Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30546Zaaknummer C/09/699025 / FA RK 26-1148

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/699025 / FA RK 26-1148
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzen eenhoofdig gezag.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Gezag
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. BeslissingDe rechtbank:

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-1148

Zaaknummer: C/09/699025

Datum beschikking: 16 september 2026

Gezag

Beschikking op het op 2 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.M. Menheere in Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele in Numansdorp.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, namens de moeder;

Op 19 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De minderjarige [de minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter haar mening over de verzoeken gegeven.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1].

  • De vader heeft [de minderjarige] erkend.
  • De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 14 augustus 2018.
  • Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2023 is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vader belast wordt met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [de minderjarige], voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en heeft de rechtbank zelfstandig verzocht de vader te veroordelen in de volledige proceskosten van dit geding.

Beoordeling

Gezag

[de minderjarige] heeft tot 24 september 2022 bij de moeder gewoond. Daarna heeft zij een periode wisselend bij de ene en de andere ouder gewoond. Sinds 2 juni 2023 woont zij volledig bij de vader. [de minderjarige] heeft van 29 december 2023 tot 29 december 2025 onder toezicht gestaan. Het gaat inmiddels goed met [de minderjarige]. Jeugdbescherming West heeft om die reden, met instemming van de Raad voor de Kinderbescherming, de ondertoezichtstelling niet verlengd.

De vader verzoekt om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en hem voortaan met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten. De vader stelt dat er sinds juni 2025 is geen contact meer is tussen [de minderjarige] en de moeder, ondanks tussenkomst van de jeugdbeschermer. Ook is er geen sprake van communicatie tussen de ouders. De vader ondervindt problemen met het nemen van gezagsbeslissingen over [de minderjarige]. Onder meer bij het aanmelden van haar op een nieuwe school en met het verkrijgen van toestemming voor vakanties naar het buitenland. De vader stelt dit voor [de minderjarige] heel stressvol is. Het is volgens hem noodzakelijk en in het belang van [de minderjarige] dat hij alleen met het gezag over haar wordt belast. Zeker nu de ondertoezichtstelling is afgelopen en er geen jeugdbeschermer meer betrokken is die een bemiddelende rol kan spelen.

De moeder voert verweer. Zij stelt dat zij een betrokken ouder is die zowel met [de minderjarige], als de vader, als de jeugdbeschermer contact heeft. Daarnaast zijn er volgens de moeder geen gezagsbeslissingen die zij blokkeert. [de minderjarige] raakt dan ook niet klem en verloren, aldus de moeder.

De rechter kan op grond van het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing zijn. Dat artikel bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.

De rechtbank is van oordeel dat een wijziging van het gezag in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. De minimale basis voor gezamenlijk gezag, zoals hiervoor omschreven, tussen de ouders ontbreekt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat het de moeder niet lukt om haar toestemming te geven of om beslissingen te nemen die in het belang van [de minderjarige] zijn. Het is regelmatig voorgekomen dat de moeder niets van zich laat horen wanneer er een gezagsbeslissing genomen moet worden. Hierdoor stagneren noodzakelijke beslissingen rondom [de minderjarige], zoals ook blijkt in de brief van 21 november 2025 van Jeugdbescherming West. Alhoewel de moeder stelt dat ze wel degelijk contact heeft met [de minderjarige] en de vader en meewerkt aan het tot stand brengen van gezagsbeslissingen, is uit de overgelegde stukken het tegendeel gebleken. Daarnaast is het contact tussen [de minderjarige] en de moeder wisselend dan wel geheel afwezig, waardoor de moeder niet op de hoogte is van [de minderjarige] ’s leven. De rechtbank acht de moeder dan ook onvoldoende in staat om in te schatten waar de belangen van [de minderjarige] het meest mee zijn gediend als het aankomt op gezagsbeslissingen.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem voortaan met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten toewijzen

Proceskosten

Het verzoek van de vader wordt toegewezen, zodat er al daarom geen grond is om het verzoek van de moeder ten aanzien van de proceskosten toe te wijzen. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen.

BeslissingDe rechtbank:

*

bepaalt dat voortaan alleen aan de vader [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1980 in [geboorteplaats 2] het gezag zal toekomen over [de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1];

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.