Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30464Zaaknummer K/4502/12177362

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
K/4502/12177362
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht tandarts. Facturen na herberekening toegewezen Tegenvordering wegens wanprestatie en onrechtmatige daad afgewezen. Onmiddellijke opzegging door opdrachtgever aanvaard, geen verzuim. Enkele negatieve Google-review niet onrechtmatig. Schade onvoldoende onderbouwd.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 8.689,18, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 7.617,78, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 755,89 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.895,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen van [partij B] af,

5.5.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 866,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in conventie en in reconventie

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie
  5. 5 De beslissing in conventie en in reconventie

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Den Haag

Zaaknummer: 12177362 \ RL EXPL 26-7789

MB/B/C

Vonnis van 5 oktober 2026

in de zaak van

[partij A], handelend onder de naam [handelsnaam],

te [woonplaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij A],

gemachtigde: COLLECT 1 B.V.,

tegen

1 de vennootschap onder firma [partij B],

te [plaats], alsmede ieder van haar vennoten:

2. [vennoot 1],

3. [vennoot 2],

4. [vennoot 3],

5. [vennoot 4],

allen te [woonplaats 2],

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

gemachtigde: mr. T. Vogelzang,

hierna samen te noemen: [partij B].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 25 februari 2026, met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van 4 juni 2026, met producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte overlegging met producties;
  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.

De mondelinge behandeling was op 7 september 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Die zittingsaantekeningen bevinden zich in het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De kern van de zaak

2.1.

[partij A] is op grond van een (schriftelijke) overeenkomst van opdracht (‘de overeenkomst’) in de maanden september, oktober en november 2024 werkzaam geweest als tandarts in de praktijk van [partij B]. Zij heeft voor die werkzaamheden twee facturen gestuurd van in totaal € 11.917,05 die onbetaald zijn gebleven. [partij B] erkent die facturen tot een bedrag van € 6.193,47 maar beroept zich op verrekening en vordert in reconventie schadevergoeding wegens wanprestatie en onrechtmatig handelen van [partij A] op vier verschillende gronden die hieronder nader worden besproken. De rechtbank wijst de vordering van [partij A] toe tot een bedrag van € 7.616, vermeerderd met rente en kosten. De door [partij B] in reconventie gestelde wanprestatie en schade is onvoldoende onderbouwd en wordt afgewezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[partij A] vordert - samengevat - veroordeling van [partij B], hoofdelijk, tot betaling van € 11.917,05, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[partij A] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [partij A] heeft in de maanden september, oktober en november 2024 op grond van de overeenkomst als tandarts gewerkt in de praktijk van [partij B]. Zij heeft daarvoor twee facturen gestuurd en heeft, ondanks aanmaning, geen betaling voor die facturen ontvangen.

3.3.

[partij B] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure. [partij B] erkent de vordering van [partij A] tot een bedrag van € 6.193,49 maar beroept zich op verrekening met haar vordering in reconventie.

in reconventie

3.4.

[partij B] vordert na eiswijziging - samengevat - veroordeling van [partij A] tot betaling van € 44.389,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

[partij B] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [partij A] is op verschillende punten tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [partij A] heeft behandelingen onjuist uitgevoerd en administratieve fouten gemaakt. Daarnaast heeft zij op enig moment éénzijdig en zonder opgaaf van redenen besloten een dag minder per week te gaan werken en heeft zij uiteindelijk, zonder opgaaf van redenen, de overeenkomst éénzijdig met onmiddellijke ingang opgezegd. Tot slot heeft zij zich nadien negatief uitgelaten over [partij B] en daarmee onrechtmatig gehandeld tegenover [partij B]. [partij B] heeft door deze tekortkomingen en dit onrechtmatig handelen van [partij A] schade geleden tot een bedrag van € 44.389,00. Omdat [partij B] de vordering van [partij A] in conventie erkent tot een bedrag van € 6.193,49, en verrekening toepast met haar eigen vordering, vordert zij primair € 38.195,51 en subsidiair € 44.389,00.

3.6.

[partij A] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.

3.7.

[partij A] betwist behandelingen onjuist te hebben uitgevoerd en administratieve fouten te hebben gemaakt, en ook dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Eveneens betwist zij de door [partij B] gevorderde schade. Met betrekking tot het niet meer op maandag werken en ook de opzegging van de overeenkomst stelt [partij A] dat dit door [partij B] geaccepteerd is en dat hier pas naderhand bezwaar tegen gemaakt is.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie

4.1.

Tussen partijen is onbetwist dat op grond van artikel 5 van de overeenkomst [partij A] recht had op een vergoeding voor de werkzaamheden die zij in de praktijk van [partij B] verrichtte, gelijk aan 42% van het bruto-honorarium, zoals gedefinieerd in artikel 5.2.1 van de overeenkomst.

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat de relevante bedragen om het bruto-honorarium te berekenen uit het computersysteem van de praktijk werden gehaald. Het gaat om de aan patiënten te declareren bedragen, de btw en de doorbelaste materiaal- en techniekkosten. [partij A] gaf deze bedragen door aan haar boekhouder, die vervolgens de facturen voor [partij B] opstelde. [partij B] betwist de onderliggende deelposten niet, maar wel de eindbedragen van de facturen.

De bedragen van de facturen kloppen niet.

4.3.

Tijdens de zitting heeft [partij A] erkend dat haar facturen niet juist zijn berekend, omdat kennelijk op één factuur 58% is gebruikt in plaats van 42%, terwijl de andere factuur rekenkundig niet klopte. De kantonrechter heeft partijen de nieuwe berekening voorgehouden die leidt tot een totaalbedrag van € 7.617,78. Dit bedrag is vervolgens erkend door [partij A] en onweersproken gelaten door [partij B]. De kantonrechter zal daarom dit bedrag toewijzen.

Gevorderde rente

4.4.

[partij B] heeft de wettelijke handelsrente niet betwist. Die rente wordt daarom toegewezen over de toegewezen hoofdsom. Voor de ingangsdatum sluit de kantonrechter aan bij artikel 5.3.1 van de overeenkomst: 35 dagen na afloop van de maand waarop de werkzaamheden betrekking hebben.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.5.

[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (’BW’) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [partij A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kosten worden daarom toegewezen over de toe te wijzen hoofdsom. De gevorderde btw over deze kosten wordt afgewezen, omdat [partij A] onvoldoende heeft onderbouwd geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Toegewezen wordt een bedrag van € 755,89, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag in conventie wordt toegewezen:

- hoofdsom€7.617,78
- wettelijke handelsrente tot aan datum dagvaarding€1.071,40
- buitengerechtelijke incassokosten€755,89
Totaal€9.445,07
4.7.

[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€134,69
- griffierecht€753,00
- salaris gemachtigde€864,00(2 punten × € 432,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.895,69
4.8.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden aangesproken tot betaling van het hele bedrag. Voor zover één van hen betaalt, hoeft de ander dat bedrag niet meer te betalen.

in reconventie

4.9.

[partij B] stelt dat [partij A] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst en daarnaast onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [partij B] heeft zij daardoor schade geleden. Die schade wil zij deels verrekenen met het bedrag dat zij in conventie erkent verschuldigd te zijn.

4.10.

De kantonrechter bespreekt hierna de verschillende verwijten die [partij B] aan haar vordering ten grondslag legt.

[partij A] wijzigt zonder overleg het aantal dagen dat zij werkt

4.11.

Vast staat dat [partij A] rond 24 oktober 2024 aan [partij B] heeft laten weten dat zij niet langer op maandag wilde werken. Zij heeft toegelicht dat er op maandag onvoldoende patiënten werden ingepland en dat de assistentie onvoldoende was. Daarom verwachtte zij op één goed ingeplande werkdag efficiënter te kunnen werken. [partij B] stelt dat zij zich hiertegen heeft verzet en ook dat zij voor de maandagen juist personeel had aangenomen, maar heeft dat niet verder onderbouwd. Uit de WhatsApp-berichten blijkt wel dat [partij B] de wijziging vervelend vond, maar niet dat zij dit toen als wanprestatie heeft aangemerkt of [partij A] in gebreke heeft gesteld en gesommeerd heeft wel op maandag te komen. Ook de gestelde schade is niet onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Eenzijdige opzegging van de overeenkomst zonder opzegtermijn in acht te nemen

4.12.

Vast staat dat [partij A] de overeenkomst op 5 november 2024 mondeling heeft opgezegd en dit op 6 november 2024 per e-mail heeft bevestigd. Volgens [partij A] heeft [partij B] tijdens het gesprek van 5 november 2024 niet tegen de opzegging geprotesteerd, maar alleen gevraagd om een schriftelijke bevestiging. Ook heeft [partij B] meegedeeld dat de elektronische agenda van [partij A] per diezelfde datum zou worden gesloten zodat zij geen afspraken meer had. Dat is ter zitting niet weersproken.

4.13.

Onder die omstandigheden mocht [partij A] ervan uitgaan dat [partij B] de onmiddellijke beëindiging accepteerde. Dat werd versterkt doordat haar agenda direct werd gesloten en zij die dag naar huis werd gestuurd. De e-mailreactie van [partij B] van 6 november 2024 bevatte daarna wel verwijten en de mededeling dat de laatste factuur als schadevergoeding zou worden ingehouden. [partij A] heeft daarop dezelfde dag inhoudelijk gereageerd en zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van werkzaamheden in november 2024.

4.14.

De kantonrechter oordeelt daarom dat niet [partij A], maar [partij B] heeft aangestuurd op een onmiddellijke beëindiging, vooral door de agenda van [partij A] op5 november 2024 direct te sluiten. Daar komt bij dat [partij A] zich op 6 november 2024 nog beschikbaar heeft gehouden voor werk. Uit het dossier blijkt niet dat [partij B] haar daarna in gebreke heeft gesteld of heeft gesommeerd om weer aan het werk te gaan. Van verzuim aan de zijde van [partij A] is daarom geen sprake.

4.15.

Ook de overgelegde WhatsApp-berichten wijzen niet op wanprestatie van [partij A]. Daaruit volgt vooral dat betaling van de facturen volgens [partij B] nog op zich liet wachten vanwege latere declaraties bij patiënten en omdat de facturen nog moesten worden aangepast. Van een ingebrekestelling of een concrete schadevordering wegens de gestelde voortijdige opzegging blijkt ook daaruit niet.

Onjuiste patiënten behandeling, administratieve fouten en onjuiste declaraties

4.16.

[partij B] heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onjuiste behandelingen, administratieve fouten of onjuiste declaraties door [partij A]. Ook de daardoor gestelde schade is niet concreet onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom eveneens afgewezen.

Infomedics

4.17.

[partij B] stelt dat [partij A] de aanmeldprocedure bij Infomedics niet tijdig heeft voltooid en dat zij daardoor € 11.600 schade heeft geleden. [partij A] heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ook [partij B] zelf handelingen moest verrichten voor de aansluiting van [partij A] bij Infomedics en dat die kennelijk evenmin tijdig zijn verricht. Bovendien heeft [partij B] de gestelde schade niet onderbouwd. Ook hier is daarom naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van wanprestatie.

Overige vermeende schade

4.18.

Ook de overige schadeposten, te weten verspilling van materiaal (€ 755) en organisatorische kosten (€ 500), zijn niet onderbouwd. Deze posten worden daarom eveneens afgewezen.

Negatieve uitlatingen van eiseres over gedaagde

4.19.

[partij B] stelt tot slot dat [partij A] zich negatief over haar heeft uitgelaten tegenover klanten en personeel en door het plaatsen van een negatieve Google-review. Alleen die review is concreet overgelegd. Andere negatieve uitlatingen zijn niet onderbouwd. Ook de gestelde schade van € 12.000 is niet toegelicht. De enkele negatieve review is onvoldoende om onrechtmatig handelen van [partij A] aan te nemen.

Conclusie

4.20.

De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en evenmin onrechtmatig jegens [partij B] heeft gehandeld. Aan een beoordeling van de gestelde schade, die overigens ook onvoldoende is onderbouwd, komt de kantonrechter daarom niet toe. De vordering in reconventie wordt afgewezen.

4.21.

[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:

- salaris gemachtigde€866,00(2 punten × factor 0,5 x € 866,00)
Totaal€866,00
4.22.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.23.

Ook deze veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden aangesproken tot betaling van het hele bedrag. Voor zover één van hen betaalt, hoeft de ander dat bedrag niet meer te betalen.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 8.689,18, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 7.617,78, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 755,89 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.895,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen van [partij B] af,

5.5.

veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten van € 866,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in conventie en in reconventie

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.