Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 11 februari 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:2469Zaaknummer NL26.7405 en NL26.7407

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7405 en NL26.7407
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ook hebben eisers met het wegvallen van hun rechtmatige verblijf niet langer recht op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (hierna: rva). Reeds hieruit volgt dat eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen recht meer hebben op verblijf op het azc in Delfszijl en daar ook niet naar terug kunnen. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af en overweegt daarbij ook dat plaatsing in de vbl niet alleen dient om erop te kunnen toezien dat eisers daadwerkelijk werken aan hun vertrek, maar ook dat hiermee aan hen in ieder geval opvang wordt geboden met daarbij de garantie van medische zorg.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.7405 en NL26.7407

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

V-nummer: [v-nummer],

[naam 2], eiseres,

V-nummer: [v-nummer],

(hierna gezamenlijk: eisers)

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

mede namens hun zijn minderjarige zoon,

[naam 3],

V-nummer: [v-nummer]

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2026 verplicht de minister eisers met ingang van 11 februari 2026 te verblijven in de gemeente Westerwolde alwaar zij zich in het kader van deze maatregel in de vrijheidsbeperkende locatie (hierna: vbl) in Ter Apel dienen op te houden. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Eisers hebben op 10 februari 2026 verzocht om een voorlopige voorziening.

Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk ongegrond zijn.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter overweegt dat de asielaanvragen van eisers bij besluiten van 2 oktober 2025 zijn afgewezen. Deze afwijzingen zijn bij uitspraak van 28 januari 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats in stand gelaten.[_cb0659d1-2539-494d-a558-9c42f791f0f3] De rechtbank heeft de besluiten voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd, vernietigd.

2. Het voorgaande betekent dat eisers niet langer rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8, sub f, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). De voorzieningenrechter is ook anderszins niet gebleken van rechtmatig verblijf van eisers in de zin van artikel 8 Vw.

3. Op eisers rust dan ook de rechtsplicht uit eigen beweging Nederland te verlaten.[_e0603d03-1666-452e-83f5-dea4a4f23e69] Het ingediende hoger beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening heeft geen schorsende werking en staat daardoor niet in de weg aan het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel.[_d153ea73-4c6b-4cd1-a810-33dd751c4d8f] Ook hebben eisers met het wegvallen van hun rechtmatige verblijf niet langer recht op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (hierna: rva). Reeds hieruit volgt dat eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen recht meer hebben op verblijf op het azc in Delfszijl en daar ook niet naar terug kunnen.

4. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af en overweegt daarbij ook dat plaatsing in de vbl niet alleen dient om erop te kunnen toezien dat eisers daadwerkelijk werken aan hun vertrek, maar ook dat hiermee aan hen in ieder geval opvang wordt geboden met daarbij de garantie van medische zorg.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.