Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 26 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20972Zaaknummer C/09/701563 / FA RK 26-2659

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/701563 / FA RK 26-2659
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging voorlopige voorzieningen. Omgangsmomenten enigszins ingekort i.v.m. beperkingen kind. Verzoek benoeming bijzondere curator afgewezen.

De rechtbank:

In de procedure met zaaknummer C/09/701563

bepaalt – met wijziging in zoverre van de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 6 augustus 2025 – dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats], voorlopig bij de man zal verblijven om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;

verklaart voormelde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met zaaknummer C/09/701587

verleent toestemming aan de vrouw – welke toestemming die van de man vervangt – om in de periode van 27 juli 2026 tot en met 15 augustus 2026 met [minderjarige] op vakantie te gaan naar [plaats 1], Marokko;

bepaalt dat de vrouw tijdens haar vakantie met [minderjarige] iedere week twee foto’s en een filmpje van [minderjarige] aan de man moet sturen;

verklaart voormelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procedure
  2. Verzoek en verweer
  3. Beoordeling
  4. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummers: FA RK 26-2659 en FA RK 26-2673

Zaaknummers: C/09/701563 en C/09/701587

Datum beschikking: 26 juni 2026

Wijziging voorlopige voorzieningen, benoeming bijzondere curator en vervangende toestemming vakantie

Beschikking op het op 18 maart 2026 ingekomen verzoek in de procedure met zaaknummer C/09/701563 en de op 17 maart 2026 en 11 juni 2026 ingekomen verzoeken in de procedure met zaaknummer C/09/701587 van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P.E. Epping te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft in de procedure met zaaknummer C/09/701563 kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 18 maart 2026;

- de brief van 1 juni 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 8 juni 2026;

De rechtbank heeft in de procedure met zaaknummer C/09/701587 kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 17 maart 2026;

- het bericht van 2 april 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de man, ingekomen op 8 juni 2026;

- het aanvullende verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen op 11 juni 2026.

Op 12 juni 2026 zijn beide zaken op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat, alsmede mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Verzoek en verweer

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 6 augustus 2025 is, voor zover hier van belang:

- bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij is bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

- bepaald dat [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

- bepaald dat de man voorlopig elke woensdag uit school of de opvang tot donderdag naar school en twee weekenden in de maand van zaterdag 10.00 uur tot maandag naar school met [minderjarige] in de echtelijke woning verblijft, waarbij de vrouw de woning dient te verlaten;

- vastgesteld dat partijen bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel Solo Ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.

In de procedure met zaaknummer C/09/701563

De vrouw verzoekt voormelde beschikking voorlopige voorzieningen te wijzigen in die zin dat de rechtbank bepaalt dat de man voorlopig omgang heeft met [minderjarige] elke zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij geldt dat de man in onderling overleg – als [minderjarige] een goede dag heeft – [minderjarige] iets eerder kan ophalen of iets later kan terugbrengen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de man zelfstandig voormelde beschikking voorlopige voorzieningen te wijzigen in die zin dat de rechtbank bepaalt dat:

- [minderjarige] aan de man zal worden toevertrouwd;

- [minderjarige] voorlopig bij de man verblijft:

 in de even weken: van zaterdag 12.00 uur tot en met maandag naar school;

 in de oneven weken: van donderdag uit school tot en met vrijdag naar school;

 de helft van alle vakanties en feestdagen;

- de vrouw een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 15.000,- verschuldigd is voor iedere keer of dag dat zij de zorgregeling niet nakomt,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

In de procedure met zaaknummer C/09/701587

De vrouw verzoekt:

- een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen;

- ( na wijziging van het verzoek op de zitting) de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [minderjarige] naar [plaats 1], Marokko in de periode van 27 juli 2026 tot en met 15 augustus 2026,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de man zelfstandig:

- de man vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [minderjarige] naar [plaats 2], Turkije of [plaats 3], Spanje in de periode van 7 augustus 2026 tot en met 21 augustus 2026;

- te bepalen dat de vrouw het paspoort van [minderjarige] aan de man dient te overhandigen een week voor zijn vakantie, onder last van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

Beoordeling

In de procedure met zaaknummer C/09/701563

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 824, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.

Na de beschikking van 6 augustus 2025 is duidelijk geworden dat [minderjarige] een ernstigere vorm van autisme heeft dan aanvankelijk werd gedacht. Uit de door de vrouw overgelegde verslagen van [medisch centrum] (4 september 2025) en het Erasmus MC (3 maart 2026) blijkt dat er naast de autismespectrumstoornis sprake is van een ontwikkelingsvertraging. Ook wordt geconcludeerd dat [minderjarige] functioneert op matig verstandelijk beperkt niveau. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 6 augustus 2025. In het hiernavolgende zal de rechtbank beoordelen of er reden is tot wijziging van de beschikking van 6 augustus 2025 voor zover het betreft de voorlopige zorgregeling en de voorlopige toevertrouwing van [minderjarige].

Inhoudelijke beoordeling

Op dit moment is de omgang feitelijk zo ingericht dat deze niet meer in de echtelijke woning plaatsvindt en [minderjarige] twee weekenden in de maand van zaterdag 10.00 uur tot maandag naar school bij de man verblijft, waarbij [minderjarige] op zaterdag bij de vrouw thuis wordt opgehaald door familie van de man. Van woensdag op donderdag vindt er geen omgang plaats omdat [minderjarige] op woensdag niet meer naar school gaat en er niemand vanuit het netwerk van de man beschikbaar is om [minderjarige] op woensdag bij de vrouw thuis op te halen.

De vrouw is van mening dat de nu functionerende zorgregeling te belastend is voor [minderjarige]. Zij bemerkt bij [minderjarige] veel frustratie en onwil om naar de man toe te gaan. De man schakelt verschillende familieleden in om [minderjarige] bij de vrouw thuis op te halen en dit is zeer verwarrend voor hem. Daarnaast is het stressvol voor [minderjarige] dat hij tijdens de omgang niet altijd op dezelfde plek slaapt. Omdat [minderjarige] extreem gehecht is aan de vrouw is het ook moeilijk voor hem om langere tijd van de vrouw gescheiden te zijn. Volgens de vrouw uit [minderjarige] zijn spanningen in ontregeld en zelfverwondend gedrag. De vrouw verzoekt in het belang van [minderjarige] de zorgregeling te wijzigen en de omgang te laten plaatsvinden op een voor [minderjarige] gepaste wijze. Zij stelt voor dat [minderjarige] voorlopig iedere zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur bij de man verblijft. Van daaruit kan de omgang op den duur weer worden opgebouwd in een vorm die past bij [minderjarige].

De man herkent zich niet in het door de vrouw geschetste beeld. Dat [minderjarige] soms wat gefrustreerd reageert bij het ophalen, past binnen de problematiek van [minderjarige], aldus de man. Doorgaans wordt [minderjarige] rustig zodra hij de man ziet en vervolgens verlopen de omgangsmomenten zeer goed. De man betreurt het dat de vrouw probeert de beperkingen van [minderjarige], die inherent zijn aan zijn autismespectrumstoornis, te linken aan de zorgregeling. Er is volgens hem geen enkel bewijs dat [minderjarige] last heeft van de zorgregeling of van de overdrachten. De man denkt dat het verzoek van de vrouw een nieuwe poging van haar is om het contact tussen hem en [minderjarige] te minimaliseren. Hij wijst erop dat het wijzigen van de zorgregeling alleen maar extra onrust voor [minderjarige] met zich zal brengen.

De man vindt het jammer dat hij [minderjarige] doordeweeks niet meer ziet. Hij verzoekt daarom zelfstandig te bepalen dat er in de week dat er in het weekend geen omgang plaatsvindt, omgang zal zijn van donderdag na school tot vrijdag naar school. Daarnaast zou de man graag zien dat [minderjarige] de helft van alle vakanties en feestdagen bij hem doorbrengt. Aangezien de vrouw momenteel in de weg staat aan onbelast contact tussen de man en [minderjarige], acht de man het ook in het belang van [minderjarige] dat [minderjarige] voorlopig aan hem wordt toevertrouwd.

Namens de Raad is op de zitting aangegeven dat rekening moet worden gehouden met het feit dat [minderjarige] zich anders ontwikkelt dan een gemiddeld kind. De Raad acht het beter als de man wat de omgang betreft nu een stapje terug doet. In het kader van het ouderschapsbemiddelingstraject bij [zorginstantie] dat binnenkort van start kan gaan kunnen de ouders bespreken hoe de omgang in de toekomst het beste kan worden vormgegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat [minderjarige] gezien zijn beperkingen meer dan gemiddeld behoefte heeft aan structuur en voorspelbaarheid, ook als het gaat om het contact met zijn vader. De huidige situatie waarin [minderjarige] op zaterdag steeds door verschillende familieleden van de man wordt opgehaald is voor [minderjarige] niet ideaal. Ook is niet duidelijk of [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten met de man steeds op de dezelfde plek overnacht, terwijl dit voor [minderjarige] wel belangrijk is. In dit kader merkt de rechtbank op dat de man aangeeft dat hij al enige tijd eigen woonruimte heeft. Hij staat echter niet ingeschreven op een nieuw adres. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de spanningen die [minderjarige] op dit moment duidelijk ervaart (mede) het gevolg zijn van de manier waarop de omgang met de man nu is vormgegeven. Zij ziet aanleiding om de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de man enigszins in te korten, namelijk tot zondag 17.00 uur (in plaats van tot maandag naar school). Volgens de vrouw heeft [minderjarige] extreme verlatingsangst, welke met name is gericht op haar. Als [minderjarige] op zondagmiddag weer bij de vrouw wordt teruggebracht, hoeft hij de vrouw minder lang te missen (anders ziet hij de vrouw pas weer op maandag na school). Hij kan dan ook op zondagavond bij de vrouw bijkomen voordat hij op maandag weer naar school gaat. Het is van belang dat de man op de vrijdag voordat de omgang plaatsvindt aan de vrouw doorgeeft welk familielid [minderjarige] zal komen halen en op welke plek hij het weekend met [minderjarige] zal doorbrengen.

De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] om de omgang conform het voorstel van de vrouw iedere zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur te laten plaatsvinden. Een kort omgangsmoment met twee wisselingen snel achter elkaar is immers ook onrustig voor [minderjarige]. Bovendien is [minderjarige] er nu aan gewend om bij de man te overnachten. Hoewel het gezien de ontwikkelingsleeftijd van [minderjarige] wellicht de voorkeur zou hebben als de omgang vaker dan eenmaal in de twee weken plaatsvindt, kiest de rechtbank daar op dit moment niet voor. Zij acht het voor [minderjarige] van belang dat er tijdens de schoolweek geen wisselingen van de ene naar de andere ouder plaatsvinden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de vrouw ook tijd met [minderjarige] in de weekenden moet kunnen doorbrengen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om de omgang ten opzichte van de huidige situatie uit te breiden met omgang doordeweeks en tijdens de vakanties en feestdagen, afwijzen. De rechtbank gaat ervan uit dat de reguliere zorgregeling voorlopig ook doorloopt tijdens eventuele vakanties van de school. Bij [zorginstantie] kunnen ouders bespreken welke regeling in de toekomst zou moeten gelden voor de vakanties en feestdagen.

Ook het verzoek van de man om aan de nakoming van de voorlopige zorgregeling een dwangsom te verbinden, zal worden afgewezen. Niet gebleken is dat de vrouw de voorlopige zorgregeling de afgelopen periode niet is nagekomen. Op de zitting heeft de advocaat van de vrouw aangegeven dat de vrouw zich ook aan de nieuwe beschikking zal houden.

Tot slot zal de rechtbank het verzoek van de man om [minderjarige] in het kader van de voorlopige voorzieningen aan hem toe te vertrouwen, afwijzen. Nu [minderjarige] het merendeel van de tijd bij de vrouw verblijft, ziet de rechtbank hier geen enkele aanleiding toe.

In de procedure met zaaknummer C/09/701587

Verzoek benoeming bijzondere curator

De vrouw heeft verzocht een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen. De man verzet zich hiertegen.

Uit artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de rechtbank een bijzondere curator kan benoemen om een kind te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van het kind. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen.

De rechtbank ziet in dit geval niet in wat de toegevoegde waarde is van de benoeming van een bijzondere curator. [minderjarige] is nog heel jong (vier jaar oud) en is bovendien vanwege zijn beperkingen nauwelijks in staat om te communiceren via gesproken taal. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken van een belangenstrijd tussen [minderjarige] en één van de ouders.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw worden afgewezen.

Verzoeken vervangende toestemming vakantie

De vrouw en de man hebben beiden verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [minderjarige], deels in dezelfde periode. Op de zitting heeft de man aangegeven dat [minderjarige] vier weken weg mag van school, dus dat het dan redelijk zou zijn als allebei de ouders twee weken met [minderjarige] op vakantie mogen gaan.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en het verzoek van de man afwijzen.

[minderjarige] is gewend om langere tijd achterelkaar bij de vrouw te verblijven en is erg aan haar gehecht. In die zin ziet de rechtbank dan ook niet in dat het voor [minderjarige] negatieve gevolgen zou hebben als hij voor een periode van bijna drie weken op vakantie gaat met de vrouw. De rechtbank acht het wel van belang dat de vrouw de man tijdens de vakantie op de hoogte houdt van het wel en wee van [minderjarige] en zal daarom bepalen dat de vrouw iedere week twee foto’s en een filmpje van [minderjarige] aan de man moet sturen. De rechtbank gaat ervan uit dat de omgang met de man in het weekend van 22 augustus 2026 weer zal worden hervat.

Gezien de beperkte reguliere zorgregeling en de verlatingsangst van [minderjarige], acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om twee weken met de man op vakantie te gaan. Mogelijk behoort dit in de toekomst wel tot de mogelijkheden.

Nu het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [minderjarige] zal worden afgewezen, zullen ook de daarmee samenhangende verzoeken ten aanzien van de afgifte van het paspoort van [minderjarige] en de dwangsom worden afgewezen.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de man daartoe zal dan ook worden afgewezen en de proceskosten zullen worden gecompenseerd als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaaknummer C/09/701563

bepaalt – met wijziging in zoverre van de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 6 augustus 2025 – dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats], voorlopig bij de man zal verblijven om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;

verklaart voormelde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met zaaknummer C/09/701587

verleent toestemming aan de vrouw – welke toestemming die van de man vervangt – om in de periode van 27 juli 2026 tot en met 15 augustus 2026 met [minderjarige] op vakantie te gaan naar [plaats 1], Marokko;

bepaalt dat de vrouw tijdens haar vakantie met [minderjarige] iedere week twee foto’s en een filmpje van [minderjarige] aan de man moet sturen;

verklaart voormelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.