Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 21 augustus 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:23939Zaaknummer SGR 25/4437

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Publicatiedatum
8 september 2026
Zaaknummer
SGR 25/4437
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzet tegen uitspraak op beroep niet tijdig beslissen (ntb); verzet gegrond; bezwaar vóór de uitspraak ingetrokken; geen procesbelang meer; beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank:

  • verklaart het verzet gegrond;
  • bepaalt dat de uitspraak van 19 september 2025 vervalt.
  • verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van

S.C.M. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [geopposeerde] , uit [woonplaats] , geopposeerde
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank van het verzet
  4. Beoordeling door de rechtbank van het beroep
  5. Beslissing
  6. Rechtsmiddel

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/4437

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, opposant[_4852df1e-f2a5-4712-a220-c3040151c9b5]

(gemachtigde: P.G. Lamoré).

tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025[_2d4523fb-b43d-46aa-a831-1aa6fd451d93] in het geding tussen

opposant

en

[geopposeerde] , uit [woonplaats] , geopposeerde

(gemachtigde: M. Berkhuijsen),

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van geopposseerde

tegen het niet op tijd beslissen van het Uwv op het bezwaar gegrond heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op het verzet met toepassing van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb, aangezien opposant afziet van een zitting.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel[_dd6ec87d-d885-4e58-b091-0d2b806e21e9] was, dat het opvolgende beroep kennelijk gegrond was. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

2.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Verzet van opposant

3. Opposant is het niet eens met de uitspraak van 19 september 2025. Opposant voert aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep als kennelijk gegrond heeft afgedaan. Geopposeerde heeft zijn ingediende bezwaar namelijk vóór de uitspraak van 19 september 2025 al ingetrokken, waardoor de bezwaarprocedure is geëindigd. Opposant kon daarom geen besluit op bezwaar meer nemen. Opposant verzoekt de rechtbank het verzet gegrond te verklaren en het beroep alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling van het verzet

4. De rechtbank deelt het standpunt van opposant. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat ten tijde van de uitspraak van 19 september 2025 het ingediende bezwaar van geopposseerde reeds was ingetrokken. Dat volgt uit de brief van 5 september 2025.

4.1.

Gelet op het vorenstaande is het bezwaar rechtsgeldig ingetrokken en was opposant niet langer gehouden tot het nemen van een besluit op bezwaar. Geopposseerde had daarom geen procesbelang meer bij het uitblijven van een besluit op bezwaar. Nu deze intrekking ten onrechte niet bij de eerdere beoordeling in de uitspraak van 19 september 2025 is betrokken, is het verzet gegrond. Het beroep had kennelijk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Nu dit is miskend, kan de uitspraak van 19 september 2025 niet in stand blijven. De rechtbank verklaart die uitspraak vervallen en doet uitspraak op het beroep.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

5. Opposant zal hierna worden aangeduid als het Uwv en geopposeerde als de eiser.

6. Eiser heeft op 5 december 2024 tegen het besluit van het Uwv van 29 oktober 2024 schriftelijk bezwaar gemaakt. In dit besluit heeft het Uwv bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 5 september 2025 heeft eiser per brief zijn bezwaar van 5 december 2024 ingetrokken. Met het intrekken heeft eiser te kennen gegeven geen prijs meer te stellen op een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. Daarmee is zijn procesbelang bij het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar komen te vervallen. Nu de intrekkingsverklaring deel uitmaakt van het procesdossier, wordt het beroep wegens het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het verzet gegrond;
  • bepaalt dat de uitspraak van 19 september 2025 vervalt.
  • verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van

S.C.M. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.