Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21354Zaaknummer C/09/706344 / JE RK 26-964
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/706344 / JE RK 26-964
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.
5 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] van 2 juli 2026 tot 2 juli 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
machtigt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om [minderjarige] gedurende de dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkgezin, te weten oma en stiefopa moederszijde, van 2 juli 2026 tot 2 januari 2027;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Klootwijk als griffier. |
| De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 14 juli 2026. |
| Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/706344 / JE RK 26-964
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter
Ondertoezichtstelling
in de zaak naar aanleiding van het op 3 juni 2026 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T Kocabas, te Zoetermeer.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
[de oma (mz)] en [de stiefopa (mz)],
hierna te noemen: de grootouders of oma en stiefopa moederszijde,
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en het verweerschrift (met producties) van de vader.
Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting van deze rechtbank in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel de onderhavige verzoeken als de verzoeken ten aanzien van het gezag, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, de informatie- en consultatieregeling en het benoemen van een bijzondere curator (C/09/696032 FA RK 25-9407) behandeld met gesloten deuren. Op laatstgenoemde verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking beslist. Daarbij zijn verschenen:
- [naam 1] namens de Raad;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- de grootouders moederszijde, vergezeld door hun advocaat mr. Asscher.
Alhoewel de grootouders moederszijde op dit moment een grote rol spelen in het leven van [minderjarige], merkt de rechtbank hen – gelet op de duur van de periode waarin zij de zorg voor [minderjarige] op zich hebben genomen – niet aan als belanghebbenden in de zin van artikel 798, eerste lid, van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Wel heeft de rechtbank hen in deze zaak als informanten gehoord, omdat zij hun verklaring van belang acht voor de beoordeling van de voorliggende verzoeken. Daarnaast heeft mr. Asscher tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij in deze procedure optreedt voor de grootouders.
De feiten
Op 2 april 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank beslist dat [minderjarige] van 2 april 2026 tot 2 juni 2026 voorlopig onder toezicht is gesteld van de gecertificeerde instelling.
Op 19 mei 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank beslist dat de gecertificeerde instelling is gemachtigd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten oma moederszijde, van 19 mei 2026 tot 2 juni 2026 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 2 juni 2026.
Op 29 mei 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank beslist dat de gecertificeerde instelling is gemachtigd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten oma moederszijde, van 2 juni 2026 tot 2 juli 2026.
De moeder is overleden op 29 mei 2026.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in het kader van de machtiging uithuisplaatsing bij de oma moederszijde.
2 De verzoeken
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad de rechtbank om de gecertificeerde instelling te machtigen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkgezin, te weten oma en stiefopa moederszijde, voor de duur van een jaar.
De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. [minderjarige] heeft op zeer jonge leeftijd al te maken (gehad) met verschillende, levensingrijpende gebeurtenissen. Zo is [minderjarige] getuige geweest van huiselijk geweld gepleegd door de vader tegen de moeder, waarvoor de vader is veroordeeld en naar aanleiding waarvan [minderjarige] met zijn moeder op een geheim adres is gaan wonen. Mede hierom en omdat [minderjarige] sinds augustus 2025 geen contact heeft gehad met de vader, maakt de Raad zich zorgen over de band tussen [minderjarige] en de vader. Daarnaast heeft [minderjarige] op jonge leeftijd al te maken (gehad) met het ziekbed en inmiddels ook het overlijden van zijn moeder, zijn primaire verzorger. Deze omstandigheden, gecombineerd met het feit dat de ouders het niet eens waren over het toekomstperspectief van [minderjarige] en dat zij hun relatie verschillend van elkaar hebben ervaren maakt dat de Raad een ondertoezichtstelling noodzakelijk acht. Op die manier kan er een derde, onafhankelijke partij naast [minderjarige] gaan staan om meer zicht te krijgen op de emotieregulatie en het opvoedershandelen van vader, alsook op de rol van de vader en van de familie van de moeder in het leven van [minderjarige] en de mogelijkheden voor contactherstel tussen de vader en [minderjarige]. Daarbij komt dat de Raad de vader en de familie van de moeder momenteel handelen vanuit hun eigen emoties jegens de ander en niet in staat lijken te zijn om zelfstandig of met hulpverlening in het vrijwillige kader te handelen vanuit het welbevinden van [minderjarige].
De Raad acht het ook noodzakelijk dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst bij oma en stiefopa moederszijde. Gedurende het ziekbed van de moeder heeft de familie van de moeder een hele grote rol gespeeld in het leven van [minderjarige] en hij verblijft sinds 19 mei 2026 in het kader van een spoedmachtiging uithuisplaatsing ook bij oma moederszijde. De Raad stelt dat er zo veel mogelijk rust en stabiliteit moet worden gecreëerd voor [minderjarige] na het overlijden van de moeder en de grootouders moederszijde kunnen [minderjarige] deze veilige plek bieden.
3 De standpunten
De vader stemt in met de ondertoezichtstelling en voert verweer tegen de verzochte machtiging uithuisplaatsing. Samengevat weergegeven voert de vader aan dat uithuisplaatsing volgens hem niet noodzakelijk is, omdat hij de enige ouder is met gezag, de instanties (waaronder de Raad) geen veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] hebben vastgesteld bij de vader, het contactverlies niet aan de vader te wijten is en de vader zal meewerken aan hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling indien dit nodig wordt geacht. Daarbij wijst de vader erop dat de reclassering heeft vastgesteld dat er in de periode, waarin de ouders nog samenwoonden, geen specifieke zorgen waren over de opvoedvaardigheden van de vader. De vader stelt zich primair op het standpunt dat de machtiging uithuisplaatsing daarom niet moet worden verleend. Subsidiair stelt hij dat de machtiging voor maximaal zes maanden dient te worden verleend, met dien verstande dat daarbij wordt bepaald dat er onmiddellijk contactherstel zal plaatsvinden met een opbouwschema richting onbegeleid contact, dat er binnen vier weken een terugplaatsingsplan wordt opgesteld, dat er een tussentijdse evaluatie plaatsvindt na drie maanden waarbij de rechtbank toetst of voortzetten van de uithuisplaatsing noodzakelijk is en dat de vader opvoedondersteuning en begeleiding zal ontvangen teneinde het kennishiaat over zijn opvoedershandelen te dichten.
De grootouders moederszijde verklaren als informanten zich te kunnen vinden in de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing voor de verzochte duur. Zij menen dat een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar noodzakelijk is, omdat er stabiliteit moet worden gecreëerd zodat [minderjarige] traumabehandeling kan ontvangen. Dat is volgens hen niet mogelijk binnen zes maanden.
De gecertificeerde instelling is van mening dat de verzoeken van de Raad moeten worden toegewezen, met dien verstande dat de machtiging uithuisplaatsing wordt toegewezen voor zes maanden met aanhouding van het resterende deel van zes maanden. Volgens de gecertificeerde instelling is het in het belang van [minderjarige] dat na de eerste zes maanden een herbeoordeling plaatsvindt, waarbij gezamenlijk wordt gekeken naar de ontwikkeling en actuele situatie van [minderjarige]. In deze periode beoogt de gecertificeerde instelling ook begeleide contacten tussen [minderjarige] en de vader te organiseren.
4 De beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, BW genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Naar het oordeel van de kinderrechter wordt [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Deze ontwikkelingsbedreiging is met name gelegen in ingrijpende gebeurtenissen die [minderjarige] in de afgelopen periode heeft meegemaakt, waaronder het door de vader gepleegde huiselijk geweld tegen de moeder waarvan [minderjarige] getuige is geweest en waarvoor de vader is veroordeeld, alsook het ziektebed en recente overlijden van de moeder. [minderjarige] is kort voor het overlijden van de moeder uit huis geplaatst bij de grootouders moederszijde en daar lijkt het – naar omstandigheden – goed met hem te gaan. Dat neemt niet weg dat zijn leven ingrijpend is veranderd en dat [minderjarige] op verschillende gebieden ondersteuning en/of hulpverlening nodig heeft. Zo hebben de grootouders moederszijde tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat [minderjarige] sinds kort af en toe zorgwekkende opmerkingen maakt over (het overlijden van) zijn moeder en over het huiselijk geweld waarvan hij getuige is geweest. Zij vinden dat [minderjarige] hulp nodig heeft in verband met (het verwerken van) het overlijden van zijn moeder. Daarnaast heeft [minderjarige] al geruime tijd geen contact met de vader en verschillen de Raad, de gecertificeerde instelling, de vader en de grootouders moederszijde van visie over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader kan plaatsvinden alsook over de manier waarop vorm moet worden gegeven aan het contactherstel.
De kinderrechter acht het – net als de Raad – van groot belang dat er na deze turbulente periode in het leven van [minderjarige] rust en stabiliteit wordt gecreëerd. Daarvoor is nodig dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft, die in het kader van de ondertoezichtstelling de regie neemt en passende hulp en ondersteuning kan vinden en inschakelen voor alle betrokkenen. De kinderrechter acht het ook noodzakelijk dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders moederszijde wordt voortgezet. Naar het oordeel van de kinderrechter verzet het belang van [minderjarige] zich tegen een verhuizing naar zijn vader, omdat [minderjarige] zijn vader nu ruim acht maanden niet heeft gezien of gesproken. Daarnaast geldt dat [minderjarige] nu al enige tijd, ook voor het overlijden van zijn moeder, bij de grootouders moederszijde heeft verbleven. De kinderrechter acht het van groot belang dat deze relatieve stabiliteit van de opvoedsituatie in deze roerige periode wordt gewaarborgd.
Het waarborgen van deze stabiliteit is ook van groot belang in het kader van het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Het is duidelijk dat alle partijen inzien dat er weer contact moet komen tussen [minderjarige] en de vader, en de kinderrechter verwacht dan ook dat hier uitdrukkelijk aandacht aan zal worden besteed in het kader van de ondertoezichtstelling. De voornoemde omstandigheden maken dat het contact op dit moment niet zonder begeleiding kan worden opgestart. Naar het oordeel van de kinderrechter is contactherstel op dit moment slechts mogelijk indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- Er is passende hulpverlening voor de vader, al dan niet bij de Waag;
- Er is passende hulpverlening voor [minderjarige];
- Het contactherstel vindt plaats onder begeleiding van een door de gecertificeerde instelling te bepalen organisatie;
- Het contactherstel vindt plaats onder regie van de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter wijst de machtiging uithuisplaatsing toe voor de duur van zes maanden, met aanhouding van het overige. Op deze manier kan de kinderrechter een vinger aan de pols houden en kan over zes maanden worden bezien welke voortgang er is met betrekking de hulpverlening en het contactherstel. Bij deze beslissing betrekt de kinderrechter uitdrukkelijk het feit dat de gecertificeerde instelling tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat het mogelijk moet zijn om op korte termijn hulpverlening voor [minderjarige] in te schakelen en dat de vader in ieder geval bij de Waag terechtkan met zijn hulpvraag die hij nog wel moet formuleren.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] van 2 juli 2026 tot 2 juli 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
machtigt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om [minderjarige] gedurende de dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkgezin, te weten oma en stiefopa moederszijde, van 2 juli 2026 tot 2 januari 2027;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Klootwijk als griffier. |
| De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 14 juli 2026. |
| Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.