Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19905Zaaknummer C/09/658316 / FA RK 23-9107
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/658316 / FA RK 23-9107
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
eenhoofdig gezag, geen omgang
De rechtbank:
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 1982 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland]) het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2];
stelt vast dat er geen omgangsregeling geldt tussen de vader en de minderjarigen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 juni 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-9107
Zaaknummer: C/09/658316
Datum beschikking: 19 juni 2026
Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 11 december 2023 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2024 is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
- bepaald dat – gedurende de ondertoezichtstelling – het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder regie van de gecertificeerde instelling zal plaatsvinden, waarbij de wijze van het contact, de frequentie en de duur door de jeugdbeschermer zal worden bepaald met inachtneming van hetgeen daarover in het lichaam van de beschikking is overwogen;
- de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 juni 2024 op nihil gesteld;
- iedere verdere beslissing over de zorgregeling pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het F9-formulier van 25 juni 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 16 juli 2025 van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 19 november 2025 van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 februari 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 21 mei 2026 is de behandeling van de zaak op de zitting van deze rechtbank voortgezet, gecombineerd met het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling (C/09/700043). In die zaak heeft de kinderrechter bij mondelinge uitspraak het verzoek toegewezen.
Op de zitting zijn verschenen:
- de moeder met haar advocaat en tolk A. Glinka;
- de vader met zijn advocaat en tolk A. Polac;
- [naam] namens Jeugdbescherming west.
Feiten
- Bij beslissing van deze rechtbank van 3 juni 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, van 3 juni 2024 tot 3 juni 2025.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 3 juni 2026.
Wijziging verzoek
De moeder verzoekt, na wijziging:
- dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt beëindigd en dat voortaan alleen de moeder met het ouderlijk gezag belast zal zijn;
- geen zorgregeling dan wel omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarigen;
- dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarigen juist acht;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al wat bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Eenhoofdig gezag
De moeder wijzigt haar verzoek en verzoekt belast te worden met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De moeder draagt al geruime tijd alleen de dagelijkse zorg en opvoeding. Beslissingen over school, medische aangelegenheden en overige kwesties vinden niet gezamenlijk plaats. Voortduring van gezamenlijk gezag leidt tot stagnatie en onzekerheid en brengt het risico mee dat beslissingen worden belemmerd. Iedere vorm van communicatie ontbreekt. Een toedeling van het eenhoofdig gezag aan de moeder sluit aan bij de bestaande zorgrealiteit.
De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij graag samen met de moeder het gezag wil behouden. De vader vindt het erg belangrijk dat hij op de hoogte is van wat er speelt in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en hij wil hierover geïnformeerd worden door de moeder. Er is geen sprake van het onthouden van toestemming. Gerechtelijke vervangende toestemming was ook nooit nodig. De vader wil niet dat de moeder alleen alle beslissingen neemt en vindt daarom dat het verzoek van de moeder afgewezen moet worden.
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over het kind blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, als later de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of als wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank constateert dat op dit moment geen grote problemen zijn ontstaan doordat de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. Dit komt omdat feitelijk geen sprake is van gezamenlijk gezag: de moeder neemt tot op heden alle beslissingen zonder overleg met de vader. Tet zitting is de vader bevraagd hoe hij feitelijke uitvoering van het gezamenlijk gezag voor zich ziet, gelet op de slechte verstandhouding en communicatie.
Gelet op de toelichting van de vader acht de rechtbank een daadwerkelijke uitvoering van gezamenlijk gezag bij de vader niet in goede handen. De wens van de vader om samen met de moeder alles te overleggen en steeds samen beslissingen te nemen acht de rechtbank niet realistisch. In dat licht acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de juridische situatie in lijn te brengen met de feitelijke situatie.
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van het eenhoofdig gezag toewijst, zal in het vervolg gesproken worden over een omgangsregeling in plaats van een zorgregeling.
Omgangsregeling
De moeder heeft de rechtbank bericht dat de omgang stil staat. De vader heeft meerdere afspraken geannuleerd. Er zal een herstelgesprek nodig zijn om de omgang eventueel weer op te laten starten. Omdat de beoogde hulpverlening en de begeleide omgang niet van de grond zijn gekomen gedurende de lopende ondertoezichtstelling, vindt de moeder het niet langer in het belang van de kinderen dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de vader en de kinderen. De kinderen hebben behoefte aan rust, stabiliteit, regelmaat en voorspelbaarheid. De wisselende beschikbaarheid van de vader en het uitblijven van de nodige hulpverlening maakt dat hij deze stabiliteit niet kan bieden. De moeder vindt dat er een eindbeschikking gewezen moet worden, omdat zij niet het gevoel heeft dat de vader binnen afzienbare tijd wel voldoende beschikbaar zal zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder verzoekt gelet op het voorgaande dat er geen omgangsregeling wordt vastgesteld.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij op dit moment hard aan het werk is aan zichzelf. Hij praat met een psycholoog, heeft een woning en werkt weer af en toe. De vader mist [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontzettend en wil graag weer contact met hen. Het was het afgelopen jaar lastig voor hem om op de omgangsmoment op te komen dagen, omdat het gemis van de kinderen buiten de omgangsmomenten om te groot was. Tegelijkertijd zorgt het feit dat de vader de kinderen niet ziet ervoor dat het voor hem lastig is om uit het negatieve te komen. De vader hoopt, nu het met hem weer beter gaat en hij onder behandeling van een psycholoog is, dat er via hulpverlening gekeken kan worden op welke wijze hij een rol kan gaan spelen in de omgangsmomenten met zijn dochters. Dat daar eerst een herstelgesprek voor nodig is begrijpt de vader, daar staat hij ook op en voor. Er is volgens de vader niet voldaan aan de gronden voor het ontzeggen van de omgang en dat verzoek van de moeder moet daarom afgewezen worden.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader een eind op weg is, maar zij ziet op dit moment te weinig aanknopingspunten voor een omgangsregeling. De vader heeft al veel hulpverlening gehad. Het gaat nu wellicht beter, maar alle hulpverlening, ook in het kader van de ondertoezichtstelling, heeft tot nu toe maar beperkt effect. Dat is zorgelijk. Daarbij weegt mee dat het een uitgangspunt was vanuit de ondertoezichtstelling dat aan het contact tussen de vader en de kinderen bepaalde voorwaarden verbonden waren. Niet is gebleken dat de vader daaraan kan voldoen. De conclusie is daarom dat de vader nog steeds en meer aan zichzelf moet werken.
Vervolgens moet de rechtbank de afweging maken of het motiveren van de vader door de zaak aan te houden zwaarder weegt dan de belasting van de moeder en de eventuele onduidelijkheid voor de kinderen. De moeder heeft binnen de ondertoezichtstelling hard haar best gedaan om alle doelen te behalen, de omgang gefaciliteerd, maar voor haar is de steeds doorlopende procedure erg zwaar. De rechtbank maakt op dit moment de afweging dat het belang van de moeder en de kinderen zwaarder weegt dan het belang van de vader. Het is te belastend om de zaak boven hun hoofd te laten hangen, zonder dat duidelijk is of de vader stappen heeft gezet. De vader is volledig verantwoordelijk voor zijn eigen herstel en kan als hij er klaar voor is een nieuwe procedure starten teneinde het contact te herstellen. Daarnaast kan hij eventueel via een maatschappelijk werker de moeder benaderen om weer in contact te komen met de kinderen. De rechtbank zal daarom alles overwegende het verzoek om geen omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 1982 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland]) het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2];
stelt vast dat er geen omgangsregeling geldt tussen de vader en de minderjarigen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 juni 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.