Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30081Zaaknummer K/4502/12240552
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4502/12240552
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Huurrecht, huurachterstand. Oneerlijk bik-beding. Ontbinding en ontruiming toegewezen. Minderjarige kinderen, art. 3 IVRK.
5 De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres];
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Haag Wonen zijn, en de sleutels af te geven aan Haag Wonen;
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Haag Wonen:
- € 5.403,18 aan achterstallige huur tot en met september 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening;
- € 665,22 per maand vanaf 1 oktober 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.571,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de veroordelingen dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
| Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.M. Veraart en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JB/b
Zaaknummer: 12240552 \ RL EXPL 26-10447
Vonnis van 13 oktober 2026
in de zaak van
de stichting WONINGSTICHTING HAAG WONEN,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: Haag Wonen,
gemachtigde: AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders (Rotterdam),
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 6 mei 2026;
- de aantekening van de griffier van de mondeling genomen conclusie van antwoord van 27 mei 2026;
- de akte aanvullende producties van de zijde van Haag Wonen van 15 september 2026.
Op 15 september 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor Haag Wonen is verschenen [naam 1] en [naam 2]. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling per e-mail laten weten niet te zullen verschijnen wegens ziekte. De kantonrechter heeft in deze e-mail geen uitstelverzoek gelezen. De mondelinge behandeling is dus gehouden. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] huurt sinds 1 februari 2018 van Haag Wonen de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde). Op grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst is [gedaagde] bij vooruitbetaling thans een huur van € 665,22 per maand aan Haag Wonen verschuldigd.
Op de huurovereenkomst zijn de ‘Algemene Huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte van Woningstichting Haag Wonen d.d. 1 oktober 2014’ (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
3 Het geschil
Haag Wonen vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden;
- veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 5.291,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.762,05 vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
- veroordeling van [gedaagde] tot maandelijkse betaling van een bedrag gelijk aan de geldende huur vanaf 1 juni 2026 tot de datum van ontruiming;
- veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Haag Wonen legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in haar betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst door een huurachterstand te laten ontstaan. Volgens Haag Wonen bedroeg de achterstand per 1 mei een bedrag van € 4.762,05, een achterstand van meer dan zeven maanden. Volgens Haag Wonen is hiermee sprake van een ernstige tekortkoming, waardoor zij recht en belang heeft bij de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] is ondanks aanmaning en sommatie in gebreke gebleven met tijdige en volledige betaling van de huurpenningen. Hierdoor maakt Haag Wonen ook aanspraak op een bedrag van € 435,15 aan buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 94,66 aan rente berekend tot 1 mei 2026.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat de achterstand is ontstaan doordat haar partner met zijn werk als ZZP’er in de wegenbouw niet kon zorgen voor voldoende inkomsten. Tevens voert zij aan dat er vijf kinderen (van 3, 6, 16, 18 en 19) in het gehuurde wonen.
4 De beoordeling
De algemene huurvoorwaarden bevatten een oneerlijk beding
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen in artikel 6.1 (rente), artikel 7 (huurprijswijziging) en artikelen 21.1 en 21.2 (buitengerechtelijke kosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst. De bedingen ten aanzien van de rente en huurprijswijziging zijn niet oneerlijk bevonden. Over het beding ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter als volgt.
In artikel 21.1 en artikel 21.2 van de algemene voorwaarden staat het volgende:
“21.1 Indien één van de partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting – die als gevolg van de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust – waardoor de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten nemen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de partij die in verzuim is.
Wanneer de ene partij als gevolg van dit artikel aan de andere partij buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, moet hij die betalen op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft. Deze kosten bedragen ten minste 15% van de (uit handen gegeven) vordering met een minimum van € 25,- vermeerderd met het geldende BTW-percentage.”
De bedingen in artikel 21.1 en artikel 21.2 van de algemene voorwaarden wijken ten nadele van de consument af van de wettelijke regelingen in artikel 6:96 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, die zonder deze bedingen (dwingend) zouden gelden. De bedingen zijn daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Dit leidt ertoe dat de bedingen worden vernietigd. De buitengerechtelijke kosten zijn daarom niet toewijsbaar. Omdat sprake is van oneerlijke bedingen, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk.[_35a7e12c-c3f9-4dae-8a58-06dc5a677c57]
[gedaagde] moet de huurachterstand en de wettelijke rente daarover betalen
[gedaagde] heeft de bij dagvaarding gevorderde achterstand niet betwist, zodat de hoofdsom in beginsel toewijsbaar is. Ter zitting heeft Haag Wonen aan de hand van een actuele specificatie van de huurachterstand aangevoerd dat de achterstand tot en met september 2026 een bedrag van € 5.403,18 bedraagt. Door niet te verschijnen op de zitting, heeft [gedaagde] de totale huurachterstand niet weersproken. Hiermee is vast komen te staan dat de totale achterstand een bedrag van € 5.403,18 bedraagt. De gevorderde betalingsachterstand zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen.
[gedaagde] is dus te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en is daarom de wettelijke rente over de huurachterstand verschuldigd, zoals vermeld in de beslissing.
De huurovereenkomst zal worden ontbonden, waardoor [gedaagde] de woning zal moeten verlaten
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.[_5f36c920-be86-46a3-a36c-185e2362ef9c] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.[_f320568d-0338-4880-84c9-5b1c551d5809]
Door een huurachterstand te laten ontstaan is [gedaagde] tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting om huur te betalen jegens Haag Wonen. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de hiervoor genoemde “tenzij-situatie” en aldus aangevoerd dat de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet. Hoewel duidelijk is dat [gedaagde] een groot belang heeft bij behoud van de woning, dient dit belang te wijken voor het belang van Haag Wonen. [gedaagde] betaalt weliswaar sinds drie maanden weer de lopende huur, maar de achterstand is sinds dagvaarding met een maand toegenomen en bedraagt inmiddels acht maanden. Dat is een forse achterstand. Daar komt bij dat niet is gebleken dat [gedaagde] op korte termijn de huurachterstand kan inlopen. [gedaagde] heeft laten weten dat zij een spoedaanvraag voor bewind heeft gedaan en dat zij wordt ondersteund door de gemeente, maar door niet ter zitting te verschijnen is het onduidelijk wat de stand van zaken hierbij is. Hierdoor gaat de kantonrechter er vanuit dat er momenteel geen concreet zicht is op aflossing van de huurachterstand. Hierdoor kan van Haag Wonen niet worden gevergd dat zij de huurovereenkomst met [gedaagde] voortzet.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat Haag Wonen heeft geconstateerd dat er twee minderjarige kinderen zijn ingeschreven op het adres van het gehuurde, in plaats van drie zoals [gedaagde] heeft aangevoerd. Vast staat dus dat er minderjarige kinderen in het gehuurde aanwezig zijn. Dit betekent niet dat de huurovereenkomst met die huurder mag worden ontbonden. Een ouder van minderjarige kinderen is in principe zelf verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontruiming kunnen leiden. De kantonrechter ziet, gelet op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en rekening houdend met de belangen van de aanwezige minderjarige kinderen, aanleiding om een ruimere ontruimingstermijn te bepalen dan door Haag Wonen is gevorderd. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op drie maanden na betekening van dit vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
[gedaagde] moet tot ontbinding van de huurovereenkomst de huur en na ontbinding van de huurovereenkomst een gebruiksvergoeding betalen
Haag Wonen wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 665,22, te rekenen vanaf 1 oktober 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
De kantonrechter kan geen betalingsregeling opleggen
[gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord aangegeven dat zij een betalingsregeling wenst te sluiten met Haag Wonen. De kantonrechter kan geen betalingsregeling opleggen. Het is aan partijen om daar in onderling overleg nadere afspraken over te maken. Haag Wonen heeft ter zitting al aangegeven dat zij de mogelijkheden voor een regeling zal onderzoeken zodra zij bericht ontvangt van de gemeente.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Haag Wonen worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 153,02 | |
| - griffierecht | € | 554,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 720,00 | (2 punten × € 360,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.571,02 |
5 De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres];
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Haag Wonen zijn, en de sleutels af te geven aan Haag Wonen;
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Haag Wonen:
- € 5.403,18 aan achterstallige huur tot en met september 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening;
- € 665,22 per maand vanaf 1 oktober 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.571,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de veroordelingen dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
| Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.M. Veraart en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.