Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:21334Zaaknummer C/09/706298 / JE RK 26-955

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/706298 / JE RK 26-955
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek vader voorlopige ondertoezichtstelling, toewijzing ondertoezichtstelling

Beslissing

De kinderrechter:

*

stelt [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] van 30 juni 2026 tot 30 juni 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

*

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J.A. Olthoff als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Beschikking van de kinderrechter
  2. Ondertoezichtstelling
  3. Het procesverloop
  4. Feiten
  5. Verzoek en verweer
  6. Beoordeling
  7. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/706298 / JE RK 26-955

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 27 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.P.A. Vos in Amsterdam.

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,

advocaat: mr. A. Hayaty in Den Haag.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad.

Het procesverloop

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken;

- het bericht van 20 mei 2025, namens de moeder;

- het bericht van 29 december 2025 van de vader;

- het bericht van 30 december 2025 van de moeder;

- het bericht van 5 januari 2025, met bijlagen, van de moeder;

- het raadsrapport van 27 januari 2026, met kenmerk KZ-1-65XXYDF;

- het aanvullend zelfstandig verzoekschrift van de moeder;

- het bericht van 24 februari 2026, met bijlage, van de moeder;

- het bericht van 18 maart 2026 van de vader;

- het bericht van 30 maart 2026 van de moeder;

- de berichten van 1 april 2026 van de moeder;

- het bericht van 18 mei 2026, met bijlage, van de moeder;

- het aanvullend zelfstandig verzoekschrift van de moeder;

- het bericht van 28 mei 2026 van de vader;

- het verweer op het aanvullend zelfstandig verzoekschrift van de vader, tevens houdende aanvullende verzoeken;

- het bericht van 31 mei 2026, met bijlagen, van de moeder;

- de berichten van 1 juni 2026, met bijlagen, van de vader;

- het bericht van 2 juni 2026, met bijlage van de vader.

Op 2 juni 2026 heeft ter zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden van zowel onderhavige verzoeken als de verzoeken ten aanzien van het gezag, de omgang en de informatieregeling (zaaknummer C/09/682549 FA RK 25-2314). Op laatstgenoemde verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking van vandaag beslist.

Op de zitting zijn verschenen:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat, een tolk, mevrouw J. Lakjaa en een begeleider vanuit [zorginstantie];

- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats].

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, primair tot een voorlopige ondertoezichtstelling en subsidiair tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige].

De moeder voert verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De vader heeft verzocht om [minderjarige] (voorlopig) onder toezicht te stellen. Op grond van artikel 1:255 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een ouder pas bevoegd tot het doen van een dergelijk verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat. Op de zitting is gebleken dat de Raad op dit moment geen verzoek tot ondertoezichtstelling zal instellen, zodat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Voorlopige ondertoezichtstelling

Omdat de situatie al geruime tijd is zoals die is, hoe schrijnend ook, komt de kinderrechter niet tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen. Derhalve zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van het uitspreken van een voorlopige ondertoezichtstelling afwijzen.

Ondertoezichtstelling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

Uit het Raadsrapport blijkt dat [minderjarige] ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling door de situatie tussen ouders. Zo heeft blijkens het Raadsrapport Veilig Thuis in 2023 na onderzoek onder meer geconcludeerd dat [minderjarige] getuige is geweest van huiselijk geweld, en dat de ontwikkeling van [minderjarige] ten aanzien van gevoel van veiligheid en hechting is bedreigd. [zorginstantie] heeft in haar brief van 22 mei 2026 aangegeven signalen te zien dat [minderjarige] getraumatiseerd is geraakt door de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt. Uit het overgelegde medische dossier van de huisarts blijkt dat de huisarts in 2025 concludeert dat er sprake is van stress- en angstklachten in het kader van systeemproblematiek, en van angst en vermijding voor school door vroegkinderlijk trauma bij meemaken van huiselijk geweld. De school van [minderjarige] heeft blijkens het Raadsrapport zorgen op sociaal-emotioneel gebied en beschrijft onder meer dat [minderjarige] in zichzelf is gekeerd, weinig emotie toont en een vermoeide indruk maakt. De Raad merkt op dat deze zorgen van de school kunnen wijzen op kindgebonden problemen of problemen in de ouder-kindrelatie. Volgens de Raad lijkt [minderjarige] vooral bezig te zijn met overleven en onzichtbaar zijn in plaats van met kind zijn. De rechtbank concludeert uit vorenstaande dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en maakt zich grote zorgen om [minderjarige].

Hoewel de moeder aangeeft dat het contact met de vader zorgt voor een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige], is het de rechtbank op basis van de stukken en hetgeen op de zitting besproken niet duidelijk geworden of het daadwerkelijk door het contact met de vader komt of door de gespannen situatie tussen partijen. Ook de Raad gaat niet zonder meer mee in het standpunt van de moeder. Zo ziet de Raad dat het de moeder moeilijk lukt om emotionele toestemming te geven tot contact tussen [minderjarige] en de vader, dat hier hulp bij de moeder voor nodig is, maar dat het proces van psychologische hulpverlening van de GGZ aan de moeder moeizaam verloopt door een patroon van afspraken uitstellen en tijdelijk stoppen door de moeder. Het valt tevens op, zoals is benadrukt door de vader, dat de vader sinds 22 september 2025 – het begin van het schooljaar – geen contact heeft met [minderjarige], maar de school in haar brief van 22 mei 2026 wel beschrijft dat [minderjarige] in de klas erg afwezig is en niet tot spelen komt als hij contact met zijn vader heeft gehad. Aan de andere kant kan de rechtbank niet voorbij gaan aan (onder meer) Veilig Thuis die heeft geconcludeerd dat [minderjarige] is blootgesteld aan huiselijk geweld, noch aan de beschrijving van [zorginstantie] dat de vader bij de videobelgesprekken [minderjarige] heeft uitgehoord over zijn moeder, op luide toon en tegen de afspraken in Arabisch tegen [minderjarige] sprak, en tijdens de contactmomenten moeite had zijn emoties te reguleren, welk gedrag volgens [zorginstantie] een versterkende werking kan hebben op het bestaande trauma van [minderjarige].

Gezien het vorenstaande en omdat de hulpverlening die tot nu toe is ingezet niet heeft gezorgd voor een verbetering van de situatie rondom [minderjarige], heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat het partijen zal lukken om zelf, al dan niet met de bestaande hulpverlening, de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] te duiden en te stoppen. Door middel van de ondertoezichtstelling dient te worden gekeken óf, op welk tempo en op welke wijze contactherstel tussen de vader en [minderjarige] ingevuld moet worden en hoe eventueel toegewerkt kan worden naar onbelast contact tussen hen. Tegelijkertijd moet ook worden gewerkt aan het verwerken van het trauma, het waarborgen van de veiligheid van [minderjarige] en het ondersteunen van de moeder in het contact tussen [minderjarige] en de vader.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling uitspreken voor de duur van een jaar, omdat zij verwacht dat deze tijd nodig is om te werken aan de genoemde doelen.

Beslissing

De kinderrechter:

*

stelt [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] van 30 juni 2026 tot 30 juni 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

*

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J.A. Olthoff als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.