Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 6 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:18054Zaaknummer 26/4239
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 juli 2026
- Publicatiedatum
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- 26/4239
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
vovo no ivm niet tijdig betalen griffierecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4239
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging van zijn schuldhulpverleningstraject. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Met het bestreden besluit van 20 januari 2026 heeft het college het schuldhulpverleningstraject van verzoeker beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen.[_b2798e5a-8cc6-43e9-b6bf-55e04b3a01d1] In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 29 mei 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 2 juni 2026 om 09:48 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Voor zover verzoeker een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat het dossier van verzoeker veel vragen oproept over de door hem gestelde lastige financiële situatie. Uit het dossier blijkt immers, zoals ook is overwogen in de uitspraak voorlopige voorziening AWB 26/2884 van (4 juni 2026), dat verzoeker van 1 december 2025 tot en met 10 maart 2026 in het buitenland heeft verbleven voor zijn bedrijf en dat hij op 6 juni jl. naar Suriname zou vertrekken eveneens voor werkzaamheden.
3. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het bestreden besluit ziet op de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject. Verzoeker heeft ten aanzien van deze procedure niet aangegeven welk spoedeisend belang maakt dat hij de uitkomst van de bezwaarfase niet zou kunnen afwachten.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek verder niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.