Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 9 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29873Zaaknummer C/09/688790 / FA RK 25-5490
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Publicatiedatum
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/688790 / FA RK 25-5490
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gerechtelijke vaststelling vaderschap en kinderalimentatie. verdeling draagkracht over alle kinderen. delen kosten deskundige onderzoek.
De rechtbank:
*
stelt vast het ouderschap van:
[de man], geboren op [geboortedatum 2] 1980 te [geboorteplaats 2], [geboorteland 1]
over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1]
uit:
[de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1980 te [geboorteplaats 3], [geboorteland 2];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
veroordeelt de moeder in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek in die zin dat zij aan de griffier van deze rechtbank een bedrag van € 377,50, inclusief BTW, dient te voldoen voor op grond van artikel 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlopig in debet gestelde deskundigenkosten;
*
veroordeelt de man in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek in die zin dat hij aan de griffier van deze rechtbank een bedrag van € 377,50, inclusief BTW, dient te voldoen voor op grond van artikel 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlopig in debet gestelde deskundigenkosten;
*
bepaalt dat betaling aan de griffier dient te geschieden door middel van betaling van een door de moeder respectievelijk de man te ontvangen factuur, afkomstig van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), binnen twee weken na ontvangst daarvan;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1], van € 66,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5490
Zaaknummer: C/09/688790
Datum beschikking: 9 september 2026
Gerechtelijke vaststelling ouderschap en vaststelling kinderalimentatie
Beschikking op het op 18 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A.R. Oosthout te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Arslan te ’s-Gravenhage,
en
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1],
de minderjarige (hierna: [minderjarige]),
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.G. Schnoor, advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 25 augustus 2025 is mr. Schnoor voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen. Iedere verdere beslissing is pro forma aangehouden.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 december 2025 is een DNA-onderzoek gelast van de man en de minderjarige. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, de kosten van het deskundigenonderzoek en de kinderalimentatie zijn pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het F9 formulier van 2 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
- het bericht van 14 april 2026 van Verilabs;
- het bericht van 20 april 2026 van Verilabs;
- het rapport van Verilabs van 4 mei 2026, ingekomen op 7 mei 2026;
- het F9 formulier van 15 mei 2026, met bijlage, van de bijzondere curator;
- het F9 formulier van 19 mei 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- het verweerschrift;
- het F9 formulier van 20 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de man, ingekomen op 3 augustus 2026;
- het F9 formulier van 4 augustus 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
- het F9 formulier van 20 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de man.
Op 12 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- mr. J.G. Schnoor, de bijzondere curator.
Na de zitting is ontvangen:
- het F9 formulier van 12 augustus 2026, met bijlage, van de zijde van de man.
Beoordeling
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
De man en [minderjarige] hebben zich overeenkomstig het bepaalde in de beschikking van 8 december 2025 gemeld bij Verilabs, alwaar een DNA-onderzoek is uitgevoerd. Uit het overgelegde rapport van DNA-onderzoek van Verilabs blijkt dat met meer dan 99,999% zekerheid is aangetoond dat de man de verwekker is van [minderjarige].
Nu uit het DNA-onderzoek is gebleken dat de man de verwekker is van [minderjarige] adviseert de bijzondere curator het vaderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen. De bijzondere curator is van mening dat uit jurisprudentie volgt dat voor de vaststelling van het vaderschap van een man uitsluitend vereist is dat deze de verwekker van het kind is. Het belang van
het kind bij de bevestiging van een vader weegt zwaarder dan het belang van de verwekker om verstoken te blijven van enige relatie met het kind (HR 25 maart 2005; ECLI:NL:HR:2005:AT0412 en Gerechtshof Amsterdam d.d. 1 juli 2025 ECLI:NL:GHAMS 2025:1692).
Ondanks een positieve DNA-test blijft de man bij zijn standpunt dat het vaststellen van het vaderschap niet in het belang van [minderjarige] is omdat hij geen rol wil spelen in diens leven. Alhoewel de man heeft ingestemd met de daad die tot de verwekking heeft geleid voelt de man zich misleid door de moeder. Zij aan de pil zijn. De man is het contact met de moeder op Tinder aangegaan voor een one night stand. Het was nooit de bedoeling om kinderen te verwekken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ondanks dat de man geen band met [minderjarige] wenst op te bouwen, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat hij weet heeft, op of termijn kan hebben, van zijn afstamming en dat in zijn geboorteakte wordt gemeld van wie hij afstamt. Het belang van [minderjarige] om zijn afstamming te kennen prevaleert boven de wens van de man om niet als verwekker van [minderjarige] te worden beschouwd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap toewijzen.
[minderjarige] zal op grond van artikel 1:5 lid 2 BW de geslachtsnaam van de moeder aanhouden omdat de moeder en de man niet gezamenlijk hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal aannemen.
Kosten DNA-onderzoek
In de tussenbeschikking van deze rechtbank van 8 december 2025 zijn de kosten voor het DNA-onderzoek aan de vrouw in debet gesteld. Blijkens de factuur van Verilabs bedragen de kosten voor het DNA-onderzoek € 755.-. Deze kosten zijn nog niet door de moeder voldaan omdat zij op basis van een toevoeging procedeert en haar geen voorschot is opgelegd.
In de tussenbeschikking heeft de rechtbank overwogen dat een DNA-onderzoek het meest gerede middel is om het eventuele verwekkerschap van de man over [minderjarige] te bewijzen. Dit ook mede gelet op het feit dat de man twijfelde of hij de verwekker is van [minderjarige]. Uit het DNA-verwantschapsonderzoek is gebleken dat de man inderdaad, zoals door de moeder is gesteld, de verwekker van [minderjarige] is.
De rechtbank ziet geen aanleiding om één van beide partijen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek te veroordelen en zal bepalen dat de man en de moeder elk de helft van de kosten van het DNA-onderzoek voor hun rekening moeten nemen, te weten € 377,50 per persoon.
De man en de moeder zullen elk een factuur krijgen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak om hun aandeel in de kosten van het DNA-onderzoek te voldoen.
Bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Kinderalimentatie
De moeder verzoekt te bepalen dat de man een bedrag van € 500,- moet betalen als kinderalimentatie voor [minderjarige].
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum vaststellen. De moeder heeft op de zitting aangegeven de datum van de beschikking te willen hanteren als ingangsdatum. De man heeft aangegeven zich daarin te kunnen vinden nu deze datum in de toekomst is gelegen nadat het verwekkerschap is vastgesteld.
De rechtbank zal gelet op de overeenstemming tussen de moeder en de man de ingangsdatum bepalen op de datum van de beschikking, zijnde 9 september 2026.
Behoefte
De moeder en de man zijn het met elkaar eens dat zij nooit met elkaar hebben samengewoond en ook geen relatie met elkaar hebben gehad. De man heeft een behoefteberekening overgelegd waaruit een behoefte van [minderjarige] in 2026 van € 374,- volgt. De moeder heeft op de zitting aangegeven zich in deze berekening te kunnen vinden. De rechtbank zal daarom uitgaan van een behoefte van [minderjarige] in 2026 van € 374,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding de moeder en de man dienen bij te dragen in de behoefte van [minderjarige]. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van [minderjarige] tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)]
Vanwege de ingangsdatum, te weten 9 september 2026, rekent de rechtbank met de tarieven 2026-II.
Draagkracht van de man
Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van zijn bruto arbeidsinkomen volgend uit zijn salarisspecificatie van juni 2026. Hieruit volgt een salaris van € 5.036,- per maand.
De rechtbank zal ook rekening houden met:
- IKB van € 831,- per maand;
- premie ABP/NP van € 357,- per maand;
- premie ABP/AP van € 7,- per maand;
- premie AOV van € 43,- per maand.
De rechtbank houdt verder rekening met:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
De man heeft op de zitting aangegeven dat hij vanwege betrokkenheid bij een ongeluk letselschade moet betalen. De man heeft daarvoor een lening afgesloten bij DEFAM van € 30.000,-. Uit de stukken blijkt dat de man € 470,48 per maand aflost op deze schuld.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:40) bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige – in dit geval de man – rekening moet worden gehouden met alle schulden, ongeacht of op deze schulden wordt afgelost en ongeacht wanneer deze schulden zijn aangegaan. Dit kan anders zijn, als een schuld verwijtbaar of vermijdbaar is. Een schuld is verwijtbaar als de onderhoudsplichtige de schuld niet had mogen aangaan gelet op zijn onderhoudsverplichting. Een schuld is vermijdbaar als de onderhoudsplichtige zich van de schuld kan bevrijden.
De rechtbank is van oordeel dat de schuld van de man niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is. Het betreft immers een lening ten behoeve van de aflossing van de letselschade die de man moet betalen. De rechtbank zal daarom ook rekening houden met extra lasten van € 470,- per maand.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.902,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 627,- per maand.
De man heeft aangegeven dat hij twee kinderen heeft met zijn ex-partner waarvoor hij geïndexeerd naar 2026 ongeveer € 800,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen. Dit blijkt uit de Basisregistratie personen en het ouderschapsplan dat de man heeft overgelegd. De man heeft ook één kind met zijn huidige partner. Dit blijkt uit de geboorteakte welke de man na de zitting heeft overgelegd. De man heeft verder aangegeven dat hij voor zowel zijn huidige partner als zijn kind een bedrag van € 750,- per maand overmaakt. Dit blijkt uit de bankafschriften die de man heeft overgelegd.
In deze procedure ligt alleen de kinderalimentatie ten aanzien van [minderjarige] voor. De rechtbank acht het redelijk om, bij gebrek aan financiële gegevens van de ex- en huidige partner van de man de draagkracht van de man aan te wenden voor vier kinderen. Dat betekent dat er voor [minderjarige] (627/4) = € 157,- aan draagkracht beschikbaar is.
Draagkracht van de moeder
Voor de berekening van de draagkracht van de moeder zal de rechtbank uitgaan van haar bruto arbeidsinkomen volgend uit haar salarisspecificatie van april 2026. Hieruit volgt een salaris van € 2.888,- per maand.
De rechtbank zal ook rekening houden met:
- premie OP/NP van € 192,- per maand;
- premie AOP van € 6,- per maand;
- premie AOV van € 22,- per maand;
- vakantiegeld van € 231,- per maand (8% van € 2.888,-);
- oktobertoelage van € 109,- per maand;
- eindejaarsuitkering van € 241,- per maand.
De rechtbank houdt verder rekening met:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- het kindgebonden budget;
- de alleenstaande ouderkop;
- de combinatiekorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.454,- per maand. De draagkracht van de moeder bedraagt € 737,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van de moeder en de man in 2026 is (€ 157,- + € 737,- =) € 894,- en is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] van € 374,- te voorzien.
De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 157 / 894 x 374 = € 66,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 737 / 894 x 374 = € 308,-
Totaal: € 374,-
Zorgkorting
De rechtbank zal geen rekening houden met een zorgkorting nu er geen omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] wordt vastgesteld.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man, met ingang van 9 september 2026, een kinderalimentatie van € 66,- per maand aan de moeder moet betalen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast het ouderschap van:
[de man], geboren op [geboortedatum 2] 1980 te [geboorteplaats 2], [geboorteland 1]
over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1]
uit:
[de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1980 te [geboorteplaats 3], [geboorteland 2];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
veroordeelt de moeder in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek in die zin dat zij aan de griffier van deze rechtbank een bedrag van € 377,50, inclusief BTW, dient te voldoen voor op grond van artikel 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlopig in debet gestelde deskundigenkosten;
*
veroordeelt de man in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek in die zin dat hij aan de griffier van deze rechtbank een bedrag van € 377,50, inclusief BTW, dient te voldoen voor op grond van artikel 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlopig in debet gestelde deskundigenkosten;
*
bepaalt dat betaling aan de griffier dient te geschieden door middel van betaling van een door de moeder respectievelijk de man te ontvangen factuur, afkomstig van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), binnen twee weken na ontvangst daarvan;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1], van € 66,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.