Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Den Haag, 24 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20838Zaaknummer c/09/707477
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- c/09/707477
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
spoedbeslissing voorlopige voogdij, teruggeleidingsprocedure Hkov, gevaar voor onttrekking
De rechtbank:
belast de landelijke werkende Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met de voorlopige voogdij over [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [plaats], Oekraïne, van 24 juni 2026 tot en met 8 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoekschrift voor wat betreft het verzoek tot voorlopige voogdij en het overige aan tot de regiezitting van:
dinsdag 7 juli 2026 om 15:15 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
- de vader;
- de moeder en haar advocaat.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Lemmens, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. |
| Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team Familie
Zaaksgegevens: C/09/707477 FA RK 26-6204
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Voorlopige voogdij; spoedvoorziening
in de zaak naar aanleiding van het op 19 juni 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder]
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.
Het verzoek richt zich tegen belanghebbende
[de vader]
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De rechtbank merkt als informant aan:
- de Raad voor de kinderbescherming
- Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.
Feiten
- De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] in Oekraïne. Bij uitspraak van de Primorski-districtsrechtbank Odesa van 19 december 2024 is het huwelijk tussen de ouders ontbonden.
- Partijen zijn de ouders van [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [plaats], Oekraïne (hierna te noemen: [de minderjarige 1]) en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [plaats] in Oekraïne (hierna te noemen: [de minderjarige 2] ).
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
Verzoek
De moeder verzoekt – met verklaring uitvoerbaar bij voorraad:
te bevelen dat [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [plaats] in Oekraïne; onmiddellijk, doch uiterlijk vóor 15 juli 2026 dient terug te keren naar zijn gewone verblijfplaats in Oekraïne, althans dat de terugkeer zal plaatsvinden op een datum en wijze als de rechtbank in goede justitie juist zal achten, waarbij de vader de minderjarige primair dient af te geven aan de moeder, dan wel subsidiair op de te bepalen datum terug dient te brengen naar Oekraïne, meer specifiek [plaats], Oekraïne, althans de plek waar zijn gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel indien de vader dit nalaat, te bevelen dat de vader de minderjarige op eerste verzoek dient af te geven aan de moeder of een nader te bepalen derde persoon met een geldig reisdocument, zodat de moeder de minderjarige alsnog zelfstandig kan teruggeleiden naar Oekraïne;
op grond van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige [de minderjarige 1].
De moeder stelt dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] in [plaats], Oekraïne is. Tijdens een vakantie van de moeder met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Turkije heeft de vader de kinderen meegenomen en niet naar haar teruggebracht. De vader is vervolgens met de kinderen doorgereisd naar Moldavië. De moeder was bezig een teruggeleidingsprocedure op te starten en is met hulp van de Moldavische autoriteiten erin geslaagd om op 7 november 2025 [de minderjarige 2] bij haar terug te krijgen. Met hem is zij naar de Oekraïne teruggekeerd. De vader is zonder medeweten of toestemming van de vrouw met [de minderjarige 1] naar Nederland gereisd en verblijft feitelijk hier. De moeder heeft sinds begin november 2025 geen contact met [de minderjarige 1].
De moeder stelt dat de vader bij de ontvoering van de kinderen hulp heeft gekregen van de organisatie “Batko Maie Bravo”. Zij heeft begrepen dat de voorbereiding van de ontvoering maanden daarvoor is voorbereid. De moeder ontvangt nu nog dreigementen dat de vader ook [de minderjarige 2] zal wegnemen. De moeder verwacht dat de vader niet zal meewerken aan een vrijwillige teruggeleiding. Tevens stelt zij dat het risico groot is dat de man met [de minderjarige 1] doorreist naar een ander land, zoals hij vanuit Moldavië heeft gedaan. Hoewel [de minderjarige 1] gesignaleerd staat, kan de vader binnen Europa in beginsel vrij reizen. De moeder vreest dat de vader net zoals in Moldavië is gebeurd, met [de minderjarige 1] zal doorreizen zodra bekend wordt dat de moeder een teruggeleidingsverzoek heeft ingediend en de Nederlandse autoriteiten betrokken zijn.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat krachtens artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering de rechtbank een minderjarige onder voorlopige voogdij kan stellen als er gevaar bestaat dat het kind wordt onttrokken aan een bevel tot teruggeleiding.
Artikel 800 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat beschikkingen tot - onder meer – voorlopige voogdij aanstonds worden gegeven als de behandeling van het verzoek op zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbende binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.
De rechtbank is van oordeel dat het verhoor van de belanghebbende niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige 1]. De redenen daarvoor is dat de vader [de minderjarige 1] in Turkije heeft meegenomen naar Moldavië en vervolgens – toen de moeder daar een teruggeleidingsprocedure in gang had gezet – met [de minderjarige 1] naar Nederland is doorgereisd. Uit een verklaring van de directeur van ‘The Principal Directorate for Children’s Rights Protcetion” van 15 december 2025 blijkt dat de Moldavische autoriteiten een onderzoek hebben verricht in het kader van een tijdelijke beschermingsmaatregel en dat de vader tijdens dat onderzoek met [de minderjarige 1] naar een ander adres is vertrokken en heeft geweigerd om het adres aan de autoriteiten bekend te maken. Vervolgens heeft de vader [de minderjarige 1] overgebracht naar Nederland. De vrees is gerechtvaardigd dat de vader dit nogmaals doet zodra hij verneemt dat de moeder een teruggeleidingsverzoek op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 en een verzoek tot voorlopige voogdij heeft ingediend bij de rechtbank.
Het verhoor van de belanghebbende zal op hierna te melden zitting plaatsvinden.
Daarom zal – met toepassing van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – als volgt worden beslist.
Beslissing
De rechtbank:
belast de landelijke werkende Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met de voorlopige voogdij over [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [plaats], Oekraïne, van 24 juni 2026 tot en met 8 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoekschrift voor wat betreft het verzoek tot voorlopige voogdij en het overige aan tot de regiezitting van:
dinsdag 7 juli 2026 om 15:15 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
- de vader;
- de moeder en haar advocaat.
| Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Lemmens, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. |
| Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.