Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30376Zaaknummer SGR 26/832
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 26/832
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep gegrond. De door eisers bestreden passage is rechtstreeks verbonden met de gevolgen die het gehanteerde parkeerbeleid aan de verleende omgevingsvergunning koppelt. Met het verlenen van de omgevingsvergunning zijn de aanspraken op een parkeervergunning van zowel eisers als de toekomstige bewoners en gebruikers van de woning veranderd.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 september 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/832
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar tegen een passage in de verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van het pand aan de [adres 1] naar twee woningen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eisers.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden passage voorziet in rechtsgevolg en dat het college eisers dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 13 december 2024 hebben eisers een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van de woning aan de [adres 1] tot twee woningen.
Met het besluit van 19 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
Met het besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Namens eisers is [eiser 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Feitelijke situatie
3. Het gaat hier om het veranderen van het pand aan de [adres 1] naar twee woningen. Daartoe hebben eisers aanvankelijk een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van het pand in twee koopwoningen. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat niet werd voldaan aan de geldende parkeereis. Tegen deze afwijzing hebben eisers bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank behandeld onder het zaaknummer SGR 25/7468.
Naar aanleiding van de genoemde afwijzing hebben eisers op 13 december 2024 een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd. Deze aanvraag zag op het veranderen van het pand in een koopwoning en een huurwoning, waardoor een vrijstelling van de parkeereis kon worden toegepast. Met het primaire besluit van 19 maart 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. In dit besluit is vermeld dat (toekomstige) bewoners en gebruikers van de [adres 2] als gevolg van de vrijstelling van de parkeereis niet in aanmerking komen voor een bewoners- of bedrijfsparkeervergunning. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze passage. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Juridisch kader
4. Ingevolge artikel 2:2 van de Nota parkeernormen Den Haag 2021 (de Nota parkeernormen) zijn verbouwplannen en transformatieprojecten met een gesaldeerde autoparkeervraag van minder dan tien parkeerplaatsen op grond van deze nota vrijgesteld van de autoparkeereis, indien:
- het geen koopwoningen betreft in de klassen groter dan 100 vierkante meter BVO;
- het een verbouwontwikkeling of functiewijziging betreft zonder regionale functie;
- de aanvrager niet afgelopen 5 jaar van de aanvraag van een omgevingsvergunning en binnen een straal van 200 meter voor een eerdere aanvraag van een omgevingsvergunning al is vrijgesteld voor een verbouwplan of transformatieproject;
- het verbouwplan of transformatieproject binnen gereguleerd gebied ligt en niet binnen 300 meter loopafstand van een gebied ligt waarbinnen geen parkeerregulering geldt; en
- voldoende mobiliteitsalternatieven in de omgeving van het verbouwplan of transformatieproject worden aangeboden.
Ingevolge artikel 2.2, tweede lid, van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (de Parkeerverordening) kan het college regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.
Ingevolge artikel 4.2.1 van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (de Parkeerregeling) kan het college een eerste bewonersvergunning verlenen aan een bewoner die
- in een vergunninggebied woont;
- houder of berijder van een motorvoertuig is;
- niet over een parkeergelegenheid op eigen terrein kan beschikken;
- niet woont in een gebouw en gebouwencomplex waarvoor een reductie van de autoparkeervraag is toegepast of een vrijstelling van de autoparkeereis is verleend.
Voorziet de bestreden passage in enig rechtsgevolg?
5. Eisers betogen dat het college hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hen heeft de passage in de omgevingsvergunning waarin is vermeld dat (toekomstige) bewoners van de [adres 2] niet in aanmerking komen voor een bewonersparkeervergunning, wel degelijk rechtsgevolg. Zij voeren aan dat de vraag of een bewonersparkeervergunning kan worden verleend, afhankelijk is van de vraag of bij de omgevingsvergunning een reductie dan wel vrijstelling van de parkeereis is toegepast. Het college heeft dan ook miskend dat deze passage rechtstreeks van invloed is op de rechtspositie van toekomstige bewoners.
Het college stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende passage niet ziet op een vergunningvoorschrift, maar dat deze slechts een informatieve mededeling bevat zonder zelfstandig rechtsgevolg. Hoewel de vrijstelling van de parkeereis van belang is bij de beoordeling van een aanvraag om een bewonersparkeervergunning, wordt het recht op een dergelijke vergunning niet geregeld in de Nota parkeernormen, maar in de Parkeerverordening en de Parkeerregeling, aldus het college.
Beoordeling door de rechtbank
Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, kan een belanghebbende bezwaar en beroep instellen tegen een besluit.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het begrip rechtshandeling doelt op een handeling die gericht is op een rechtsgevolg, ofwel een handeling die verandering brengt in de rechten, plichten of aanspraken van degene tot wie de beslissing is gericht.
De rechtbank is van oordeel dat de passage waarin is vermeld dat de (toekomstige) bewoners en gebruikers van de woning aan de [adres 2] vanwege de vrijstelling van de parkeereis niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning, op rechtsgevolg is gericht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de passage niet uitsluitend als nadere aanwijzing in onderdeel C van het primaire besluit is opgenomen, maar deel uitmaakt van de motivering van de omgevingsvergunning. Het college heeft de vrijstelling van de parkeereis en de uitsluiting van de (toekomstige) parkeervergunningen daarmee uitdrukkelijk betrokken bij de verlening van de omgevingsvergunning.
Voorts is ter zitting gebleken dat aan de vrijstelling van de parkeereis in de praktijk concrete gevolgen worden verbonden. Adressen waarvoor een dergelijke vrijstelling is verleend, worden opgenomen op een lijst van adressen waarvan bewoners en gebruikers niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Deze werkwijze wordt bevestigd in artikel 4.2.1 van de Parkeerregeling. Bovendien is in de toelichting op de Nota parkeernormen het volgende vermeld:
‘Het beleid heeft gevolgen voor de uitgifte van parkeervergunningen. De gemeente handhaaft op de afspraken over de parkeersituatie die opgenomen worden in de omgevingsvergunning, bijvoorbeeld in het geval dat de bewoners en gebruikers van een nieuwbouwcomplex niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. De lasten van de gemeente van dit beleid zijn verweven in de planvoorbereiding en het proces van toekenning van omgevingsvergunning.’
Onder voornoemde omstandigheden kan de passage dan ook niet worden beschouwd als louter een (informatieve) mededeling over mogelijke toekomstige gevolgen van de omgevingsvergunning. De passage is rechtstreeks verbonden met de gevolgen die het gehanteerde parkeerbeleid aan de verleende omgevingsvergunning koppelt. Met het verlenen van de omgevingsvergunning zijn de aanspraken op een parkeervergunning van zowel eisers als de toekomstige bewoners en gebruikers van de woning aan de [adres 2] veranderd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de passage beschouwd dient te worden als inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, en daarmee als een appellabel besluitonderdeel als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het college heeft het bezwaar van eisers dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog van eisers slaagt. De overige beroepsgronden van eisers behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door zijn gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting, bedraagt de vergoeding in totaal € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 september 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.