Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 7 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:22024Zaaknummer C/09/685233 / FA RK 25-3599

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
25 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/685233 / FA RK 25-3599
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

De rechtbank:

bepaalt de door de man te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], met ingang van 12 mei 2025 op € 43,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 45,- per maand, vanaf vandaag telkens bij voortuitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Alimentatie
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-3599

Zaaknummer: C/09/685233

Datum beschikking: 7 juli 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 12 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D. Vurdelja te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Kara te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 7 oktober 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 25 maart 2026 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 22 mei 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.

Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vrouw (online) met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats].

  • Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
  • [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 is – voor zover hier van belang – :

- bepaald dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

- aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] naar [land 1] te verhuizen;

- bepaald dat:

- [minderjarige] het ene jaar twee keer in Nederland bij de man zal zijn en het andere jaar één keer in Nederland en één keer op [land 2], waarbij de contactmomenten zullen plaatsvinden tijdens de op [land 1] geldende schoolvakanties, de ene keer minimaal veertien dagen en de andere keer minimaal tien dagen;

- de vrouw voor deze contactmomenten de reiskosten van [minderjarige] en indien nodig haar begeleider zal betalen;

- de man drie keer per week met [minderjarige] zal videobellen;

- [minderjarige] voor de periode dat de vrouw nog in Nederland verblijft bij de man zal zijn eenmaal in de twee weken van vrijdagmiddag uit de kinderopvang tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en terugbrengt.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt, met ingang van 1 januari 2025 de kinderalimentatie op € 350,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, onderhevig aan de wettelijke indexering, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat door de man op 1 juni 2026 en door de vrouw op 2 juni 2026, dus op de dag voor de zitting en de dag van de zitting, nog nadere stukken zijn ingediend. Dit had eerder gekund en gemoeten. Artikel 87 lid 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat stukken die later dan tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht buiten beschouwing worden gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Dat laatste zou het geval kunnen zijn als kort voor de zitting sprake zou zijn van een gewijzigde situatie, maar daarvan is hier geen sprake. De rechtbank laat de stukken daarom buiten beschouwing.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde ten tijde van de indiening van het verzoek de gewone verblijfplaats in Nederland had en een deel van het kinderalimentatieverzoek ook ziet op die periode.

Inhoudelijke beoordeling

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift, te weten 12 mei 2025. De rechtbank acht een verdere terugwerkende kracht, ondanks dat de man sinds december 2024 niet meer betaalt, niet aangewezen. De vrouw had haar verzoek eerder kunnen indienen.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Niet in geschil is dat partijen in augustus 2024 de relatie hebben verbroken.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.

Voor het berekenen van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 5.041,- bruto per jaar, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de aangifte IB 2024.

Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van de samenleving op € 456,- per maand.

Voor het berekenen van het NBI van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 28.654,- bruto per jaar, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de aangifte IB 2024.

Op basis hiervan en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het de samenleving op € 2.314,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 2.770,- per maand (€ 456,- + € 2.314). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 200,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 390,- per maand voor [minderjarige]. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 415,- per maand.

Door de vrouw is verzocht om de behoefte te verhogen met kinderopvangkosten. De rechtbank gaat hier niet in mee. Kosten voor de kinderopvang worden geacht in het behoeftebedrag te zijn inbegrepen. Daarnaast is het onduidelijk of de kinderopvangkosten daadwerkelijk worden gemaakt. De rechtbank overweegt verder dat onvoldoende is onderbouwd waarom de behoefte van [minderjarige] hoger zou zijn dan berekend naar Nederlands recht. De rechtbank rekent daarom met de geïndexeerde behoefte van € 415,- per maand, en zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een netto maandinkomen van € 6.094,- Arubaanse florin, exclusief vakantiegeld, zoals dat volgt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie. Inclusief vakantiegeld bedraagt het inkomen van de vrouw dan (1,08 x 6.094 =) € 6.582,- Arubaanse florin. Het equivalent in euro’s is (0,48 x 6.582 =) € 3.159,-. De rechtbank neemt dat bedrag als NBI voor de vrouw aan.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.159 – (948 + 1.310)] = € 631,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank opnieuw uit van een inkomen van € 28.654,- bruto per jaar, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat er vanuit dat de man in 2025 een vergelijkbaar inkomen heeft genoten als in 2024. De rechtbank gaat er ook vanuit dat de man dit inkomen in 2026 kan generen. Dat de man op dit moment een WW-uitkering heeft betekent niet dat hij niet in staat is om inkomen uit werk te generen. Omdat het om kinderalimentatie gaat rekent de rechtbank met het bedrag aan loon dat hij eerder verdiende.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 2.341,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.341 – (702 + 1.310)] = € 230,- per maand.

Omdat de man nog een kind heeft uit een eerdere relatie waar hij ook kinderalimentatie voor betaalt, vindt de rechtbank het in dit geval redelijk om zijn draagkracht over twee kinderen gelijk te verdelen. De beschikbare draagkracht voor [minderjarige] is daarom € 115,-.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 746,- per maand (€ 631,- + € 115,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 115 / 746 x 415 = € 64,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 631 / 746 x 415 = € 351,-

samen € 415,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 64,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 351,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op het contact tussen de man en [minderjarige] geldt een zorgkortingspercentage van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 21,- per maand (5% van 415).

Conclusie

De rechtbank stelt de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 12 mei 2025 vast op (€ 64,- - € 21,- =) € 43,-.

Omdat deze bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2026 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4.6%.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een aparte berekening te maken naar [land 1] recht. Op [land 1] wordt ook rekening gehouden met behoefte en draagkracht, en de rechtbank heeft onvoldoende gegevens om een ander bedrag vast te stellen.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt de door de man te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], met ingang van 12 mei 2025 op € 43,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 45,- per maand, vanaf vandaag telkens bij voortuitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.