Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21236Zaaknummer NL25.23994
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Publicatiedatum
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.23994
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vovo, niet-ontvankelijk, niet voldaan aan connexiteitsvereiste
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.23994
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker om de procedure van zijn verzet in Nederland te mogen afwachten.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Alvorens een verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk is, dient ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb te zijn voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit vereiste heeft een materieel en een formeel aspect. Het vereiste van formele connexiteit houdt in dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen, indien bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is tegen een besluit. Het vereiste van de materiële connexiteit houdt in dat de gevraagde voorziening betrekking moet hebben op dat besluit.
3. Verzoeker heeft op 27 mei 2025 een verzetschrift ingediend tegen de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 mei 2025. Bij uitspraak van 27 oktober 2025 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen connexiteit meer is met die procedure. Nu er niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste zal de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.