Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30683Zaaknummer C/09/706509 / FA RK 26-5610
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/706509 / FA RK 26-5610
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Erkenning buitenlandse voogdijbeslissing.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-5610
Zaaknummer: C/09/706509
Datum beschikking: 18 september 2026
Gezag
Beschikking op het op 1 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van de vader van 11 juni 2026, met bijlage;
- het F9-formulier van de vader van 29 juni 2026, met bijlagen.
De moeder heeft geen bekende woon- of verblijfplaats en heeft nimmer in Nederland gewoond. Gelet daarop is de moeder opgeroepen voor een zogenaamde oproepzitting van 24 augustus 2026 door middel van een advertentie in de op 23 juli 2026 verschenen editie van de Staatscourant. De moeder is niet ter zitting verschenen en heeft niet binnen de daarvoor gestelde termijn een verweerschrift ingediend. De zaak zal daarom op de stukken worden afgedaan.
Feiten
- Het huwelijk van partijen is ontbonden op [datum] 2024.
- Partijen zijn in ieder geval de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1], [geboorteland],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1], [geboorteland];
- Volgens de beslissing van de Islamitische rechtbank in Abi Qalqal, Syrië, van 12 november 2024 zijn zij ook de ouders van [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 1] 2021.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vader.
- De vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Syrische nationaliteit.
- De Syrische rechtbank heeft op 12 november 2024 vastgesteld dat de moeder vrijwillig en zonder enige vorm van dwang of druk afstand heeft gedaan van haar recht op voogdij en zij deze heeft overgedragen aan de wettelijke vader, alsmede heeft de Syrische rechtbank bepaald dat de kinderen vanaf de datum van haar beslissing onder de voogdij van hun vader staan en naar Nederland mochten reizen.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- primair de beslissing van de Syrische rechtbank van 12 november 2024, waarbij aan de vader het gezag over zijn kinderen is overgedragen/toegekend, te erkennen en te bepalen dat in het gezagsregister dient te worden opgenomen dat de vader alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is belast;
- subsidiair het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en de vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken van de vader.
Erkenning Syrische beslissing
De vader verzoekt primair om de beslissing van de Syrische rechtbank van 12 november 2024 te erkennen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat Syrië geen partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Evenmin is Syrië partij bij een ander verdrag of overeenkomst die de erkenning van deze beslissing in de verhouding met Nederland regelt. De Syrische voogdijbeslissing is daarom niet van rechtswege voor erkenning vatbaar. De rechtbank zal daarom aan de hand van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria voor erkenning van buitenlandse uitspraken op grond van artikel 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten beoordelen of de beslissing van de Syrische rechtbank voor erkenning in aanmerking komt.
Buitenlandse beslissingen worden in Nederland in beginsel erkend als aan de volgende minimumvereisten is voldaan:
- de buitenlandse rechter heeft op een internationaal aanvaardbare grond rechtsmacht aangenomen;
- de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging;
- de rechterlijke beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde en
- de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven en in Nederland kan worden erkend.
De rechtbank kan op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen of de beslissing van de Syrische rechtbank tot stand is gekomen na een behoorlijke rechtspleging en dat deze beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank zal het primaire verzoek van de vader daarom afwijzen. Dat maakt dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vader.
Eenhoofdig gezag
De vader verzoekt subsidiair om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten. De moeder heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Omdat gezag niet ter vrije bepaling van de ouders staat, zal de rechtbank beoordelen of eenhoofdig gezag door de vader in dit geval in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden geacht.
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat voortaan alleen de vader met het gezag is belast. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij sinds de beslissing van de Syrische rechtbank geen contact meer heeft met de moeder en dat de kinderen ook geen contact met haar hebben. Hierdoor is het voor de vader niet mogelijk om met de moeder in overleg te treden over gezagsgerelateerde beslissingen. Dat acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De rechtbank zal daarom het subsidiaire verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat hij voortaan is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
BeslissingDe rechtbank:
bepaalt dat voortaan alleen aan de vader, [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2], [geboorteland], het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1], [geboorteland];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1], [geboorteland];
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.