Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 30 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21617Zaaknummer NL26.40688
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 juli 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.40688
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – kennisgeving – terugtredende gemachtigde – gronden – lichter middel – voortvarendheid – beroep ongegrond.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK [plaats]
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.[_b5fd2e98-e6e4-442e-b98d-49e163c6a9e2]
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
- Vw: Vreemdelingenwet 2000
- Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 18 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_b1b06374-1b17-42d1-9c90-d70b857caa40]
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.M. Mirinashvili als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.[_583a8b81-0dfa-41fc-a8ad-930d8c69f9ca] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.[_e392b1ff-861b-443c-a1ee-be83a3aca091] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.[_59f06591-182a-495a-a217-36240f2febea] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.[_09777906-3d76-4567-968d-fb27473fc5b8]
Kennisgeving van de maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Eiser voert aan dat hij op 18 juli 2026 in bewaring is gesteld en dat zijn zaak pas op 22 juli 2026 door de minister is gemeld bij het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingen (CIV). Dit heeft volgens eiser langer geduurd dan nodig was. Dit zou volgens eiser moeten leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel.
5. Uit het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw vloeit voort dat de minister de rechtbank onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b, hiervan in kennis stelt. De rechtbank stelt vast dat eiser op 18 juli 2026 om 19.04 uur in bewaring is gesteld en dat door de minister op 18 juli 2026 om 23.04 uur een kennisgeving aan het CIV is gezonden. Nog afgezien van de vraag waartoe een ander oordeel van de bewaringsrechter zou moeten leiden, blijkt uit het vorenstaande niet dat de kennisgeving met betrekking tot eisers inbewaringstelling niet onverwijld naar de rechtbank is verzonden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel van vreemdelingenbewaring hierom onrechtmatig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Bericht over terugtredende gemachtigde
6. Eiser vraagt om een oordeel over de berichtgeving in het dossier over een terugtredende gemachtigde, voor zover dat heeft gezorgd voor vertraging in het verzenden van de kennisgeving.
7. Eiser doelt op twee berichten in het digitale dossier van 21 juli 2026, gericht aan [naam], met de mededeling dat deze niet langer optreed als gemachtigde in deze zaak en dat deze geen toegang meer heeft tot deze zaak. Zoals de rechtbank ter zitting heeft toegelicht, wordt om administratieve redenen door het CIV bij het aanmaken van een zaaknummer een fictieve gemachtigde aan de zaak gekoppeld, zodat de ontvangen kennisgeving verder kan worden verwerkt. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit heeft geleid tot enige vertraging in de behandeling van dit beroep, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat binnen de daartoe gestelde termijn uitspraak wordt gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
8. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting de grond onder 2a heeft laten vallen.
10. Verder betwist eiser de gronden onder 2p, 2r en 2s. Hiertoe voert eiser aan dat zijn paspoort per ongeluk in de wasmachine is beland, waardoor zijn paspoort niet langer bruikbaar is. Verder kan eiser bij een kennis in [plaats] terecht voor onderdak of kan hij in het [locatie] in [plaats] verblijven. Eiser geeft ook aan dat er afspraken gemaakt kunnen worden met zijn kennis. Tot slot stelt eiser dat het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan inherent is aan zijn positie als asielzoeker en dat hij bij familie kan aankloppen voor geld.
11. De rechtbank oordeelt dat de gronden onder 2p, 2r en 2s feitelijk juist zijn en dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom uit deze gronden een risico op onderduiken voortvloeit. Eiser kan geen geldige identiteitsdocumenten overleggen en heeft geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Eiser stelt over een verblijfplaats te beschikken bij een kennis waar hij af en toe terecht kan, maar hij heeft hierbij geen adresgegevens verstrekt, zodat dit onvoldoende is om aan te merken als vaste woon- of verblijfplaats. Bovendien staat eiser niet ingeschreven in het BRP. Tot slot is niet bestreden dat eiser niet zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt.
12. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gronden onder 2p, 2r, 2s en de niet-betwiste grond onder 2b feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen, zodat deze de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
13. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring, bijvoorbeeld een meldplicht. Eiser is bereid zich te houden aan de instructies van de AVIM. Eiser stelt dat hij contact op zou kunnen nemen met de Georgische autoriteiten voor een vervangend reisdocument. Eiser zou dan op korte termijn kunnen vertrekken naar Georgië en kan hiervoor geld krijgen van zijn familie.
14. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motivering al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser al twee jaar onrechtmatig in Nederland verblijft en dus voldoende gelegenheid heeft gehad om zelfstandig te vertrekken. Uit het dossier blijkt niet dat eiser op enig moment activiteiten heeft ondernomen om zelfstandig vertrek te bewerkstelligen. Zo heeft eiser verklaard dat zijn paspoort per ongeluk in de wasmachine is terechtgekomen maar heeft hij daarna nooit een poging gedaan om aan een vervangend identiteitsdocument te komen. Daarnaast heeft eiser tot aan zijn inbewaringstelling nooit eerder contact gelegd met de IOM of verklaard in contact te willen komen met de IOM. Verder heeft de minister er in de maatregel terecht op gewezen op de beschikbare medische zorg op het detentiecentrum en dat deze ter beschikking staat aan eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
15. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt zijn uitzetting. Hiertoe voert eiser aan dat hij op 18 juli 2026 in bewaring is gesteld. Volgens eiser had hij al lang terug in Georgië kunnen zijn.
16. De rechtbank stelt vast dat eiser op 18 juli 2026 in bewaring is gesteld. Op 24 juli 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Verder is op 24 juli 2026 een terugname & overnameverzoek opgemaakt om bij de Georgische autoriteiten in te dienen. Ter zitting heeft de minister verklaard dat dit verzoek zeer spoedig bij de Georgische autoriteiten zal worden ingediend. Uit deze handelingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister op dit moment onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
17. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.[_7e401b83-922e-4835-9bc1-af37f9d39b8f]
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.