Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 7 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22045Zaaknummer C/09/707477 / FA RK 26-6204
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/707477 / FA RK 26-6204
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voogdij in afwachting van beslissing op teruggeleidingsverzoek artikel 13 lid 4 Uitvoeringswet Kinderontvoering
5 De beslissing
De kinderrechter:
belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met de voorlopige voogdij over [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [plaats], Oekraïne van 8 juli 2026 tot het moment – voor zover het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [de minderjarige 1] zal worden toegewezen – dat die beslissing tot teruggeleiding ten uitvoer zal zijn gelegd;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek tot teruggeleiding aan tot de zitting ten overstaan van de meervoudige kamer op 23 juli 2026 om 15:30 uur;
vraagt de griffier op te roepen;
- de moeder en haar advocaat;
- de vader;
- de Raad voor de Kinderbescherming
- stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
- de bijzondere curator;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026, in aanwezigheid van P.M.A. van Oosten als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 9 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/707477 / FA RK 26-6204
Datum beschikking: 7 juli 2026
Internationale kinderontvoering / voorlopige voogdij
in de zaak van
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A.L. Weterings uit Oegstgeest
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een niet bij de rechtbank bekend adres.
De rechtbank merkt als informant aan:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
Bij beschikking van 24 juni 2026 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [plaats], tot 8 juli 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 7 juli 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de regiezitting van 7 juli 2026, in aanwezigheid van:
- de moeder en haar advocaat en tolk;
- de vader via een videoverbinding;
- [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming;
- [naam 2], namens de GI.
2 De feiten
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden zijn de ouders belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [plaats], hierna te noemen [de minderjarige 1];
[de minderjarige 1] verblijft op dit moment bij de vader.
Zij zijn ook de ouders van [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [plaats] Oekraïne. [de minderjarige 2] verblijft bij de moeder in Oekraïne.
3 Het verzoek
De moeder heeft verzocht om de teruggeleiding van [de minderjarige 1] naar zijn gewone verblijfplaats in de Oekraïne op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. Daarnaast heeft de moeder verzocht de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [de minderjarige 1] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De beoordeling
De moeder is een teruggeleidingsprocedure gestart bij deze rechtbank en stelt zich op het standpunt dat [de minderjarige 1] in Nederland verblijft. Krachtens artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering kan de rechtbank een minderjarige onder voorlopige voogdij stellen als er gevaar bestaat dat het kind wordt onttrokken aan een bevel tot teruggeleiding.
De vader voert aan dat [de minderjarige 1] niet in Nederland verblijft, maar in Polen. [de minderjarige 1] heeft het goed bij hem en volgt online onderwijs. De vader stelt dat [de minderjarige 1] al twee jaar bij hem verblijft, dat de moeder hem heeft verlaten en dat er in diverse procedures door psychologen is aangegeven dat de kinderen niet veilig zijn bij de moeder.
De rechtbank stelt vast dat er aanwijzingen zijn dat [de minderjarige 1] met de vader in Nederland verblijft. De partner van de vader woont in Amsterdam en met haar heeft de vader onlangs een kindje gekregen dat nu acht maanden oud is. Via onderzoeken zou bevestigd zijn dat [de minderjarige 1] in Nederland is. Omdat de vader geen openheid wil geven over waar [de minderjarige 1] verblijft, houdt hij hem verborgen voor de moeder en officiële instanties. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat de vader [de minderjarige 1] zal onttrekken aan tenuitvoerlegging van een eventueel bevel tot teruggeleiding. Om die reden zal de rechtbank de GI belasten met de voorlopige voogdij over [de minderjarige 1].
Op de zitting zijn er tussen de ouders de navolgende afspraken gemaakt over videobelcontact tussen de moeder en [de minderjarige 1]. De vader zal iedere woensdag om 17.00 uur en iedere zondag om 10.00 uur via videodevice de moeder opbellen voor [de minderjarige 1], hem de telefoon overhandigen en hem zelfstandig – zonder aanwezig te zijn – met de moeder te laten spreken. De vader zal [de minderjarige 1] de gelegenheid bieden tenminste vijf minuten met de moeder te spreken.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De rechtbank houdt de behandeling van het verzoek tot teruggeleiding aan tot de hierna te melden zitting.
5 De beslissing
De kinderrechter:
belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering met de voorlopige voogdij over [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [plaats], Oekraïne van 8 juli 2026 tot het moment – voor zover het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [de minderjarige 1] zal worden toegewezen – dat die beslissing tot teruggeleiding ten uitvoer zal zijn gelegd;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek tot teruggeleiding aan tot de zitting ten overstaan van de meervoudige kamer op 23 juli 2026 om 15:30 uur;
vraagt de griffier op te roepen;
- de moeder en haar advocaat;
- de vader;
- de Raad voor de Kinderbescherming
- stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
- de bijzondere curator;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026, in aanwezigheid van P.M.A. van Oosten als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 9 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.