Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20940Zaaknummer C/09/705303 / JE RK 26-845

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/705303 / JE RK 26-845
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verlenging ondertoezichtstelling 1:260 BW, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 1:265c BW, verwijzing naar de meervoudige kamer

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 september 2026;

5.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 13 september 2026;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 28 augustus 2026 om 10:00 uur;

5.5.

vraagt de griffier voor die zitting op te roepen:

  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • [minderjarige], voor een kindgesprek;
5.6.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen;

5.7.

verzoekt de gecertificeerde instelling een advies van de Raad voor de Kinderbescherming in de zin van artikel 1:265j lid 3 BW aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/705303 / JE RK 26-845

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Verwijzing naar de meervoudige kamer

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder via een telefonische verbinding;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige] is erkend door de vader, [de vader].

2.2.

Bij beschikking van 28 mei 2026 is het ouderlijk gezag van de vader beëindigd. De moeder is thans belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.3.

[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling].

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 mei 2025, voor zover hier van belang, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 13 juli 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De beoordeling

Relatieve bevoegdheid

4.1.

Artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is. Een minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de woonplaats van de persoon die het gezag over hem uitoefent. Als beide ouders tezamen het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. Voor het bepalen van de relatieve bevoegdheid kijkt de kinderrechter naar het moment van indiening van het verzoekschrift. Het verzoek van de gecertificeerde instelling is ingediend op 12 mei 2026. De vader en de moeder waren op dat moment nog gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. De ouders van [minderjarige] hebben niet dezelfde woonplaats. [minderjarige] verblijft feitelijk bij geen van hen omdat hij uit huis geplaatst is. Vóórdat hij uit huis geplaatst werd, verbleef hij bij zijn vader. De woonplaats van de vader van [minderjarige] bevindt zich in het arrondissement van deze rechtbank. De kinderrechter acht zich daarom relatief bevoegd om van het verzoek van de gecertificeerde instelling kennis te nemen.

Inhoudelijke beoordeling

4.2.

De gecertificeerde instelling vraagt in deze zaak niet alleen om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wederom te verlengen en de machtiging tot uithuisplaatsing nog langer door te laten lopen, maar verzoekt de kinderrechter ook (hetgeen ter zitting duidelijk is geworden) om zich uit te laten over het perspectiefbesluit dat is genomen (en dat er op neer komt dat er in ieder geval voor de duur van de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing niet meer zal worden gewerkt aan een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder).

4.3.

Ter zitting is ook duidelijk geworden dat de moeder het niet eens is met de wijze waarop het onderzoek dat aan het nemen van het perspectiefbesluit is voorafgegaan, is uitgevoerd en evenmin met de uitkomst van dat onderzoek. Volgens de moeder heeft er nog geen evaluatie plaatsgevonden in het kader van het perspectiefonderzoek en zal er nog een gesprek met de jeugdbeschermer gaan plaatsvinden op 30 juni 2026. De moeder heeft ook te kennen gegeven dat zij wil dat er een nieuw, onafhankelijk, onderzoek gaat plaatsvinden. De moeder heeft verder laten weten dat het voor haar niet duidelijk is dat de gecertificeerde instelling wil dat de kinderrechter zich ook uitlaat over het perspectiefbesluit en dat zij, nu haar dit duidelijk is geworden, (weer) juridische bijstand wenst.

4.4.

Gelet op de verstrekkende gevolgen van de beslissing om (voorlopig) niet meer aan thuisplaatsing te gaan werken en het standpunt van de moeder in deze, ziet de kinderrechter aanleiding om de zaak voor verdere behandeling te verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

4.5.

Een zitting van de meervoudige kamer kan niet plaatsvinden vóórdat de huidige maatregelen expireren. Het is daarom noodzakelijk alvast gedeeltelijk te beslissen op het verzoek. Vooralsnog is voldoende gebleken dat de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.[_b34e8395-3d25-4562-83b2-2f7788d77786] De gecertificeerde instelling en de moeder hebben ter zitting ingestemd met een verlenging voor twee maanden, te weten tot 13 september 2026. De behandeling van het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de met alle betrokkenen afgestemde zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 28 augustus 2026 om 10:00 uur.

4.6.

De kinderrechter verzoek de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voorafgaand aan genoemde zitting aan de rechtbank en de moeder een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken. Daarnaast verzoekt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om een advies van de Raad voor de Kinderbescherming in de zin van artikel 1:265j lid 3 BW aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen.

4.7.

De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_5d053b3f-3dd8-4717-9156-9fc5ff826fb2]

4.8.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 september 2026;

5.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 13 september 2026;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 28 augustus 2026 om 10:00 uur;

5.5.

vraagt de griffier voor die zitting op te roepen:

  • de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • [minderjarige], voor een kindgesprek;
5.6.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen;

5.7.

verzoekt de gecertificeerde instelling een advies van de Raad voor de Kinderbescherming in de zin van artikel 1:265j lid 3 BW aan de rechtbank en de moeder te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.