebben bij de aanvoer van lachgasflessen/tanks.Wanneer aan ' [gebruikersnaam 4] ' werd gevraagd om lachgastanks in Den Haag te komen brengen, stuurde ' [gebruikersnaam 4] ' een foto van een scherm van een navigatiesysteem. Op het navigatiesysteem zag ik het adres staan: ' [adres 5] '. Dit adres ligt op 67 meter van het adres van de verdachte [verdachte], waardoor het aannemelijk is dat ' [gebruikersnaam 4] ' op weg was naar verdachte [verdachte] en het nog aannemelijker maakt dat ' [gebruikersnaam 1] ' eigenlijk de verdachte [verdachte] betreft.
p. 153-156:
3486003 -Apple iPhone 16, paars
ChatGPT-gesprek:
Op het toestel van de verdachte [verdachte], welke hoogstwaarschijnlijk zijn werktelefoon is, trof ik het volgende gesprek in de applicatie 'ChatGPT' op 27 februari 2026. Hierin omschrijft de verdachte dat hij graag van een opbrengst wil gaan van 13k per maand, naar 20k per maand. Hij geeft hierbij aan bij ChatGPT dat hij handelt in de 'slagroomspuiten' en dat zijn werk niet legaal is.
Lachgaspatronen worden in het keukenbedrijf doorgaans gebruikt als de vulling voorde druk op slagroomspuiten.
22. Het proces-verbaal gevorderde identificerende gegevens, opgemaakt op 3 juni 2026, in zijn geheel (p. 178-179).
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van parketnummer 09/099500-26 (feit 2 en feit 3)
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft bezig gehouden met de verkoop, aflevering, verstrekking en/of het vervoeren van verschillende soorten drugs (feit 2) en lachgas (feit 3). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Bij de verdachte zijn meerdere telefoons aangetroffen en in beslag genomen. De verdachte heeft verklaard dat deze telefoons van hem zijn. Uit onderzoek aan deze telefoons is gebleken dat daarop gedurende de ten laste gelegde periode een groot aantal gesprekken is gevoerd vanuit Whatsapp met gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 1] (owner)”en “ [gebruikersnaam 5] (owner)”. In deze gesprekken wordt gesproken over MDMA, “wit”, “puur”, “sneeuw” en “Colombiaans voor je neus”. Ook wordt in deze berichten gesproken over lachgas en wordt door de gebruiker onder meer het volgende bericht verstuurd: “ik draai al 10 jaar een lachgaslijn”. Daarbij wordt onder meer gesproken over hoeveelheden en prijzen en worden concrete afspraken gemaakt over het afleveren van deze middelen. Ook worden in de gesprekken betaalverzoeken (Tikkies) verstuurd, waarbij een bankrekening van de verdachte wordt genoemd. Er worden meerdere keren SMS-boms gestuurd met berichten zoals “we zijn weer actief met een verbreed assortiment”.
Op de Apple iPhone 12 van de verdachte zijn berichten aangetroffen die gestuurd zijn naar zijn werktelefoonnummer. Deze berichten gaan over ontvangen cash, uitgevoerde ritten en de overgebleven voorraad. Op de Apple iPhone 16 (paars) van de verdachte is een ChatGPT-gesprek aangetroffen waarin gevraagd wordt wat de omzet is van de handel in producten, aan de hand van inkoop- en verkoopprijzen en vervoerkosten. Ook wordt gevraagd op welke manier de omzet kan groeien naar 20k (20.000 euro) per maand Later in het gesprek wordt vermeld dat gehandeld wordt in slagroomspuiten en dat het werk niet legaal is. Op ditzelfde toestel worden ook meerdere gesprekken met “patrons” gevoerd die voor “ [gebruikersnaam 1] ” actief zijn om te rijden. Zo wordt in het gesprek met “ [gebruikersnaam 3] ” van 26 februari 2026 tot en met 8 maart 2026 gesproken over adressen, zal “ [gebruikersnaam 1] ” zorgdragen voor een nieuwe lading tanks en geeft “ [gebruikersnaam 1] ” een adres door aan “ [gebruikersnaam 3] ” en geeft aan dat hij daar kan aanbellen en het kan geven nadat er via een tikkie is betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de hiervoor genoemde gespreken naar hun aard en inhoud als dealergesprekken worden aangemerkt voor de handel in verschillende soorten drugs en lachgas. Omdat de gesprekken gevoerd zijn met de telefoons van de verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat het de verdachte is geweest die deze gesprekken gevoerd heeft. Daar komt bij dat de verdachte zich voornamelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen en ondanks meerdere vragen van de zijde van de rechtbank geen verklaring heeft willen geven over de aanwezigheid van de telefoons en de daarop aangetroffen dealergesprekken die de rechtbank eventueel tot een andere conclusie zou moeten leiden.
Dat sprake is van dealergesprekken vindt bovendien steun in wat bij de verdachte thuis in zijn slaapkamer en in zijn auto is aangetroffen. In de slaapkamer van de verdachte zijn pillen aangetroffen in diverse gripzakjes, waarvan het NFI heeft vastgesteld dat deze MDMA bevatten. Ook is de verdachte in een kort tijdsbestek 2 keer aangehouden met grote hoeveelheden lachgas in zijn auto. Dit draagt bij aan de vaststelling dat de verdachte zich bezighield met het verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van de genoemde harddrugs en lachgas. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat de bij hem aangetroffen MDMA en lachgas voor eigen gebruik zijn, dan ook onaannemelijk.
Gelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich gedurende de bewezenverklaarde periode heeft beziggehouden met het verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van MDMA, cocaïne en lachgas. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte zich ook heeft beziggehouden met het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van een materiaal bevattende 3-CMC en zal de verdachte voor dat deel vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de hierna vermelde ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Parketnummer 09/099500-26
1.
hij op 1 april 2026 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Zira Silah Blow, type TR 14, kaliber 7.65 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten pistoolmunitie (merk Sellier & Bellot) van het kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad.
2.
hij in de periode van 27 december 2025 tot en met 1 april 2026 te 's-Gravenhage, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3.
hij in de periode van 27 december 2025 tot en met 1 april 2026 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Parketnummer 09/017001-26
hij op 18 januari 2026 te Wassenaar opzettelijk aanwezig heeft gehad meerdere cilinders (11 cilinders) distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Parketnummer 09/037715-26
hij op 5 februari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 36 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 272 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden die de Reclassering Nederland in het rapport van 14 september 2026 heeft geadviseerd. Daarnaast vordert zij de oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat, indien het tot een bewezenverklaring komt, de door de officier van justitie gevorderde taakstraf, naast de gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een periode van drie maanden schuldig gemaakt aan het verhandelen van MDMA, cocaïne en lachgas. Ook heeft hij op 18 januari 2026 en 5 februari 2026 lachgas aanwezig gehad. Het gaat daarbij om voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De verspreiding van en handel in verdovende middelen en lachgas gaat gepaard met vele andere vormen van (gewelddadige) criminaliteit, terwijl ook het gebruik ervan vaak gepaard gaat met door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen, hetgeen vaak overlast voor de samenleving met zich brengt. De verdachte heeft zich ten tijde van het dealen om al deze omstandigheden kennelijk niet bekommerd en slechts gehandeld voor eigen financieel gewin.
Ook heeft de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen is verboden, omdat dit een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt. Het voorhanden hebben van een wapen vergroot het risico op daadwerkelijk gebruik daarvan aanzienlijk en dit leidt tot steeds meer geweldsincidenten met vaak een zeer ernstige afloop. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. De rechtbank acht het verontrustend dat de verdachte een vuurwapen in zijn kamer aanwezig had, terwijl in de woning ook zijn jongere broertjes aanwezig zijn.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten als die bewezen zijn verklaard.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 14 september 2026, waarin is vermeld dat de voornaamste delictgerelateerde factoren de financiën/schulden, het sociale netwerk en zijn psychische welzijn lijken te zijn. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossing schulden en beheersing middelengebruik.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (uit de categorie III onder 1) in een woning is in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Voor het verkopen van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende 1 tot 3 maanden met enige regelmaat gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.
In dit geval ziet de rechtbank ervan af om een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hoewel de door hem gepleegde strafbare feiten een volwassen karakter hebben, heeft zij oog voor de relatief jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat de reclassering in haar advies hoopvol is in het bewerkstelligen van gedragsverandering.
De rechtbank acht alles afwegende in dit geval de volgende straffen passend en geboden.
Een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 207 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossen van schulden en beheersing middelengebruik). Deze deels voorwaardelijke straf dient als waarschuwing om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw in soortgelijke situaties te begeven, te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen, en hem te stimuleren een delictvrij leven na te streven. Omdat de verdachte al 93 dagen in voorarrest heeft gezeten, betekent dit dat hij niet opnieuw gedetineerd hoeft te worden. Ook zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
Daarnaast ziet de rechtbank in de ernst van de bewezenverklaarde feiten aanleiding om ook een taakstraf op te leggen van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
7 De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat het onder parketnummer 09/099500-26 in beslag genomen geldbedrag van in totaal € 2.100,-- verbeurd te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het in beslaggenomen geld terug te geven aan de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij het geldbedrag heeft verdiend met zijn werk als pakketbezorger.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het onder parketnummer 09/099500-26 in beslag genomen geldbedrag van € 2.100,-- verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en de rechtbank, gelet op de bewezen verklaarde handel in harddrugs en lachgas en de aangetroffen coupures (van onder meer 200 en 100 euro), ervan uitgaat dat dit geld van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
8 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10, 11, van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I en lijst II;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Parketnummer 09/099500-26:
ten aanzien van feit 1:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Parketnummer 09/017001-26: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Parketnummer 09/037715-26: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 300 (driehonderd) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 207 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken bij de Reclassering Nederland op het adres [adres 6], op door de reclassering te bepalen dagen en tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact opnemen met de veroordeelde voor de afspraken;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delictpreventie, het vergroten van de probleemoplossende vaardigheden en meer inzicht krijgen in het psychosociaal functioneren van de veroordeelde. Diagnostiek kan onderdeel uitmaken van de behandeling;
- zich inspant voor het vinden en het behouden van betaald werk met een vaste structuur;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening van bijvoorbeeld Materieel Juridische Dienstverlening van Fivoor. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest) om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 200 (tweehonderd) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (honderd) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst met parketnummer 09/099500-26 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.100,--.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
mr. P. Figge, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.