Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 18 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30723Zaaknummer C/09/711522 / JE RK 26-1516

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/711522 / JE RK 26-1516
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 18 september 2026 tot 18 juni 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/711522 / JE RK 26-1516

Datum uitspraak: 18 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

'sGravenhage,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam.

[de stiefvader],

hierna te noemen: de stiefvader,

wonende in [woonplaats].

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 augustus 2026;

- het verweerschrift van de moeder met producties, ontvangen op 10 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de stiefvader;

- de moeder met haar advocaat;

- [naam 1], namens de Raad;

- [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder en stiefvader.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder verzoekt om afwijzing. Het verweer komt – samengevat en zakelijk weergegeven – neer op het volgende. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. Een belangrijk deel van de zorgen die de Raad heeft beschreven zijn gebaseerd op aannames of verklaringen die niet objectief zijn bevestigd. Daar komt bij dat [minderjarige] zelf aangeeft dat het thuis en op school goed met hem gaat. Ook is het onvoldoende geprobeerd om in een vrijwillig kader de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De meldingen vanuit school zijn niet met moeder besproken en dat had wel gemoeten. De moeder staat open voor hulpverlening, maar zij wil [minderjarige] niet belasten met te veel druk en onderzoeken tegelijkertijd. Daarom heeft de moeder aangegeven eerst de IQ-test van [minderjarige] te willen afwachten, voordat verdere diagnostiek en eventuele hulpverlening worden ingezet. De moeder betwist de zorgen die de Raad heeft over huiselijk geweld en middelengebruik binnen het gezin, hier is geen sprake van. Ook [minderjarige] zelf heeft ontkend dat hier sprake van zou zijn in het gesprek dat hij met de Raad heeft gehad. De problemen rondom [halfbroer] hebben binnen het gezin voor veel stress gezorgd en de moeder heeft haar andere kinderen hier zoveel mogelijk tegen willen beschermen. Een ondertoezichtstelling is in dit geval niet gerechtvaardigd en zou een schending opleveren van het recht op family life, zoals dat is neergelegd in artikel 8 EVRM.

4.2.

De stiefvader is het niet eens met verzoek. De stiefvader geeft aan dat [minderjarige] wel een familienetwerk heeft aan zijn kant. Er is bewust geen contact met de oma aan moederszijde.

4.3.

De gecertificeerde instelling herkent de zorgen en stemt in met het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling geeft ter zitting aan dat het lastig is om in contact te komen met de moeder.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_010d77a0-b5d4-4775-967b-01dd14444a4c] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. Hoewel [minderjarige] op school goede resultaten haalt, worden er ook zorgen gezien. Zo kan [minderjarige] erg druk zijn, kan hij fysiek zijn richting andere kinderen en heeft hij moeite met het reguleren van zijn emoties. Dit zorgelijke gedrag is toegenomen sinds zijn halfbroer [halfbroer] niet meer thuis woont. De school van [minderjarige] heeft aangegeven dat hij verteld heeft dat hij thuis vaak straf krijgt, dat er veel geschreeuwd wordt en dat zijn moeder wordt geslagen door zijn stiefvader. Ook is [minderjarige] een keer met een schram en een blauw oog naar school gekomen. Op dat moment wilde [minderjarige] niet vertellen waar dat door kwam, omdat dat van zijn moeder niet mocht. De moeder betwist dat er thuis sprake zou zijn van huiselijk geweld en heeft verteld dat [minderjarige] deze verwondingen heeft opgelopen toen hij op een schuurtje klom. Ook geeft de moeder aan dat [minderjarige] het thuis en op school fijn heeft. Hoewel de kinderrechter niet kan vaststellen of er wel geen sprake is van geweld in de thuissituatie is het op zichzelf al erg zorgelijk dat hierover vanuit verschillende instanties zorgen worden geuit en dat ook de halfbroer van [minderjarige] heeft gezegd dat er sprake is van huiselijk geweld. De zorgen zijn dusdanig dat de kinderrechter vindt dat in ieder geval moet worden uitgezocht waar deze signalen vandaan komen. Daarvoor is het wel belangrijk dat er meer zicht komt op de thuissituatie van [minderjarige]. Dit is hulpverleningsinstanties in het vrijwillig kader tot op heden niet gelukt. Toen de ambulante spoedhulp eerder betrokken was bij het gezin vanwege de zorgen over de halfbroer, hielden de moeder en de stiefvader de andere kinderen hierbij weg. Ook stiefvader is niet aanwezig geweest tijdens deze hulpverlening. Daarom vindt de kinderrechter het belangrijk dat er in het gedwongen kader een jeugdbeschermer betrokken wordt die zicht kan krijgen op de gehele gezinssituatie en passende hulpverlening kan inzetten voor [minderjarige] en het gezin. De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden, zoals verzocht.

5.3.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_20d5a3ee-d462-4024-b78c-d877f3ef66bd]

5.4.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 18 september 2026 tot 18 juni 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:255 BW.
  2. Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.