Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 1 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21418Zaaknummer C/09/693317 / FA RK 25-7923

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/693317 / FA RK 25-7923
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek eenhoofdig gezag: doorverwijzing naar Ouderschapsbemiddeling.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Gezag
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. BeslissingDe rechtbank:

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-7923

Zaaknummer: C/09/693317

Datum beschikking: 1 juli 2026

Gezag

Beschikking op het op 19 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Salhi in Rijkswijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Erkens in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het bericht met bijlagen van 8 december 2025 van de moeder;
  • het bericht met bijlagen van 21 januari 2026 van de moeder.

Op 27 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat, de vader bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening te geven over het verzoek, maar hebben daar geen gebruik van gemaakt.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2023.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats],
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats],
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats].
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • De kinderen verblijven bij de moeder.
  • De kinderen hebben van 2 oktober 2019 tot 20 maart 2024 onder toezicht gestaan van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
  • Bij beschikking van 11 september 2024 van het Gerechtshof Den Haag is een zorgregeling bepaald waarbij de kinderen als volgt bij de vader zijn:
  • iedere twee weken van vrijdag 15:30 uur tot zondag 15:30 uur waarbij de vader de kinderen op vrijdag om 15:30 uur bij de moeder ophaalt en hen op zondag om 17:30 uur na het avondeten bij de moeder thuisbrengt;
  • de helft, althans drie weken tijdens de zomervakantie, zijnde voor het jaar 2024 vanaf vrijdag 2 augustus 2024 12:00 uur tot vrijdag 23 augustus 12:00 uur;

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de moeder voortaan alleen belast zal zijn met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen.

De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253n eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, als later de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of dat wijziging van het gezag anderszins noodzakelijk is in het belang van het kind.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Volgens de moeder zijn de ouders niet in staat om gezamenlijk te overleggen over de kinderen. Zo is er geen enkele communicatie tussen de ouders en weet de moeder niet waar de vader verblijft. Daarnaast wordt aan de zorgregeling die door het Gerechtshof Den Haag in september 2024 is vastgesteld geen uitvoering gegeven, en heeft de moeder vorig jaar een procedure moeten voeren voor vervangende toestemming om met de kinderen naar [land] te kunnen gaan. Gelet op dit alles, is de moeder van mening dat het in het belang van de kinderen is dat zij met het eenhoofdig gezag wordt belast omdat er anders een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren zullen raken.

Namens de vader is op de zitting verweer gevoerd. Volgens hem wordt de zorgregeling over het algemeen wel nagekomen, maar doordat de vader geen eigen woning heeft en bij zijn vader verblijft (die op leeftijd is) kan dit niet altijd in de afgesproken weekenden. De vader probeert dan met de moeder te overleggen maar de moeder wordt dan boos en ‘straft’ de vader door het contact met de kinderen stop te zetten. De vader geeft daarnaast aan dat de moeder hem niet informeert bij het inschrijven van scholen of als zij op vakantie wil gaan met de kinderen. Het is dus niet zo dat de vader gezagsbeslissingen in de weg staat of weigert. De vader is juist betrokken bij de kinderen en de school en gaat ook regelmatig met de kinderen op vakantie. Hoewel de vader erkent dat de huidige situatie niet ideaal is, is er geen reden om het gezag te wijzigen.

Op de zitting is de situatie uitgebreid met de ouders en de zittingsvertegenwoordiger van de Raad besproken. Gebleken is dat de ouders niet direct met elkaar communiceren, maar dat dit loopt via de oudste dochter [minderjarige 1]. Zowel de Raad als de rechtbank achten dit niet in het belang van een meisje van dertien jaar. Het is aan de ouders om hierin de verantwoordelijkheid te nemen. Hoewel de verstandhouding tussen de ouders op dit moment is verstoord, is er naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende geprobeerd om tot verbetering te komen. De rechtbank heeft daarom met de ouders gesproken over het inzetten van hulpverlening met als doel het herstellen en verbeteren van de communicatie en daarbij het vormgeven van het ouderschap.

Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.

De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vraag te beantwoorden:

  • Ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
  • Is (nadere) hulpverlening voor de ouders en/of kinderen noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
  • Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?

Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

In afwachting van het verloop van het Ouderschapsbemiddelingstraject zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van het gezag aanhouden tot 1 april 2027 pro forma.

BeslissingDe rechtbank:

*

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de moeder] (de moeder),

wonende aan de [adres 1] in [woonplaats 1],

en

[de vader] (de vader),

[adres 2] in [woonplaats 2],

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

  • Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
  • de Raad voor de Kinderbescherming;

bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;

bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;

bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

*

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag aan tot 1 april 2027 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.