Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Den Haag, 22 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27680Zaaknummer 23_6957
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23_6957
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bpm - Mandaatverbod is niet geschonden. Artikel 8:42 van de Awb is niet geschonden. Niet aannemelijk is dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag Bpm is uitgegaan van een te lage historische nieuwprijs of een te hoge huidige inkoopwaarde. Beroep ongegrond.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Overwegingen
1. Eiseres heeft op 21 juni 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een BMW X6 (de auto). Tot de stukken van het geding behoort een aankoopfactuur van 7 mei 2022. Volgens de aankoopfactuur heeft eiseres de auto gekocht voor € 67.500.
2. Tot de stukken van het geding behoort een op 13 mei 2022 gedagtekende factuur van [herstelbedrijf]. Ter zake van schadeherstel aan de auto is door [herstelbedrijf] bij eiseres € 15.730 in rekening gebracht. Eiseres heeft dit bedrag op 16 mei 2022 voldaan.
3. Tot de stukken van het geding behoort tevens een taxatierapport van [de taxateur] BV (de taxateur). De taxateur heeft de auto op 25 mei 2022 met inachtneming van een waardevermindering wegens schade getaxeerd op een handelsinkoopwaarde van € 45.000. De taxateur heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 115.600 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 67.500.
4. In de aangifte is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 45.000. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 11.515 en is op aangifte voldaan.
5. De auto is op 21 juni 2022 door de RDW goedgekeurd.
6. Op 29 juni 2022 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Door DRZ is de huidige inkoopwaarde bepaald op € 77.566. Daartoe is op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 80.322 een waardevermindering wegens schade toegepast van € 2.756, ofwel 72% van de door DRZ geconstateerde schade.
7. Aan eiseres is een naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De nageheven Bpm bedraagt € 7.550. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 120.348 en een huidige inkoopwaarde van € 77.566. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 31.
8. De naheffingsaanslag in bij uitspraak op bezwaar van 12 okt 2023 gehandhaafd.
9. Op verzoek van eiseres is gedurende de beroepsfase een Xray-koerlijst opgesteld waarin de historische nieuwprijs van de auto is bepaald op € 125.532 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 62.172.
10. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
11. Eiseres stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [naam 1], maar dat mag worden aangenomen dat [naam 1], als algemeen directeur van de afdeling [afdeling], niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens eiseres kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
12. Ter zitting is door verweerder een schermprint getoond waarop de user-id’s zijn opgenomen van de behandelaar van de naheffingsaanslag en degene die de kennisgeving en de mededeling hebben gemaakt en opgevoerd. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat dit stuk tardief moet worden verklaard. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. Het betreft een voor de zaak relevant stuk dat zeer beperkt van omvang en niet ingewikkeld is en dat uitsluitend ziet op het formele punt door eiseres aan de orde gesteld in haar aanvullend beroep. Het stuk vermeldt de namen van de behandelaren van de naheffingsaanslag en van de kennisgeving en mededeling. Eiseres heeft ter zitting voldoende gelegenheid gehad om hier adequaat op te kunnen reageren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde ruime ervaring heeft in BPM-zaken met gelijke formele kwesties. Eiseres is door de late indiening van het stuk dan ook niet in zijn procesbelang geschaad.
13. Uit het door verweerder overgelegde stuk en de korte toelichting die hij ter zitting hierop heeft gegeven komt naar voren dat de behandelaar van de naheffingsaanslag ‘ [gebruikersnaam 1] ’is en dat degene die de kennisgeving en de mededeling heeft gemaakt en opgevoerd ‘ [gebruikersnaam 2] ’ is. Er is dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat [naam 2], die de uitspraak op bezwaar heeft ondertekend, betrokken is geweest bij het opleggen van onderhavige naheffingsaanslag. Van schending van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de rechtbank geen sprake.
14. Ter zitting is door eiseres gesteld dat artikel 8:42 van de Awb is geschonden omdat tot de stukken die door verweerder aan de rechtbank zijn verzonden geen ‘verslag van heffen’ behoort. Dit verslag is haars inziens van belang voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een schending van het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid, Awb. Hierop is door verweerder verklaard dat een dergelijk verslag in de onderhavige zaak inderdaad is opgemaakt. Verweerder heeft ter zitting het verslag getoond en toegelicht. In het verslag zijn korte aantekeningen opgenomen die zien op de administratieve voorbereidende handelingen van een medewerker ‘ [gebruikersnaam 3] ’. Verweerder heeft gesteld dat dit de aangiftebehandelaar is die niet betrokken is geweest bij de naheffings- en/of de bezwaarfase. Verweerder betwist dat sprake is van een 8:42 stuk.
15. De rechtbank stelt voorop dat stukken in beginsel behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken indien zij de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en van belang kunnen zijn voor de beslechting van de feitelijke en juridische geschilpunten in de aan de orde zijnde zaak. Met het overgelegde document en de onweersproken toelichting van de inspecteur ter zitting staat naar oordeel van de rechtbank vast dat het verslag uitsluitend een administratief voorbereidende handeling betreft ("voorportaal"), welk verslag is opgesteld door de ambtenaar die de aangifte regelt. De opsteller van dit verslag heeft op geen enkele wijze materiële of formele betrokkenheid gehad bij de latere besluitvorming, te weten het opleggen van de naheffingsaanslag of de afhandeling van het bezwaar. Nu het verslag van heffen en de inhoud ervan geen enkele rol heeft gespeeld — en redelijkerwijs ook niet had kunnen spelen — bij de totstandkoming en de rechtmatigheid van de bestreden naheffingsaanslag, kan dit verslag niet bijdragen aan de beslechting van de rechtsstrijd (inclusief de grief omtrent het mandaatverbod). Dit verslag is geen op de zaak betrekking hebbend stuk is in de zin van artikel 8:42 Awb.
16. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025[_40a27c62-76be-499b-bb92-0d1b2ed4101f] slaagt de beroepsgrond van eiseres met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
17. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat zij ten grondslag heeft gelegd aan de aangifte. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, waaronder het rapport van DRZ met omvangrijk fotomateriaal, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met meer schade rekening had moeten houden dan reeds door verweerder is toegekend. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de door de taxateur bepaalde handelsinkoopwaarde ver af ligt van de eigen aankoopprijs en veel van de door eiseres gestelde schade blijkens de betaalde factuur van [herstelbedrijf] voorafgaande aan de taxatie door de taxateur reeds was hersteld.
18. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de kwalificatie door DRZ van een aantal beschadigingen als normale gebruikssporen. Dat, zoals eiseres stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en verdergaande schade en dat de beoordeling door DRZ daarvan afwijkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat volgens eiseres binnen de branche zou zijn ontwikkeld.
19. Eiseres stelt subsidiair dat op basis van de door DRZ gehanteerde nettocatalogusprijs moet worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 125.531, hetgeen met zich brengt dat, met inachtneming van een handelsinkoopwaarde van € 62.172 en een waardevermindering wegens schade van € 2.756, de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 3.089. De rechtbank volgt eiseres hierin niet en stelt in dit verband voorop dat op verweerder met betrekking tot de waardevermindering geen enkele bewijslast rust. De schouw van de auto door DRZ vindt dan ook niet plaats in het kader van enige bewijsvoering door verweerder, maar slechts ter controle van de aangifte van eiseres. Verweerder is wel gehouden zijn beslissing met betrekking tot het opleggen van een naheffingsaanslag en de hoogte hiervan te motiveren. Verweerder heeft zijn beslissing met betrekking tot (de hoogte van) de naheffingsaanslag onderbouwd met de door DRZ vastgestelde feiten. Eiseres lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat verweerder gehouden is de naheffingsaanslag vast te stellen als ware aangifte gedaan met een taxatierapport waarin de door DRZ vastgestelde feiten met betrekking tot de auto (zoals eigenschappen, omvang van de schade, historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde) zijn opgenomen.
20. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat de Xray-koerslijst waar eiseres de handelsinkoopwaarde van € 62.172 op baseert een andere uitvoering van de BMW X6 betreft en dat om die reden ook sprake is van een verschil in uitstoot CO2, en dat voorts ook niet duidelijk is naar aanleiding van welke vragen deze koerslijst is opgesteld. Hierop is door eiseres geen inzicht geboden ten aanzien van de totstandkoming van de koerslijst, en zij heeft de door verweerder terecht geconstateerde verschillen in uitvoering en uitstoot ook niet kunnen verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is deze koerslijst in onderhavige geval dan ook niet goed bruikbaar voor de heffing van Bpm.
21. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag Bpm terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
22. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
23. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
24. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.
25. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 26 april 2023 ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 12 oktober 2023. De rechtbank doet op 22 september 2026 uitspraak, waardoor tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak een periode van drie jaar en bijna vijf maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met een jaar en bijna vijf maanden zodat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 (3 maal € 500). De termijnoverschrijding dient geheel te worden toegerekend aan de beroepsfase.
26. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25).
27. Eiseres heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[_64b9efad-6156-48d5-8393-876c49ff8b1e] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/6957
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder
en
de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 12 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2026.
Namens eiseres is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Overwegingen
1. Eiseres heeft op 21 juni 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een BMW X6 (de auto). Tot de stukken van het geding behoort een aankoopfactuur van 7 mei 2022. Volgens de aankoopfactuur heeft eiseres de auto gekocht voor € 67.500.
2. Tot de stukken van het geding behoort een op 13 mei 2022 gedagtekende factuur van [herstelbedrijf]. Ter zake van schadeherstel aan de auto is door [herstelbedrijf] bij eiseres € 15.730 in rekening gebracht. Eiseres heeft dit bedrag op 16 mei 2022 voldaan.
3. Tot de stukken van het geding behoort tevens een taxatierapport van [de taxateur] BV (de taxateur). De taxateur heeft de auto op 25 mei 2022 met inachtneming van een waardevermindering wegens schade getaxeerd op een handelsinkoopwaarde van € 45.000. De taxateur heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 115.600 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 67.500.
4. In de aangifte is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 45.000. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 11.515 en is op aangifte voldaan.
5. De auto is op 21 juni 2022 door de RDW goedgekeurd.
6. Op 29 juni 2022 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. Door DRZ is de huidige inkoopwaarde bepaald op € 77.566. Daartoe is op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 80.322 een waardevermindering wegens schade toegepast van € 2.756, ofwel 72% van de door DRZ geconstateerde schade.
7. Aan eiseres is een naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De nageheven Bpm bedraagt € 7.550. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 120.348 en een huidige inkoopwaarde van € 77.566. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 31.
8. De naheffingsaanslag in bij uitspraak op bezwaar van 12 okt 2023 gehandhaafd.
9. Op verzoek van eiseres is gedurende de beroepsfase een Xray-koerlijst opgesteld waarin de historische nieuwprijs van de auto is bepaald op € 125.532 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 62.172.
10. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
11. Eiseres stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [naam 1], maar dat mag worden aangenomen dat [naam 1], als algemeen directeur van de afdeling [afdeling], niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens eiseres kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
12. Ter zitting is door verweerder een schermprint getoond waarop de user-id’s zijn opgenomen van de behandelaar van de naheffingsaanslag en degene die de kennisgeving en de mededeling hebben gemaakt en opgevoerd. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat dit stuk tardief moet worden verklaard. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. Het betreft een voor de zaak relevant stuk dat zeer beperkt van omvang en niet ingewikkeld is en dat uitsluitend ziet op het formele punt door eiseres aan de orde gesteld in haar aanvullend beroep. Het stuk vermeldt de namen van de behandelaren van de naheffingsaanslag en van de kennisgeving en mededeling. Eiseres heeft ter zitting voldoende gelegenheid gehad om hier adequaat op te kunnen reageren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde ruime ervaring heeft in BPM-zaken met gelijke formele kwesties. Eiseres is door de late indiening van het stuk dan ook niet in zijn procesbelang geschaad.
13. Uit het door verweerder overgelegde stuk en de korte toelichting die hij ter zitting hierop heeft gegeven komt naar voren dat de behandelaar van de naheffingsaanslag ‘ [gebruikersnaam 1] ’is en dat degene die de kennisgeving en de mededeling heeft gemaakt en opgevoerd ‘ [gebruikersnaam 2] ’ is. Er is dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat [naam 2], die de uitspraak op bezwaar heeft ondertekend, betrokken is geweest bij het opleggen van onderhavige naheffingsaanslag. Van schending van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de rechtbank geen sprake.
14. Ter zitting is door eiseres gesteld dat artikel 8:42 van de Awb is geschonden omdat tot de stukken die door verweerder aan de rechtbank zijn verzonden geen ‘verslag van heffen’ behoort. Dit verslag is haars inziens van belang voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een schending van het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid, Awb. Hierop is door verweerder verklaard dat een dergelijk verslag in de onderhavige zaak inderdaad is opgemaakt. Verweerder heeft ter zitting het verslag getoond en toegelicht. In het verslag zijn korte aantekeningen opgenomen die zien op de administratieve voorbereidende handelingen van een medewerker ‘ [gebruikersnaam 3] ’. Verweerder heeft gesteld dat dit de aangiftebehandelaar is die niet betrokken is geweest bij de naheffings- en/of de bezwaarfase. Verweerder betwist dat sprake is van een 8:42 stuk.
15. De rechtbank stelt voorop dat stukken in beginsel behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken indien zij de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en van belang kunnen zijn voor de beslechting van de feitelijke en juridische geschilpunten in de aan de orde zijnde zaak. Met het overgelegde document en de onweersproken toelichting van de inspecteur ter zitting staat naar oordeel van de rechtbank vast dat het verslag uitsluitend een administratief voorbereidende handeling betreft ("voorportaal"), welk verslag is opgesteld door de ambtenaar die de aangifte regelt. De opsteller van dit verslag heeft op geen enkele wijze materiële of formele betrokkenheid gehad bij de latere besluitvorming, te weten het opleggen van de naheffingsaanslag of de afhandeling van het bezwaar. Nu het verslag van heffen en de inhoud ervan geen enkele rol heeft gespeeld — en redelijkerwijs ook niet had kunnen spelen — bij de totstandkoming en de rechtmatigheid van de bestreden naheffingsaanslag, kan dit verslag niet bijdragen aan de beslechting van de rechtsstrijd (inclusief de grief omtrent het mandaatverbod). Dit verslag is geen op de zaak betrekking hebbend stuk is in de zin van artikel 8:42 Awb.
16. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025[_40a27c62-76be-499b-bb92-0d1b2ed4101f] slaagt de beroepsgrond van eiseres met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
17. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat zij ten grondslag heeft gelegd aan de aangifte. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, waaronder het rapport van DRZ met omvangrijk fotomateriaal, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met meer schade rekening had moeten houden dan reeds door verweerder is toegekend. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de door de taxateur bepaalde handelsinkoopwaarde ver af ligt van de eigen aankoopprijs en veel van de door eiseres gestelde schade blijkens de betaalde factuur van [herstelbedrijf] voorafgaande aan de taxatie door de taxateur reeds was hersteld.
18. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de kwalificatie door DRZ van een aantal beschadigingen als normale gebruikssporen. Dat, zoals eiseres stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en verdergaande schade en dat de beoordeling door DRZ daarvan afwijkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat volgens eiseres binnen de branche zou zijn ontwikkeld.
19. Eiseres stelt subsidiair dat op basis van de door DRZ gehanteerde nettocatalogusprijs moet worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 125.531, hetgeen met zich brengt dat, met inachtneming van een handelsinkoopwaarde van € 62.172 en een waardevermindering wegens schade van € 2.756, de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 3.089. De rechtbank volgt eiseres hierin niet en stelt in dit verband voorop dat op verweerder met betrekking tot de waardevermindering geen enkele bewijslast rust. De schouw van de auto door DRZ vindt dan ook niet plaats in het kader van enige bewijsvoering door verweerder, maar slechts ter controle van de aangifte van eiseres. Verweerder is wel gehouden zijn beslissing met betrekking tot het opleggen van een naheffingsaanslag en de hoogte hiervan te motiveren. Verweerder heeft zijn beslissing met betrekking tot (de hoogte van) de naheffingsaanslag onderbouwd met de door DRZ vastgestelde feiten. Eiseres lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat verweerder gehouden is de naheffingsaanslag vast te stellen als ware aangifte gedaan met een taxatierapport waarin de door DRZ vastgestelde feiten met betrekking tot de auto (zoals eigenschappen, omvang van de schade, historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde) zijn opgenomen.
20. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat de Xray-koerslijst waar eiseres de handelsinkoopwaarde van € 62.172 op baseert een andere uitvoering van de BMW X6 betreft en dat om die reden ook sprake is van een verschil in uitstoot CO2, en dat voorts ook niet duidelijk is naar aanleiding van welke vragen deze koerslijst is opgesteld. Hierop is door eiseres geen inzicht geboden ten aanzien van de totstandkoming van de koerslijst, en zij heeft de door verweerder terecht geconstateerde verschillen in uitvoering en uitstoot ook niet kunnen verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is deze koerslijst in onderhavige geval dan ook niet goed bruikbaar voor de heffing van Bpm.
21. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag Bpm terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
22. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
23. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
24. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.
25. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 26 april 2023 ontvangen en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 12 oktober 2023. De rechtbank doet op 22 september 2026 uitspraak, waardoor tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak een periode van drie jaar en bijna vijf maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met een jaar en bijna vijf maanden zodat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 (3 maal € 500). De termijnoverschrijding dient geheel te worden toegerekend aan de beroepsfase.
26. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25).
27. Eiseres heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[_64b9efad-6156-48d5-8393-876c49ff8b1e] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
- Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
- Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.