Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20866Zaaknummer C/09/704895 / FA RK 26-4667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
14 augustus 2026
Zaaknummer
C/09/704895 / FA RK 26-4667
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wvggz- Schadevergoeding ex art. 10:12. ZM is vernietigd door de Hoge Raad. Schadevergoeding is toegewezen over de periode dat verzoekster onrechtmatig is opgenomen en medicatie toegediend heeft gekregen. Daarbij de materiële schadevergoeding toegewezen.

De rechtbank:

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een bedrag van € 3440,-- (zegge: drieduizend vierhonderdveertig euro) aan [verzoekster], ter zake van de geleden immateriële schade;

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een bedrag van € 964,79 (zegge: negenhonderdvierenzestig euro en negenenzeventig eurocent) aan [verzoekster], ter zake van de geleden materiële schade;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. W.G. de Boer, rechter, bijgestaan door P.S.R. Nieman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juni 2025.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Procesverloop
  2. 2 Feiten
  3. 3 Verzoek en grondslag
  4. 4 Beoordeling
  5. Vordering jegens De Staat
  6. 5 Beslissing:

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Zaak-/rekestnummer: C/09/704895 / FA RK 26-4667

Datum beschikking: 25 juni 2026

Schadevergoeding ex art. 10:12 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

Beschikking op het op 08 mei 2026 ingediende verzoekschrift van:

[verzoekster],

hierna te noemen: [verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats], [geboorteland],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag,

ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door:

De Staat der Nederlanden,

(hierna ook: de Staat),

en

GGZ Rivierduinen,

(hierna ook: Rivierduinen).

1 Procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen;

- het verweerschrift van Rivierduinen met bijlagen;

- het verweerschrift van de Staat met bijlage;

- de brief van 22 mei 2026 van de advocaat van [verzoekster];

- de brief van 26 mei 2026 van de advocaat van [verzoekster].

Op 28 mei 2026 is het verzoekschrift ter zitting van deze rechtbank behandeld. Daarbij zijn gehoord:

- [verzoekster], bijgestaan door haar advocaat en ondersteund door de tolk Spaans;

- namens de Staat, [naam 1] en [naam 2];

- namens Rivierduinen, [naam 3] en [naam 4].

2 Feiten

2.1

Bij beschikking van deze rechtbank van 10 september 2025 is ten aanzien van [verzoekster] een zorgmachtiging verleend tot en met 22 oktober 2025. Bij arrest van 20 maart 2026 heeft Hoge Raad voornoemde beschikking van 10 september 2025 vernietigd en heeft de Hoge Raad het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de periode van 10 september 2025 tot en met 22 oktober 2025 afgewezen.

2.2

Bij beschikking van deze rechtbank van 21 oktober 2025 is ten aanzien van [verzoekster] een zorgmachtiging verleend tot en met 10 maart 2026.

2.3

Op 15 september 2025 heeft de zorgverantwoordelijke een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg (8:9) ten aanzien van [verzoekster] (hierna ook: de 8:9 beslissing van 15 september 2025). Deze beslissing zag (onder meer en voor zover thans van belang) op verplichte zorg ten aanzien van medicatie en medische controles (toedienen orale medicatie en toedienen intramusculaire medicatie) en beperken bewegingsvrijheid (plaatsing op een gesloten afdeling) en opname in een accommodatie. Op grond van deze beslissing is [verzoekster] op 17 september 2025 opgenomen op een gesloten afdeling van Rivierduinen.

2.4

Op 13 oktober 2025 heeft de zorgverantwoordelijke een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg (8:9) ten aanzien van [verzoekster] (hierna ook: de 8:9 beslissing van 13 oktober 2025). Deze beslissing zag op verplichte zorg ten aanzien van medicatie en medische controles (toedienen van overige medicatie). Op grond van deze beslissing is de zorgverantwoordelijke op 13 oktober 2025 gestart met toediening van verplichte medicatie aan [verzoekster].

3 Verzoek en grondslag

3.1

[verzoekster] vordert – na wijziging en verduidelijking ter zitting, naar de rechtbank begrijpt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) de Staat te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een schadevergoeding van:

- € 100,- per dag dat zij als gevolg van de zorgmachtiging opgenomen is geweest,

- € 20,- per dag dat zij verplichte medicatie heeft ontvangen,

- € 964,79 aan kosten van het vliegticket,

althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie billijk acht;

(2) Rivierduinen te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een schadevergoeding van:

- € 20,- per keer als gevolg van gebrekkige motivering (van de 8:9 beslissingen),

althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie billijk acht.

Het verzoek ten aanzien van de proceskostenveroordeling heeft [verzoekster] op de zitting ingetrokken.

3.2

Op de gronden en verweren zal – voor zover nodig – in de beoordeling worden ingegaan.

4 Beoordeling

Vordering jegens De Staat

4.1

Artikel 10:12, derde lid Wvggz luidt als volgt:‘Indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of de rechter, kan betrokkene of de vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.’

4.2

De rechtbank stelt voorop dat, bij het verlenen van de zorgmachtiging ten aanzien van [verzoekster] bij beschikking van 10 september 2025, de wet niet in acht is genomen door de rechter. Dit is ook niet in geschil.

4.3

[verzoekster] stelt dat zij schade heeft geleden, nu zij – vanwege de vernietiging van de beschikking van 10 september 2025 – zonder geldige titel vanaf 17 september 2025 gedwongen (gesloten) opgenomen is geweest en vanaf 13 oktober 2025 verplicht medicatie toegediend heeft gekregen. Zij stelt dat zij haar verblijf bij Rivierduinen heeft ervaren als een gevangenis. Zij was tijdens haar verblijf angstig en zij is door de gebeurtenissen getraumatiseerd. Met de opname en de toediening van verplichte medicatie is haar geestelijke en lichamelijke integriteit geschonden. Verder stelt [verzoekster] dat ook de gedwongen opname en de verplichte medicatie op grond van de beschikking van deze rechtbank van 21 oktober 2025 onrechtmatig is geweest nu de voortzetting van de zorgmachtiging niet aan de orde zou zijn geweest als de beschikking van 10 september 2025 zou zijn afgewezen. Op grond van het voorgaande verzoekt [verzoekster] schadevergoeding van € 100,- per dag ten aanzien van de gedwongen opname over de periode van 17 september 2025 tot en met 17 december 2025 (92 dagen), althans over de periode van 17 september 2025 tot en met 22 oktober 2025 (36 dagen). Tevens verzoekt [verzoekster] schadevergoeding van € 20,- per dag over de periode van 13 oktober 2025 tot en met 17 december 2025, althans van 13 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025.

4.4

Partijen twisten over de vraag of De Staat schadevergoeding verschuldigd is ten aanzien van verplichte zorg die is verleend op basis van de beschikking van 21 oktober 2025. De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat tegen de beschikking van 21 oktober 2025 geen cassatieberoep is ingesteld. Daarmee is deze beschikking naar het oordeel van de rechtbank geldig. In hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen. De rechtbank is van oordeel dat als de zorgmachtiging bij beschikking van 10 september 2025 zou zijn afgewezen dit niet zonder meer met zich zou brengen dat een volgende zorgmachtiging niet aan de orde zou zijn geweest. Immers, het is zeer aannemelijk dat bij een afwijzing een nieuw verzoek zou zijn ingediend met een medische verklaring die zou voldoen aan de wettelijke vereisten. Een en ander geldt te meer nu de zorgen over de psychische gesteldheid van [verzoekster] op dat moment nog van dien aard waren dat na het verstrijken van de (verkorte) termijn van de beschikking van 10 september 2025 een volgende zorgmachtiging nog noodzakelijk werd geacht. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om cassatieberoep tegen de beschikking van 21 oktober 2025 in te stellen indien zij van mening was dat de zorgmachtiging bij deze beschikking ten onrechte was verleend.

4.5

Nu de beschikking van 21 oktober 2025 geldig is, is de rechtbank van oordeel dat verplichte zorg vanaf deze datum rechtmatig is verleend. Het voorgaande brengt met zich dat mogelijke schade voortvloeiend uit de verplichte zorg die zonder titel is verleend alleen over de periode tot en met 20 oktober 2025 aan de orde kan zijn.

4.6

Verder twisten partijen over de hoogte van de schade. De rechtbank zoekt voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken (hierna ook: de Oriëntatiepunten).

4.7

Genoegzaam is komen vast te staan dat [verzoekster] zonder geldige titel van 17 september 2025 tot en met 20 oktober 2025 gedwongen opgenomen is geweest op een volledig gesloten afdeling en dat in die periode nog geen sprake was van enige vrijheden. De rechtbank zal de schade over die periode (zijnde 34 dagen) naar billijkheid vaststellen op het door [verzoekster] genoemde bedrag van € 100,-- per dag voor de hiervoor genoemde dagen waarin ten onrechte de vrijheid van [verzoekster] is ontnomen. Voorts is niet in geschil dat [verzoekster] zonder geldige titel van 13 oktober 2025 tot en met 20 oktober 2025 verplichte medicatie toegediend heeft gekregen. Nu toediening van medicatie een andere inbreuk betreft dan een gedwongen opname ziet de rechtbank – anders dan de Staat stelt – aanleiding om ook hiervoor een schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank ziet evenwel geen reden om af te wijken van een minimale vergoeding van € 5,- per dag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] onvoldoende gemotiveerd waarom een hogere vergoeding billijk zou zijn. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat [verzoekster] in eerste instantie vrijwillig genoemde medicatie heeft ingenomen en pas bij een voorstel tot verhoging van de dosering (rond 13 oktober 2025) heeft geweigerd.

4.8

Het voorgaande leidt tot een vergoeding van de schade aan [verzoekster] ten laste van de Staat ter zake van de gedwongen opname van in totaal € 3.400,-- (34 x € 100,-) en ter zake van de verplichte medicatie van in totaal € 40,-- (8 x € 5,-).

4.9

Op de zitting is gebleken dat [verzoekster] vanwege de zorgmachtiging van 10 september 2025 gesignaleerd stond (op de Telex) Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] op 17 september 2025 op Schiphol, nadat zij al was ingecheckt voor een vlucht naar El Salvador, vanwege voornoemde signalering uit de rij is gehaald, waarna zij gedwongen is opgenomen. Tevens is niet in geschil dat [verzoekster] het vliegticket op 17 juli 2025 heeft geboekt en betaald en dat de kosten van het vliegticket € 964,79 bedragen. Ook is niet in geschil dat [verzoekster] haar vliegticket niet meer kon omboeken, dan wel restitutie kon aanvragen omdat zij al was ingecheckt. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een rechtstreeks causaal verband tussen de ten onrechte afgegeven de zorgmachtiging en het afbreken van de vliegreis. De rechtbank ziet geen aanleiding op enige mate van eigen schuld van [verzoekster] aan te nemen, mede nu de kosten van het vliegticket al zijn gemaakt op 17 juli 2025 en niet is komen vast te staan dat [verzoekster] rond die periode al op de hoogte was van de aanvraag van de zorgmachtiging. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de Staat daarom veroordelen tot het betalen aan [verzoekster] van een bedrag van € 964,79 aan schadevergoeding voor het vliegticket.

Vordering jegens Rivierduinen

4.10

Artikel 10:12, tweede lid Wvggz luidt als volgt:‘Indien de wet niet in acht is genomen door de geneesheer-directeur of de zorgverantwoordelijke, kan betrokkene of de vertegenwoordiger de rechter verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder of de zorgverantwoordelijke. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.’

4.11

[verzoekster] stelt dat zij schade heeft geleden doordat zij niet conform 8:9 is geïnformeerd over de opgelegde verplichte zorg. Zij stelt minimaal twee keer niet of te laat te zijn geïnformeerd over de 8:9 beslissingen.

4.12

Op de zitting komen vast te staan dat de 8:9 beslissing van 13 oktober 2025 zowel aan [verzoekster] als aan haar advocaat tijdig is verstrekt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] geen schade heeft geleden door het niet of te laat meedelen van de 8:9 beslissing van 13 oktober 2025.

4.13

Ten aanzien van de 8:9 beslissing van 15 september 2025 is op de zitting komen vast te staan dat deze aan [verzoekster] is verstrekt op 17 september 2025. Rivierduinen heeft op de zitting gesteld dat volgens haar administratie de 8:9 beslissing van 15 september 2025 ook aan de advocaat van [verzoekster] is verstrekt. De advocaat van [verzoekster] heeft gemotiveerd betwist de 8:9 beslissing van 15 september 2025 zelf te hebben ontvangen. De advocaat heeft de dag na de opname via vrienden van [verzoekster] vernomen dat zij is opgenomen. Rivierduinen heeft geen bewijsstukken kunnen overleggen van het gestelde verstrekken van voornoemde 8:9 beslissing aan de advocaat, zodat dit niet is komen vast te staan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Rivierduinen door aldus te handelen de wet niet in acht heeft genomen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om in het onderhavige geval geen schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de advocaat op de hoogte was van de toewijzing van de zorgmachtiging van 10 september 2025 en dat zij de dag erna via andere weg op de hoogte is gesteld van voornoemde 8:9 beslissing. Daarbij heeft de advocaat op de zitting verklaard dat zij de opname niet had kunnen tegenhouden en de dag na de opname hiervoor ook geen maatregelen namens [verzoekster] heeft getroffen. Verder heeft de advocaat namens [verzoekster] gesteld dat de kern van het bezwaar van [verzoekster] ligt in de onrechtmatigheid van de gedwongen opname en de verplichte medicatie vanwege de vernietiging van de beschikking van 10 september 2025. Gelet op voorgaande concludeert de rechtbank een constatering van eerdergenoemde wettelijke overschrijding voldoende is om recht te doen aan het leed van [verzoekster].

5 Beslissing:

De rechtbank:

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een bedrag van € 3440,-- (zegge: drieduizend vierhonderdveertig euro) aan [verzoekster], ter zake van de geleden immateriële schade;

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een bedrag van € 964,79 (zegge: negenhonderdvierenzestig euro en negenenzeventig eurocent) aan [verzoekster], ter zake van de geleden materiële schade;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. W.G. de Boer, rechter, bijgestaan door P.S.R. Nieman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juni 2025.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.