Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 14 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22711Zaaknummer C/09/706983 / JE RK 26-1041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
28 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/706983 / JE RK 26-1041
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling

De beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats].

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 juli 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Beschikking van de kinderrechter
  2. Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
  3. Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
  4. Het procesverloop
  5. De feiten
  6. Het verzoek
  7. De standpunten
  8. De beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Team Familie

Zaaksgegevens: C/09/706983 / JE RK 26-1041

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 12 juni 2026 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering

hierna: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats],

hierna: [de minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader],

hierna: de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Scheimann in Rotterdam,

[de moeder],

hierna: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg in Roosendaal.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het bericht van 9 juni 2026 van de moeder;
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 17 juni 2026 van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van 25 juni 2026 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 29 juni 2026 van de gecertificeerde instelling, met bijlage;
  • het bericht van 29 juni 2026 van de vader;
  • het bericht van 29 juni 2026 van de moeder, met bijlagen.

Op 30 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel het onderhavige verzoek als het verzoek over de vervangende toestemming tot inschrijving bij een school (C/09/702374 en FA RK 26-3120). Op laatstgenoemde verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.

Op de zitting zijn verschenen:

  • [naam] namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader (via een videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Namens de vader en de moeder zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

[de minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

De feiten

  • De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].
  • [de minderjarige] woont bij de moeder.
  • Bij beschikking van 24 januari 2023 van de rechtbank Den Haag is [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de periode van 24 januari 2023 tot 24 juli 2023. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 24 juli 2026.

Het verzoek

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor

de duur van één jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De gecertificeerde instelling voert ter onderbouwing van het verzoek het volgende aan. Hoewel de gecertificeerde instelling ziet dat [de minderjarige] een meisje is wat zich sociaal-emotioneel leeftijdsadequaat ontwikkeld en plezier haalt uit acteren, zingen en dans zijn nog steeds grote zorgen over [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft moeite met lezen. Zij leest op een niveau van groep 3 basisschool. Sinds maart 2026 heeft [de minderjarige] hier professionele begeleiding voor vanuit Buro Leerlingenhulp. Deze begeleiding is een voortraject voor dyslexiebehandeling. De gecertificeerde instelling ziet nog dat er gewerkt moet worden aan het stuk dyslexiebegeleiding. De gecertificeerde instelling heeft onvoldoende vertrouwen dat de moeder in het vrijwillig kader de dyslexiebegeleiding en het dyslexieonderzoek voor [de minderjarige] zal voortzetten. De moeder zegt dat zij dit zal doen en dat zij haar dochter motiveert, maar de gecertificeerde instelling merkt op dat het de moeder niet altijd lukt. Daarom verzoekt de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van één jaar. Dit omdat de gecertificeerde instelling het van belang vindt om de begeleiding en een toekomstig dyslexieonderzoek te blijven monitoren. Daarbij heeft de vader een verzoek voor vervangende toestemming tot inschrijving bij een school ingediend. De gecertificeerde instelling ziet dat de vader betrokken is, maar doordat hij in het buitenland woont, kan hij niet directe invloed uitoefenen op de situatie.

De standpunten

De vader heeft ingestemd met het verzochte. Volgens de vader is de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] nog altijd aanwezig, nu zij functioneert op het cognitieve niveau van groep 3. Hij geeft verder aan dat bij hem ieder vertrouwen ontbreekt dat de moeder in een vrijwillig kader haar medewerking zal verlenen aan de noodzakelijke hulp voor [de minderjarige].

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Zij heeft naar voren gebracht dat verlenging van de ondertoezichtstelling niet toewijsbaar is, omdat de wettelijke gronden niet langer actueel zijn onderbouwd. Volgens haar wijzen de stukken juist op voortgaande vrijwillige hulp, actieve medewerking van de moeder, lage risicotaxatie, vooruitgang bij Buro Leerlingenhulp en een negatieve weerslag van de ondertoezichtstelling op [de minderjarige].

De beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet (meer) aanwezig zijn. Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende. Er is geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige]. Uit de stukken blijkt dat het goed gaat met [de minderjarige]. [de minderjarige] ontwikkelt zich sociaal-emotioneel leeftijdsadequaat en uit de rapportage van het didactisch onderzoek van Buro Leerlingenhulp blijkt onder meer dat [de minderjarige] een gemiddeld intelligentieniveau heeft. Uit de rapportage volgt ook dat het intelligentieprofiel onvoldoende verklaring geeft voor de lees- en spellingproblemen die [de minderjarige] ervaart. [de minderjarige] heeft sinds maart 2026 professionele begeleiding vanuit Buro Leerlingenhulp voor haar lees- en spellingproblemen. Uit de tussenevaluatie van Buro Leerlingenhulp van juni 2026 volgt dat op didactisch vlak vooruitgang is te zien: [de minderjarige] maakt progressie in technisch lezen, klankbewustzijn en spellingsvaardigheden. Omdat er duidelijke vooruitgang zichtbaar is, wordt door Buro Leerlingenhulp geadviseerd de behandeling voort te zetten, zodat deze ontwikkeling zich kan doorzetten en de doelen uit het handelingsplan behaald kunnen worden.

De gecertificeerde instelling heeft op de zitting naar voren gebracht dat zij van Buro Leerlingenhulp heeft vernomen dat bij [de minderjarige] sprake is van dyslexie, maar dat deze diagnose alleen nog schriftelijk moet worden vastgesteld. De kinderrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat de moeder in het vrijwillig kader de dyslexiebegeleiding en het dyslexieonderzoek voor [de minderjarige] zal voortzetten, mede nu de moeder voortzetting in het vrijwillig kader uitdrukkelijk heeft toegezegd.

De kinderrechter komt dan ook tot de conclusie dat er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige]. Het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling is hierdoor niet langer noodzakelijk. De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling daarom afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats].

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 juli 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.