Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 17 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30577Zaaknummer C/09/709004 / FA RK 26-7164

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/709004 / FA RK 26-7164
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

moeder verblijft op een geheim opvangadres, omdat zij vader beschuldigt van intiem terreur. raadsonderzoek gelast en in de tussentijd geen contact tussen de vader en het kind.

De rechtbank:

in de bodemprocedure (C/09/709004 / FA RK 26-7164)

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

bepaalt dat op uiterlijk 15 februari 2027 de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies dient te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter terechtzitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats aan tot 15 februari 2027 pro forma;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/709010 / FA RK 26-7169)

bepaalt dat de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats]

voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd;

bepaalt dat de moeder (met behulp van de hulpverlening) eenmaal per maand de vader op de hoogte brengt van de ontwikkelingen en andere gewichtige aangelegenheden van [de minderjarige] inclusief een actuele foto van [de minderjarige];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2026.

Volledige tekst

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-7164 (bodem) FA RK 26-7169 (voorlopige voorziening)

Zaaknummer: C/09/709004 (bodem) C/09/709010 (voorlopige voorziening)

Datum beschikking: 17 september 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats

Beschikking op het op 13 juli 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Linne.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. F.S.M. Oudijk te Gouda.

Procedure

De rechtbank heeft in beide procedures kennisgenomen van de stukken waaronder:

het verzoekschrift met bijlagen;

het bericht van de vader op 16 juli 2026 met bijlage;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek met aanvullende verzoeken van de vader.

Op 20 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader in het bijzijn van zijn advocaat, de moeder in het bijzijn van haar advocaat en tolk en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn gehuwd op [datum] 2018 te [plaats], [land].
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
  • [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats].
  • De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
  • De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de moeder is burger van de [land].

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure (C/09/709004 / FA RK 26-7164)

De vader verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

  • het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader is;
  • een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gelast naar de vraag welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van [de minderjarige] is, de beslissing hierop aan te houden en de man in de gelegenheid te stellen zijn verzoek na afronding van het onderzoek nader te concretiseren.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:

  • het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vrouw te bepalen;
  • primair te bepalen dat [de minderjarige] geen (digitaal) contact heeft met de man, totdat de Raad voor de Kinderbescherming en de betrokken hulpverlening hebben vastgesteld dat contact in het belang van [de minderjarige] is;

subsidiair, uitsluitend indien de rechtbank contact op dit moment noodzakelijk acht, te bepalen dat contact tussen de man en [de minderjarige] uitsluitend professioneel begeleid plaatsvindt, op een neutrale locatie, zonder aanwezigheid van de vrouw en zonder bekendmaking van haar verblijfplaats, waarbij de professionele begeleidende instantie de regie voert over de plaats, duur, frequentie, voorwaarden en eventuele uitbreiding van het contact;

- de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten onderzoek te doen naar:

  • de vraag of contact tussen de man en [de minderjarige] thans in het belang van [de minderjarige] is;
  • de vraag of sprake is van contra-indicaties voor contact;
  • de wijze waarop eventueel contact kan worden opgebouwd;
  • het tempo, de duur, de frequentie en de locatie van eventueel contact;
  • de noodzaak en vorm van professionele begeleiding;
  • de vraag of gezamenlijk gezag verenigbaar is met de veiligheid en de noodzakelijke rust voor [de minderjarige];
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige]; en
  • de vraag of aanvullende kinderbeschermingsmaatregelen moeten worden overwogen;
  • iedere verdere beslissing over het gezag, en contactregeling aan te houden totdat het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is afgerond; en partijen de gelegenheid te geven zich binnen 6 weken na de uitkomst van het onderzoek van de Raad van de Kinderbescherming over dat rapport uit te laten, en hun verzoeken t.a.v. gezag en omgang aan te vullen/ aan te passen;
  • te bepalen dat de vrouw en [de minderjarige] niet gehouden zijn terug te keren naar de echtelijke woning, en het verzoek van de man hiertoe af te wijzen.

In de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/709010 / FA RK 26-7169)

De vader verzoekt, na aanvulling, de rechtbank bij voorlopige voorziening te bepalen dat:

  • (voorwaardelijk indien de moeder en [de minderjarige] niet terugkeren naar de echtelijk woning) [de minderjarige] voorlopig aan de man toe te vertrouwen;
  • primair: een in goede justitie te bepalen voorlopige omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] en zijn vader elkaar regelmatig zien. waaronder ten minste frequent videocontact en fysieke omgang:
  • subsidiair: voor het geval het verzoek onder 3 wordt afgewezen, een voorlopige omgangsregeling waarbij [de minderjarige] en zijn vader elkaar ten minste eenmaal per week fysiek zien — om de week in het weekend. plus een dag doordeweeks — alsmede dagelijks videocontact. althans een zodanige regeling als de Rechtbank in goede justitie bepaalt:
  • meer subsidiair: in ieder geval dagelijks videocontact tussen [de minderjarige] en zijn vader vast te stellen. totdat fysieke omgang kan worden ingevuld;
  • een bijzondere curator wordt benoemd voor [de minderjarige] teneinde te rapporteren aan de rechtbank over de kwesties hoofdverblijf en verdeling van zorg- en opvoedingstaken;
  • een maandelijkse informatie- en consultatieverplichting wordt opgelegd aan de moeder voor wat betreft het wel en wee van [de minderjarige] (welke artsen, welke behandelingen, welke opvang, welke hobby’s, hoe de ontwikkeling van het kind in de meest ruime zin des woords verloopt met recente en duidelijke foto van [de minderjarige] ).

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt voor zolang niet in de bodemzaak is beslist:

  • [de minderjarige] voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen;
  • primair te bepalen dat [de minderjarige] geen (digitaal) contact heeft met de man, totdat de Raad voor de Kinderbescherming en de betrokken hulpverlening hebben vastgesteld dat contact in het belang van [de minderjarige] is;

subsidiair, uitsluitend indien de rechtbank contact op dit moment noodzakelijk acht, te bepalen dat contact tussen de man en [de minderjarige] uitsluitend professioneel begeleid plaatsvindt, op een neutrale locatie, zonder aanwezigheid van de vrouw en zonder bekendmaking van haar verblijfplaats, waarbij de professionele begeleidende instantie de regie voert over de plaats, duur, frequentie, voorwaarden en eventuele uitbreiding van het contact;

- de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten onderzoek te doen naar:

  • de vraag of contact tussen de man en [de minderjarige] thans in het belang van [de minderjarige] is;
  • de vraag of sprake is van contra-indicaties voor contact;
  • de wijze waarop eventueel contact kan worden opgebouwd;
  • het tempo, de duur, de frequentie en de locatie van eventueel contact;
  • de noodzaak en vorm van professionele begeleiding;
  • de vraag of gezamenlijk gezag verenigbaar is met de veiligheid en de noodzakelijke rust voor [de minderjarige];
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige]; en
  • de vraag of aanvullende kinderbeschermingsmaatregelen moeten worden overwogen.

Beoordeling

In de bodemprocedure (C/09/709004 / FA RK 26-7164)

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats

Inleiding

De ouders zijn op [datum] 2018 getrouwd in de [land]. Hierna zijn zij naar Nederland verhuisd. [de minderjarige] is in Nederland geboren en heeft hier zijn hele leven samen met zijn ouders gewoond. In de zomer van 2025 is de moeder met [de minderjarige] naar de [land] gegaan. De moeder stelt dat zij voor vakantie en familiebezoek met [de minderjarige] naar de [land] is gegaan. De vader stelt dat de moeder naar de [land] is gegaan om daar met [de minderjarige] te blijven. Hoe het ook zij, feit is dat de moeder en [de minderjarige] niet naar Nederland terugkeerden, omdat dit volgens de moeder een ernstige fysieke en psychische belasting voor haar en [de minderjarige] zou opleveren vanwege de onveilige situatie als zij met [de minderjarige] bij de vader zou terugkeren. De vader is vervolgens een teruggeleidingsprocedure gestart in de [land]. De Amerikaanse rechter heeft geoordeeld dat de moeder de aantijgingen omtrent het fysieke geweld en de intieme terreur door de vader onvoldoende heeft onderbouwd. Op 9 januari 2026 heeft de Amerikaanse rechter daarom de terugkeer van [de minderjarige] naar Nederland bevolen. Op 18 januari 2026 is de moeder met [de minderjarige] teruggekeerd in Nederland.

Na de terugkomst van de moeder en [de minderjarige], zijn zij teruggekeerd bij de vader in de echtelijke woning. De moeder stelt dat binnen de relatie sprake is geweest van ernstig verbaal, psychisch en fysiek geweld, intimidatie, dwingende controle en bedreiging door de vader. Volgens de moeder is [de minderjarige] daar ook getuige van geweest. Op 15 april 2026 is de vader door de politie aangehouden op verdenking van mishandeling. De moeder is vervolgens met [de minderjarige] uit de woning vertrokken en verblijft sindsdien met [de minderjarige] op een geheim adres. De vader is op 17 april 2026 vrijgelaten en heeft een gedragsaanwijzing van de officier van justitie opgelegd gekregen inhoudende een contactverbod met de moeder voor de duur van negentig dagen. Sindsdien heeft de vader geen contact meer gehad met zowel de moeder als [de minderjarige]. Volgens de vader hebben er weliswaar stevige ruzies plaatsgevonden waarbij over en weer naar elkaar is geschreeuwd en gescholden, maar is er nooit sprake geweest van fysiek geweld of enige andere vorm van (intieme) terreur.

Inhoudelijke beoordeling

Ingevolge artikel 1:253a, lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan omvatten of een beslissing over de hoofdverblijfplaats.

De vader stelt dat [de minderjarige] en hij recht hebben op contact met elkaar. Sinds 15 april 2026 heeft de vader [de minderjarige] niet meer gezien en de vader is bang dat het handelen van de moeder uiteindelijk ouderverstoting tot gevolg heeft omdat zij [de minderjarige] bij de vader weghoudt. Volgens de vader is er geen enkele bij het gezin betrokken instantie die contact tussen de vader en [de minderjarige] onverantwoord acht en worden de tegen hem geuite beschuldigingen door geen enkel onderzoek ondersteund. De vader vindt het daarom van belang dat het contact met [de minderjarige] zo snel mogelijk wordt hersteld en dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader krijgt.

Volgens de moeder is het op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] dat hij contact heeft met de vader. Sinds de moeder op het geheime opvangadres verblijft, vertoont [de minderjarige] zeer zorgelijk gedrag wanneer met [de minderjarige] wordt gesproken over zijn vader. De bij de moeder en [de minderjarige] betrokken hulpverlening heeft de mogelijkheden onderzocht om contact te laten plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de vader. [de minderjarige] heeft toen volgens de hulpverlening zorgelijk gedrag vertoond waarmee hij laat zien dat hij angstig is. Volgens zowel de moeder als de hulpverlening van [de minderjarige] en van de moeder is het daarom op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] dat hij contact heeft met de vader.

De rechtbank overweegt het volgende. Het is in het algemeen in het belang van een kind om contact te hebben met beide ouders. Daar hebben de ouders recht op en daar heeft een kind recht op. Dat recht is echter niet onbeperkt. Gewichtige redenen, zoals de vrees voor het mentale en fysieke welzijn van een kind, kunnen ertoe leiden dat dat contact wordt beperkt. De rechtbank kan op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen of de situatie voor [de minderjarige] bij de vader op dit moment veilig is. Echter, de rechtbank kan er niet omheen dat uit de berichten die tussen de vader en de bij [de minderjarige] betrokken hulpverlener naar voren komt dat er grote weerstand bij [de minderjarige] bestaat wanneer zijn vader ter sprake komt. Zo staat in het bericht van 2 juli 2026 te lezen dat [de minderjarige] erg boos en agressief werd toen het gesprek over zijn vader ging, dat het vermoeden bestaat dat [de minderjarige] met veel stress kampt en dat vanuit de bij [de minderjarige] betrokken hulpverlening wordt geconcludeerd dat contact met zijn vader op dit moment niet goed voor [de minderjarige] is. De oorzaak van de weerstand en de stress die [de minderjarige] ervaart is niet duidelijk. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat er op korte termijn therapie gaat starten voor [de minderjarige].

Gelet op de enorme weerstand bij [de minderjarige] en het gedrag dat daarmee samenhangt acht de rechtbank het op dit moment niet in zijn belang om contact te hebben met de vader. Het is van belang dat [de minderjarige] hulp krijgt en de tijd krijgt om van de geboden hulp te profiteren. Het is aan de vader om, in het belang van [de minderjarige], op dit moment pas op de plaats te maken en af te wachten hoe [de minderjarige] op de geboden therapie reageert. Dat kost tijd maar die tijd moet [de minderjarige] worden gegund.

Omdat momenteel onvoldoende zicht is op de situatie bij de vader thuis en welke hoofdverblijfplaats of zorgregeling in het belang van [de minderjarige] is, acht de rechtbank het van belang dat er een raadsonderzoek komt om een beter beeld te krijgen of contact met de vader op een veilige manier kan worden vormgegeven.

Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:

  • Zijn er zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader?
  • Is vaststelling van een zorgregeling met de vader of de moeder in het belang van [de minderjarige] ?
  • Zo ja, hoe dient de zorgregeling er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
  • Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [de minderjarige] ?
  • Is (nadere) hulpverlening voor de ouders en/of [de minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
  • Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?

De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek ieder verdere definitieve beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats aanhouden voor een periode van zes maanden.

In de tussentijd is het aan de hulpverlening van de moeder en [de minderjarige] om zich in te blijven zetten en te bezien of er bij [de minderjarige] ruimte ontstaat voor een vorm van contact met zijn vader.

In de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/709010 / FA RK 26-7169)

Voorlopige toevertrouwing en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De moeder heeft verzocht te bepalen dat [de minderjarige] en de vader geen contact hebben totdat de Raad en de betrokken hulpverlening hebben vastgesteld dat contact in het belang van [de minderjarige] is. Daarnaast heeft de moeder ook verzocht [de minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen.

Nu de rechtbank in de bodemprocedure een raadsonderzoek heeft gelast en momenteel geen ruimte ziet om contact te bewerkstelligen tussen [de minderjarige] en de vader, zal de rechtbank het verzoek van de moeder dat betrekking heeft op het onthouden van contact tussen de vader en [de minderjarige], toewijzen. Omdat [de minderjarige] inmiddels al geruime tijd bij zijn moeder woont en geen contact met zijn vader heeft, zal de rechtbank ook het verzoek van de moeder om [de minderjarige] aan haar toe te vertrouwen toewijzen.

Informatie- en consultatieregeling

Aangezien de ouders het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uitoefenen, vloeit uit artikel 1:253a lid 2 sub c BW voort dat de rechtbank een beslissing kan nemen over de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden over het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.

Nu de vader [de minderjarige] al enige tijd niet heeft gezien of gesproken, is het volgens de rechtbank van belang dat de vader op de hoogte wordt gehouden omtrent de ontwikkeling van [de minderjarige]. Tijdens de zitting is daarom met de ouders besproken dat de moeder eenmaal per maand met behulp van de bij haar betrokken hulpverlening de vader op de hoogte houdt van de ontwikkelingen en andere gewichtige aangelegenheden van [de minderjarige] inclusief een actuele foto. De moeder zou dit bijvoorbeeld kunnen bewerkstelligen via een apart aan te maken e-mailadres en op een wijze waarmee er geen direct contact plaatsvindt tussen de vader en de moeder.

Bijzonder curator

Op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als in aangelegenheden betreffende verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen.

Gelet op de beslissing ten aanzien van het raadsonderzoek, ziet de rechtbank geen meerwaarde om daarnaast een bijzondere curator te benoemen. Een raadsonderzoek is in dit geval bij uitstek het instrument om de vragen die er leven over de belangen van [de minderjarige] te beantwoorden.

Raadsonderzoek

De moeder heeft zowel in de bodem- als in de voorlopige voorzieningenprocedure verzocht om een raadsonderzoek. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing heeft genomen over ditzelfde onderwerp, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

Beslissing

De rechtbank:

in de bodemprocedure (C/09/709004 / FA RK 26-7164)

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

bepaalt dat op uiterlijk 15 februari 2027 de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies dient te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter terechtzitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats aan tot 15 februari 2027 pro forma;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/709010 / FA RK 26-7169)

bepaalt dat de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats]

voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd;

bepaalt dat de moeder (met behulp van de hulpverlening) eenmaal per maand de vader op de hoogte brengt van de ontwikkelingen en andere gewichtige aangelegenheden van [de minderjarige] inclusief een actuele foto van [de minderjarige];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.