Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19941Zaaknummer C/09/703076 / JE RK 26-593
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/703076 / JE RK 26-593
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek ondertoezichtstelling toegewezen
Beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 18 juni 2026 tot 18 juni 2027 onder toezicht van De Jeugd- & Gezinsbeschermers [plaats];
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. E.D.A. Geleijns, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Knops als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 juli 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/703076 / JE RK 26-593
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter
Ondertoezichtstelling
in de zaak naar aanleiding van het op 8 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats], Jemen,
hierna te noemen: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats], Jemen,
hierna te noemen: [minderjarige 2],
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.S.M. Oudijk in Gouda,
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.G.M. Lodder in Utrecht.
De kinderrechter merkt als informant aan:
De Jeugd- & Gezinsbeschermers [plaats],
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlage;
- het gewijzigde verzoekschrift van 1 mei 2026;
- de brief met bijlagen van 5 juni 2026 van de vader.
[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken en heeft een brief aan de kinderrechter geschreven.
Op 18 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel onderhavig verzoek als de verzoeken tot eenhoofdig gezag en het vaststellen van een zorgregeling (C/09/688419/ FA RK 25-5297). Daarbij zijn verschenen:
- de vader bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Alhamwi;
- de moeder bijgestaan door tolk A. Sharbat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming;
- [naam 3] namens de gecertificeerde instelling (via videoverbinding).
Namens de man zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Voor zover de kinderrechter uit de stukken kan afleiden zijn de ouders gehuwd geweest van [datum 1] 2016 tot [datum 2] 2024.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
- De kinderen verblijven momenteel bij de moeder.
- De ouders en de kinderen hebben allen de Jemenitische nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van één jaar.
Aan het verzoek van de Raad ligt het volgende ten grondslag. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij zijn hebben een belast verleden waarin zij de vader als onveilig hebben ervaren, en dat nog steeds ervaren. Dit komt door de ontvoering en gedwongen achterlating van de moeder en de kinderen en de nog bestaande risico’s op eer gerelateerd geweld door de vader of zijn familie. Bij de kinderen is een zeer negatief vaderbeeld ontstaan waardoor momenteel geen rol voor de vader is weggelegd in hun leven. Toen de kinderen samen met de moeder in de vrouwenopvang verbleven zijn er veel angst- en spanningsklachten gesignaleerd. Bij [minderjarige 1] wordt nog lijfelijke onrust gezien en beide kinderen vertellen weinig over hun thuissituatie op school. De Raad vreest dat als de kinderen niet op een veilige en positieve manier het contact met de vader kunnen herstellen, dit hun verdere identiteitsontwikkeling belemmert en voor problemen kan zorgen in sociale relaties. Door de verstoorde relatie tussen de ouders en de angst van de moeder voor de vader, heeft de Raad er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders onder hun eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen kunnen wegnemen en regie kunnen voeren over de noodzakelijke hulpverlening. Bovendien is de hulpvraag volgens de Raad te complex voor het vrijwillige kader en moet een professional de regie voeren over de hulpverlening. De veiligheid van de kinderen moet ook gemonitord en gewaarborgd worden, zodat acuut ingegrepen kan worden bij onveiligheid. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
Beide ouders hebben ingestemd met het verzochte, althans hebben zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.
Beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De ernstige bedreigingen in ontwikkeling van de kinderen komt onder meer voort uit de heftige gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt. Zo geeft de moeder aan dat er sprake was van huiselijk geweld, kindontvoering en dat zij met de kinderen is achtergelaten in Jemen. Zij verblijft daarom nu met de kinderen op een geheime plek in Nederland. De vader ontkent iedere vorm van huiselijk geweld, kindontvoering en gedwongen achterlating. De ouders staan ten opzichte van de beleving van deze gebeurtenissen lijnrecht tegenover elkaar. De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat er sprake is van zeer complexe problematiek, waarbij de kinderen de vader zien als een onveilig iemand in hun leven. Zij hebben ook al ruim 2,5 jaar geen enkele vorm van contact met elkaar gehad. Het is daarom noodzakelijk dat de kinderen hiervoor hulpverlening krijgen. Mede gelet op de gebeurtenissen en de daarbij horende complexe problematiek, is de kinderrechter van oordeel dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om onder de eigen verantwoordelijkheid en in het vrijwillig kader de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Onder regie van de jeugdbeschermer dient daarom de noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen en de ouders opgestart te worden, voordat stappen genomen kunnen worden tot contactherstel en begeleide contactmomenten. Daarna moeten de kinderen de tijd en de ruimte krijgen voor het ontwikkelen van positieve ervaringen met de vader, zodat er op lange termijn sprake kan zijn van (structureel) contact.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling over de kinderen voor de duur van een jaar uitspreken.
Beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 18 juni 2026 tot 18 juni 2027 onder toezicht van De Jeugd- & Gezinsbeschermers [plaats];
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. E.D.A. Geleijns, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Knops als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 juli 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.