Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 8 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:26088Zaaknummer NL24.31992

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 september 2026
Publicatiedatum
9 september 2026
Zaaknummer
NL24.31992
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring art. 59 Vw, Unieburger. Ongewenstverklaring 2012 nog steeds van kracht, minister hoefde niet actuele dreiging te onderzoeken. Beroep ongegrond.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.31992

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1973, van Turkse nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Harmanci),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

1. Bij besluit van 18 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning afgewezen. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat de minister op het bezwaar heeft beslist.

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb[_43570f28-0cff-4793-b858-7454d5676691]uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. Op 21 mei 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Vervolgens heeft de minister echter op 21 juli 2026 laten weten dat hij zich niet (meer) verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.

5. Tussen partijen is daarom niet langer in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.

6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb[_1a033e05-fe45-4204-b79a-0ff978dca2ae] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-

(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.